200606028/
- Datum uitspraak: 29 augustus 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- de stichting "Stichting Natuur en Milieu", gevestigd te Utrecht,
- de stichting "Stichting Milieufederatie Groningen", gevestigd te Groningen,
- de vereniging "Vogelbescherming Nederland", gevestigd te Zeist, en [appellant sub 3 a], beweerdelijk namens BirdLife International,
- [appellante sub 4], waarvan de vennoten zijn [4 vennoten], allen wonend te [woonplaats], en andere,
- [appellante sub 5], wonend te [woonplaats],
- de stichting "Stichting Nateuropa", gevestigd te Schiermonnikoog, en anderen,
- [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], appellanten, en
- de Minister van Economische Zaken,
- de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
- de Minister van Verkeer en Waterstaat,
- het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
- het college van gedeputeerde staten van Groningen,
- het dagelijks bestuur van het wetterskip Fryslân,
- het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest,
- het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel,
- het college van burgemeester en wethouders van De Marne, verweerders.
- Procesverloop Bij besluit van 15 april 2005 hebben de Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister van EZ), de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister van LNV) en de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister van V&W) op grondslag van artikel 39a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) de rijksprojectenprocedure op projecten tot winning van gas onder de Waddenzee van toepassing verklaard en de Minister van EZ als projectminister aangewezen. Op 6 oktober 2005 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingestemd met dit besluit. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de Minister van EZ ingevolge artikel 39b van de WRO het rijksprojectbesluit "Gaswinning onder de Waddenzee vanaf de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen" (hierna: het rijksprojectbesluit) vastgesteld. Door verweerders sub 1 tot en met sub 9 zijn voor het aanleggen en in gebruik nemen van de productielocaties, het verrichten van boringen, het winnen van gas en het abandonneren van de productielocaties alsmede voor het aanleggen en in gebruik nemen van aardgastransportleidingen in totaal 32 uitvoeringsbesluiten genomen. Tegen het rijksprojectbesluit hebben de stichting "Stichting Milieufederatie Groningen" (hierna: Stichting Milieufederatie Groningen) bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, de stichting "Stichting Natuur en Milieu" (hierna: Stichting Natuur en Milieu) bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2006, de vereniging "Vogelbescherming Nederland" (hierna: Vogelbescherming Nederland) en [appellant sub 3a], beweerdelijk namens BirdLife International, bij brief van 16 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, [appellante sub 4] en andere bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, [appellante sub 5] bij brief van 13 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, de stichting "Stichting Nateuropa" (hierna: Stichting Nateuropa) en anderen bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, en [appellant sub 7] bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, beroep ingesteld. Alle appellanten hebben daarnaast beroep ingesteld tegen het instemmingsbesluit met het winningsplan en de drie vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor de locaties Lauwersoog, Moddergat en Vierhuizen. Vogelbescherming Nederland en [appellant sub 3a], Stichting Nateuropa en anderen, [appellante sub 5] en [appellant sub 7] hebben verder beroep ingesteld tegen het instemmingsbesluit met het meetplan. Ook tegen de overige uitvoeringsbesluiten hebben [appellante sub 5] en [appellant sub 7] beroep ingesteld. Stichting Nateuropa en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 18 september
- De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V." (hierna: de NAM) is als partij tot het geding toegelaten. Bij brief van 16 november 2006 heeft de Minister van LNV een verweerschrift ingediend. Bij brief van 8 december 2006 heeft de Minister van EZ een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 maart 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante sub 4] en andere en Stichting Nateuropa en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante sub 4] en andere, [appellante sub 5], de Minister van EZ en de NAM. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Een door [appellante sub 5] ingezonden DVD is niet aan het dossier toegevoegd en retour gezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2007, waar Vogelbescherming Nederland en [appellant sub 3a], vertegenwoordigd door [gemachtigden], allen medewerker van Vogelbescherming Nederland, [appellante sub 4] en andere, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, ir. J.C.A. Joordens, ir. A.P.E.M. Houtenbos en [vennoot], [appellante sub 5], in persoon en bijgestaan door ing. F.A. Jacobs en ing. J. Bloem, Stichting Nateuropa en anderen, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, en ing. F.A. Jacobs, [appellant sub 7], in persoon en bijgestaan door mr. F.P. Dillingh, advocaat te Heerenveen, de Minister van EZ, vertegenwoordigd door mr. E.P. Koorstra, mr. J.H. Keinemans, drs. P. Jongerius en ir. J.P.H. Roest, allen ambtenaar bij het ministerie van EZ, alsmede dr. J.N. Breunese en dr. G. van Wirdum, beiden werkzaam bij TNO Bouw en Ondergrond, de Minister van LNV, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel en ing. H.H.M. Durenkamp, beiden ambtenaar bij het ministerie van LNV, en de Minister van V&W, vertegenwoordigd door ir. A. Prakken en dr. J. de Vlas, beiden ambtenaar bij het ministerie van V&W, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de NAM, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag, en [gemachtigden], allen werkzaam bij de NAM. Stichting Natuur en Milieu, Stichting Milieufederatie Groningen en verweerders sub 4 tot en met sub 9 zijn, al dan niet met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.
