(2015)als maatgevend jaar aangehouden. De omstandigheid dat de aanvang van de reconstructie vertraging heeft opgelopen, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat 2015 niet als het maatgevende jaar kon worden gehanteerd. 2.3.
- Voor zover appellant aanvoert dat nieuwbouwplannen niet zijn meegenomen in de verwachte toekomstige ontwikkelingen overweegt de Afdeling dat deze grond feitelijke grondslag mist. De jaarlijkse autonome toename van verkeer waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan, is blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift gebaseerd op de wegenstructuur, de mobiliteitsgroei en sociaaleconomische gegevens, met inbegrip van nieuwbouwplannen. 2.3.
- Voor zover appellant aanvoert dat verweerder de toekomstige ontwikkeling van de verkeersstromen niet heeft gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat verweerder ter motivering van zijn besluit heeft verwezen naar het akoestisch rapport. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat verweerder het akoestisch rapport bij het nemen van het bestreden besluit niet tot uitgangspunt heeft kunnen nemen. 2.
- Ingevolge artikel 100 van de Wet geluidhinder geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen een zone, de voor reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar wordt aangemerkt. Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder kan het college van gedeputeerde staten, voor zover hier van belang, in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, kan het college van gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en ten eerste, vindt het vierde lid slechts toepassing indien het verzoek betrekking heeft op een te reconstrueren weg, die een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen. 2.4.
- Appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2, vierde en vijfde lid, van het Besluit, nu de Eikenlaan volgens hem geen noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie heeft. Voorts voert hij aan dat verweerder ter motivering hiervan niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het wijkverkeersplan. 2.4.
- Blijkens de toelichting op het Besluit zal een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie van een bepaalde weg door de verzoeker moeten worden aangetoond met recente gegevens, bijvoorbeeld aan de hand van een verkeers- en vervoersplan. Verweerder heeft bij de beoordeling van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht om hogere geluidwaarden vast te stellen, het door dit college overgelegde wijkverkeersplan Dubbeldam van de gemeente Dordrecht van 4 april 2000 betrokken. Uit het wijkverkeersplan blijkt dat de Eikenlaan deel uitmaakt van de hoofdstructuur van ontsluitingswegen van Dubbeldam. De Eikenlaan is een ontsluitingsweg voor het zuidelijke gedeelte van de wijk. Gelet hierop heeft verweerder ervan uit kunnen gaan dat de Eikenlaan een noodzakelijke verkeers- of vervoersfunctie zal gaan vervullen. 2.
- Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep, voor zover het is ingediend door [drie appellanten], niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Fransen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007 407-492.