(1961)" ter plaatse geldende bestemming "sport en speelterrein, plantsoen of berm, weg en verharding en deels begraafplaats". Om medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend. 2.
- Appellanten sub 2 betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) in de weg staat aan het verlenen van de vrijstelling, omdat in het door het college overgelegde rapport van DHV van 5 juli 2006 bij de berekening of aan de grenswaarden is voldaan van onjuiste verkeersaantallen is uitgegaan. 2.4.
- Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat dit besluit op dit geschil van toepassing is. 2.4.
- De rechtbank heeft, gelet op de door het college overgelegde rapporten Witteveen & Bos van 3 november 2005 en van DHV van 5 juli 2006, terecht en op goede gronden geoordeeld dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 7 van het BLK
- Voldoende aannemelijk is geworden dat de gerealiseerde aansluiting van de A4 op de Vlaardingerdijk heeft geleid tot afname van vrachtverkeer op de Burgemeester Van Haarenlaan, waardoor het verschil in de verkeersaantallen in het rapport van Witteveen & Bos en het rapport van DHV is te verklaren. De stelling dat daarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de ontwikkeling van de wijk Nieuwland treft geen doel. De van deze en andere ontwikkelingen te verwachten verkeersdruk kan niet aan het onderhavige bouwplan worden toegerekend. Verder hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het snelheidstype "doorstromend stadsverkeer" niet representatief is voor de feitelijke situatie op de Burgemeester van Haarenlaan. Ook overigens biedt het betoog van appellanten sub 2 geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 7 van het BLK
- 2.
- Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën gevallen. Vaststaat dat de door gedeputeerde staten van Zuid-Holland vastgesteld lijst met categorieën gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, ten tijde van de beslissingen op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. De rechtbank heeft de besluiten van het college van 23 februari 2006 daarom terecht vernietigd. Aan het betoog van appellanten sub 2, dat ten tijde van het nemen van die besluiten het bouwplan niet onder één van de in de lijst van categorieën gevallen viel, komt daarom geen betekenis meer toe. Inmiddels heeft bekendmaking van een door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën gevallen op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze plaatsgevonden, door plaatsing daarvan in het Provinciaal Blad van Zuid-Holland, no. 44, uitgegeven op 6 juli
- Vast staat dat het bouwplan past binnen de onder b, sub 1, aangeduide categorie: "Het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (…)". De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2006, no. 200602477/1, bezien of de rechtsgevolgen van de besluiten van 14 februari 2006 in stand konden worden gelaten. 2.
- Als ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan dient het rapport "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van het verzoek om vrijstelling ex artikel 19 WRO voor 152 woningen te Schiedam" van Witteveen & Bos van 20 juli
- Daarin is gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en het beleid van de stadsregio. In het rapport van 29 november 2005 van Royal Haskoning is een stedenbouwkundige en landschappelijke verantwoording gegeven voor de keuze van het bouwplan op deze locatie. De enkele omstandigheid dat de aan de orde zijnde locatie in de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie van de gemeente Schiedam, vastgesteld op 31 januari 2005, niet is genoemd als herkenningspunt voor de stad betekent niet dat hoogbouw in het gebied "Spieringshoek" in strijd is met gemeentelijk beleid. De rechtbank heeft hierin dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is. Het betoog van appellanten sub 2 terzake faalt derhalve. Het betoog van appellanten sub 2 en sub 3 dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is nu het bouwplan de ter plaatse aanwezige landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden rondom de Poldervaart aantast, slaagt evenmin. In de ruimtelijke onderbouwing is erop gewezen dat het bouwplan een ecologische zone van 30 m uit het hart van de Poldervaart respecteert. In het voorontwerp bestemmingsplan "Groene Long" is de Poldervaart is aangeduid als een "nat lint" met een maat van 30 meter. Hoewel de toelichting van dat voorontwerp stelt dat een optimaal lint 40 m breed is, is voldoende aannemelijk geworden dat het aanhouden van een maat van 30 m in dit geval voldoende is om de Poldervaart te laten functioneren als ecologische verbinding. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gebied geen beschermde status heeft en dat uit door het college gevraagd onderzoek van ONS Ingenieursbureau van 8 augustus 2003 is gebleken dat ter plaatse geen zeldzame dieren en planten zijn aangetroffen. Voorts is de ingevolge de Flora- en faunawet benodigde ontheffing verleend. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende rekening is gehouden met de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van het gebied. Van strijd met het Groenstructuurplan of de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie is in zoverre niet gebleken. Evenzeer faalt het betoog van appellanten sub 2 en 3 dat de rechtbank heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is onderkend dat het bouwplan een verkeersonveilige situatie tot gevolg heeft. In de ruimtelijke onderbouwing is erop gewezen dat zal worden voorzien in een afzonderlijke ontsluiting van het Poldervaartpad op de Burgemeester van Haarenlaan. Voorts is uit de stukken gebleken en ter zitting bevestigd dat de verkeerscirculatie zal worden gewijzigd ten behoeve van een meer verkeersveilige situatie. 2.