- Overwegingen Inleiding 2.
- Ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WRO kan bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van de Ministers wie het aangaat, de Minister van VROM daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad, worden bepaald dat op de besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van nationaal belang de procedure die is beschreven in de paragrafen 2 en 3 van afdeling 1a dan wel een van die paragrafen van toepassing is. Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een besluit van de Ministers wie het aangaat treedt de Minister van VROM op als projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere minister wordt aangewezen. Een besluit van de Ministers wie het aangaat als bedoeld in het eerste lid geeft ingevolge het derde lid een aanduiding van de betekenis en het belang van het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Ingevolge artikel 39b van de WRO stellen de Ministers wie het aangaat, de Minister van VROM daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel de projectminister een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van: a. het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd, b. de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en c. de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen. Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het bestuursorgaan ingevolge artikel 39i, eerste lid, van de WRO onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan aan de projectminister. Ingevolge artikel 39j, eerste lid, van de WRO bevordert de projectminister een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, en van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te nemen besluiten. 2.1.
- Met het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten wordt beoogd te komen tot het winnen van gas uit de gasvelden Nes, Moddergat, Lauwersoog-Centraal, Lauwersoog-Oost, Lauwersoog-West en Vierhuizen-Oost vanaf de boorlocaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen. De winning is voorzien tot uiterlijk het jaar
- Een klein gedeelte van het gasveld Nes ligt in het kombergingsgebied Pinkegat en voor het overige liggen de gasvelden in het kombergingsgebied Zoutkamperlaag. Deze gebieden bevinden zich in het oostelijke gedeelte van de Waddenzee en in het Lauwersmeergebied. De zes gasvelden bevatten naar verwachting ten minste 20 miljard kubieke meter winbaar gas. Dit is een hoeveelheid om tien jaar lang de huishoudens in de vier grote steden van aardgas te voorzien. De gashoudende lagen bevinden zich op een diepte van ongeveer drie tot vier kilometer en zijn in het midden van de jaren '90 van de vorige eeuw door gedevieerde exploratieboringen vanaf de drie boorlocaties aan de wal aangetoond. In het waddengebied zelf wordt niet geboord. Vanaf de boorlocaties zal het gewonnen gas worden afgevoerd naar de gasbehandelingsstations bij Anjum en Grijpskerk. Hiertoe is voorzien in de aanleg van aardgastransportleidingen tussen de boorlocaties Moddergat en Lauwersoog en het station in Anjum, en tussen de boorlocatie Vierhuizen en het station in Grijpskerk. 2.1.
- De gasvelden bevinden zich in zandsteenlagen die gevormd worden door aan elkaar gekitte zandsteenkorrels. Daartussen bevinden zich poriën waarin zich onder hoge druk gas bevindt. De gasvelden zijn afgedekt door niet doorlatende gesteentelagen. De bovenliggende lagen oefenen een grote druk uit op het gasveld, waarbij het aanwezige gas tegendruk levert. Wordt dit gas gewonnen, dan neemt de tegendruk geleidelijk af en worden de gashoudende zandsteenlagen geleidelijk samengedrukt. Dit wordt compactie genoemd. Als gevolg daarvan dalen de bovenliggende gesteentelagen mee. Als deze daling doorwerkt naar het aardoppervlak spreekt men van bodemdaling. Onder aardoppervlak wordt ook de bodem van het wad en de bodem van het Lauwersmeer verstaan. De gevolgen van de gaswinning in de vorm van bodemdaling zullen zich voordoen in het oostelijke gedeelte van de Waddenzee en in het Lauwersmeergebied. Van de verwachte bodemdaling zijn per gasvoorkomen prognoses gemaakt. Los van de bodemdaling ten gevolge van de nieuwe gaswinning is in het gebied sprake van autonome bodemdaling en van bodemdaling ten gevolge van bestaande winningen (zoals bij Ameland-Oost en Anjum). Voorts is sprake van een mondiale zeespiegelstijging, welke tot gevolg heeft dat het verschil tussen de kruinhoogte van dijken en de zeespiegel afneemt en dat het areaal aan wadplaten dat bij eb droogvalt afneemt. In het algemeen verloopt de compactie en daarmee de bodemdaling door gaswinning - voor een gemiddeld klein veld - aanvankelijk met een snelheid van enkele millimeters per jaar. Na verloop van tijd loopt deze snelheid terug. Nadat de winning wordt gestaakt, zullen de compactie van het reservoirgesteente en het zakken van de bovenliggende lagen niet direct stoppen. Dit wordt het naijlen van de bodemdaling genoemd. De kombergingsgebieden Pinkegat en Zoutkamperlaag vormen een zanddelend systeem, hetgeen wil zeggen dat beide gebieden zand uit de kustzone betrekken. Evenals de zeespiegelstijging draagt ook de winning van gas bij aan een relatief diepere ligging van de bodem ten opzichte van de zeespiegel. Hierdoor treedt een verandering op in de waterbeweging, met als gevolg dat de Waddenzee meer sediment vangt. Het systeem heeft de neiging de oude diepte ten opzichte van de zeespiegel te herstellen. De snelheid waarin sedimentatie kan plaatsvinden, wordt meegroeivermogen of natuurgrens genoemd. Voor de komberging Pinkegat is het meegroeivermogen op 6 mm/jaar gesteld en voor de komberging Zoutkamperlaag op 5 mm/jaar. De maximaal gemiddelde prognose van de bodemdalingssnelheid door gaswinning is bepaald op 3,38 mm/jaar over een periode van zes jaar. Het benodigde extra sediment wordt sedimenthonger of zandhonger genoemd. Ten gevolge van de door bodemdaling veroorzaakte zandhonger vindt extra kustafslag plaats. Een deel van het sediment bestaat uit zand dat aan de Noordzeekustzone wordt onttrokken. Om de kustlijn vast te houden, zal nabij of op de kust extra zand moeten worden gesuppleerd. Dit gebeurt in dit geval aan de noordzijde van Ameland. Het dynamische evenwicht tussen bodemdaling en zeespiegelstijging enerzijds en sedimentatie anderzijds kan in stand blijven mits de kritische grenswaarde van het kombergingsgebied niet wordt overschreden. Hiermee kan worden bepaald wat de ruimte is die door menselijke activiteiten kan worden ingevuld (de gebruiksruimte) zonder dat het dynamische evenwicht in de Waddenzee onomkeerbaar uit balans raakt. 2.1.
- De met het oog op de gaswinning genomen uitvoeringsbesluiten zijn: - drie vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer van de Minister van EZ voor respectievelijk de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen; - het instemmingsbesluit met het winningsplan als bedoeld in artikel 34 van de Mijnbouwwet van de Minister van EZ; - het instemmingsbesluit met het meetplan als bedoeld in artikel 30 van het Mijnbouwbesluit van de Minister van EZ; - vijf vergunningen als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 van de Minister van LNV voor respectievelijk de locatie Moddergat, de locatie Lauwersoog, de locatie Vierhuizen, de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet van de Minister van LNV voor de gasleiding Lauwersoog-Anjum; - een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van de Minister van V&W voor de gasleidingen Lauwersoog-Anjum en Vierhuizen-Munnekezijl; - een ontheffing als bedoeld in bepaling 4 van bijlage 10 van de Provinciale Milieuverordening Fryslân van het college van gedeputeerde staten van Fryslân voor de gasleiding Lauwersoog-Anjum; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 11 van het Wegenreglement van de provincie Groningen van het college van gedeputeerde staten van Groningen voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 4 van het Kanalenreglement Groningen van het college van gedeputeerde staten van Groningen voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van het dagelijks bestuur van het wetterskip Fryslân voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - twee ontheffingen als bedoeld in artikel 29 van de Keur van het wetterskip Fryslân van het dagelijks bestuur van het wetterskip Fryslân voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - twee ontheffingen als bedoeld in artikel 21 van de Keur van het waterschap Noorderzijlvest van het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest voor respectievelijk de gasleiding Lauwersoog-Anjum en de gasleiding Vierhuizen-Munnekezijl; - een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.