- De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. 2.7.
- Niet kan worden staande gehouden dat onvoldoende belang is gehecht aan de molenbiotoop van de Babbersmolen. De Babbersmolen betreft een incomplete molen. De bescherming van de molenbiotoop voor incomplete molens is eerst met het van kracht worden van de door gedeputeerde staten van Zuid-Holland vastgestelde Nota Regels voor Ruimte in april 2005 ingegaan. Gedeputeerde staten hebben in het kader van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Nieuwland 2004" ten aanzien van de molenbiotoop van de Babbersmolen overwogen dat kan worden ingestemd met het bouwplan, omdat op het moment van de vaststelling van de Nota Regels voor Ruimte de planvorming voor het bouwplan in een vergevorderd stadium verkeerde. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat het college vanwege de aanwezigheid van de Babbersmolen niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Het terzake gevoerde betoog van appellanten sub 3 faalt. 2.7.
- Appellanten sub 3 betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat de bouw van het gebouw van 65 m hoog tot onevenredige windhinder en tot windgevaar voor fietsers leidt. In het door het college aan zijn besluit de vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegde rapport van Dorssersblesgraaf van 29 november 2004 is geconcludeerd dat de gehanteerde grenswaarden voor windgevaar niet zullen worden overschreden. Ter voorkoming van de overschrijding van de grenswaarde voor windhinder, waarop volgens genoemd rapport een slechts geringe kans bestaat, zullen, zoals het college heeft bevestigd, de nodige maatregelen worden getroffen. 2.
- Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning niet kon worden verleend omdat het college bij de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen van onjuiste normen is uitgegaan, nu geen acht is geslagen op de bestaande parkeerproblematiek in de wijk en als gevolg van het bouwplan 69 parkeerplaatsen zullen verdwijnen. 2.8.
- Ingevolge artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 2.8.
- Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte aansluiting gezocht bij de Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van de stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: ASVV) en aan de hand daarvan een parkeernorm van 1,2 voor appartementen en 1,5 voor de andere woningen vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de berekening van het vereiste aantal parkeerplaatsen niet op deze aanbevelingen heeft mogen baseren. Op grond van de gehanteerde normen zijn ten behoeve van de woningen in totaal 193 parkeerplaatsen vereist. Daaraan wordt voldaan nu het bouwplan voorziet in 234 parkeerplaatsen op het bij de op te richten bebouwing behorende terrein. Het betoog van appellanten sub 3 dat bij het hanteren van de norm ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de appartementen niet door senioren zullen worden bewoond, faalt, reeds omdat het college uitdrukkelijk niet de parkeernorm van 0,3-0,6 voor serviceflats heeft gehanteerd, maar heeft aangesloten bij de in de ASVV opgenomen norm die de gemeente bij het berekenen van het benodigd aantal parkeerplaatsen voor appartementen gebruikt. Het betoog dat de op het terrein gerealiseerde parkeerplaatsen openbare parkeerplaatsen betreffen, doet aan het voorgaande niet af. Vooropgesteld zij dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak no. 200400798/1, AB 2004, 1044, bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Het college heeft derhalve geen rekening hoeven houden met reeds bestaande parkeerproblemen als gevolg van de zich in de wijk bevindende scholengemeenschap, moskee en sportvelden. Bovendien zullen naast de scholengemeenschap 33 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Per saldo is daardoor geen sprake van een vermindering van het aantal parkeerplaatsen door de verwijdering van de 69 bestaande openbare parkeerplaatsen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat niet aan de parkeereisen wordt voldaan. 2.
- Appellanten richten zich voorts tegen het oordeel van de rechtbank dat het college voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van het advies van de welstands- en monumentencommissie van 10 januari 2005 bouwvergunning heeft verleend. 2.9.
- Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. 2.9.
- De welstands- en monumentencommissie heeft in haar advies van 10 januari 2005 een negatief oordeel gegeven over het bouwplan, omdat naar haar oordeel de hoogte en de omvang van de bebouwing een negatieve invloed heeft op de omgeving. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college toereikend heeft gemotiveerd waarom het niettemin de bouwvergunning heeft verleend. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de ruimtelijke onderbouwing en in het rapport van Royal Haskoning van 29 november 2005 een verantwoording is gegeven voor de inpassing van het bouwplan in de omgeving. Voorts hebben Sramota en Naaijen Architecten B.V. en de Stichting Dorp, Stad en Land zich in hun adviezen van 19 mei 2005 respectievelijk 25 mei 2005 positief uitgesproken over het uiterlijk van de op te richten bebouwing op zichzelf. Het betoog van appellanten faalt. 2.
- De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Duursma Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007 378