- van de Algemene plaatselijke verordening Dongeradeel van het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel voor de gasleiding Lauwersoog-Anjum; - een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet van het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel voor de locatie Moddergat; - een vergunning als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet van het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel voor de locatie Moddergat; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet van het college van burgemeester en wethouders van De Marne voor respectievelijk de locatie Lauwersoog en de locatie Vierhuizen; - twee vergunningen als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet van het college van burgemeester en wethouders van De Marne voor respectievelijk de locatie Lauwersoog en de locatie Vierhuizen. Zoals uit het procesverloop volgt, zijn al deze uitvoeringsbesluiten in geding. Anders dan de NAM aanneemt, leidt de enkele omstandigheid dat niet voor al deze besluiten daarop gerichte beroepsgronden zijn ingebracht, niet tot de conclusie dat voor de desbetreffende besluiten van onherroepelijkheid reeds vanwege het verstrijken van de beroepstermijn moet worden uitgegaan. Ontvankelijkheid Vogelbescherming Nederland en [appellant sub 3a] (vertegenwoordiging) 2.
- In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Wanneer degene die het beroepschrift heeft ondertekend niet voor zichzelf maar voor een ander in beroep komt, zal van de bevoegdheid tot het instellen van het beroep moeten blijken. Indien hieraan niet is voldaan, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 2.2.
- [appellant sub 3a] heeft het beroepschrift van Vogelbescherming Nederland mede namens BirdLife International ondertekend. Daarbij zijn geen stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt. In het beroepschrift van 16 augustus 2006 geven appellanten aan nadere stukken over BirdLife International te zullen nazenden. Vogelbescherming Nederland en [appellant sub 3a] is bij aangetekende brief van 5 oktober 2006 verzocht statuten en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van BirdLife International in te zenden. Zij zijn hiertoe tot en met 12 oktober 2006 in de gelegenheid gesteld. Appellanten hebben de gestelde vertegenwoordiging niet aangetoond. Uit het beroepschrift blijkt dat [appellant sub 3a] niet voor zich is opgekomen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest. Het beroep, voor zover beweerdelijk namens BirdLife International ingediend door [appellant sub 3a], is niet-ontvankelijk. [appellante sub 4] en andere (zienswijze) 2.
- Ingevolge artikel 39d, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb, wordt het ontwerp van het rijksprojectbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen belanghebbenden gedurende deze termijn hun zienswijze naar voren brengen bij - in dit geval - de Minister van EZ (SenterNovem). Ingevolge artikel 39k, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb, worden de ontwerpen van de in artikel 39j van de WRO bedoelde (uitvoerings)besluiten ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen. Het ontwerprijksprojectbesluit en de ontwerpuitvoeringsbesluiten zijn blijkens de kennisgeving met ingang van 19 april 2006 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 30 mei
- 2.3.
- Bij brief van 29 mei 2006, ingekomen bij SenterNovem op 30 mei 2006, is een zienswijze ingebracht door [Camping Lauwersoog] te Lauwersoog. Bij brief van 29 mei 2006, ingekomen bij SenterNovem op 30 mei 2006, is een zienswijze ingebracht door [appellante sub 4] te Zoutkamp en "H.A. Sarolea" te Utrecht, ondertekend door respectievelijk [vennoot] en H.A. Sarolea. Het beroep is ingediend door [appellante sub 4] te Zoutkamp, [vennoot] te Zoutkamp, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Camping en recreatiecentrum Lauwersoog B.V." (hierna: Camping Lauwersoog) te Lauwersoog, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Stapel Beheer B.V." (hierna: Stapel Beheer) te Ternaard en [appellant sub 4a] te Ternaard. 2.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat wat betreft de tenaamstelling verschillen bestaan tussen de (rechts)personen die zienswijzen hebben ingebracht en degenen die beroep hebben ingediend. Naar het oordeel van de Afdeling moet het er, gelet op de wijze van ondertekening en de bewoordingen in de zienswijzebrieven, voor worden gehouden dat van de (rechts)personen die beroep hebben ingesteld, [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog (hierna tezamen: [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog) zienswijzen hebben ingebracht. [vennoot], Stapel Beheer en [appellant sub 4a] hebben geen zienswijzen tegen het ontwerprijksprojectbesluit en/of de ontwerpuitvoeringsbesluiten ingebracht. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder k en l, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen een rijksprojectbesluit of een uitvoeringsbesluit voor dit project door de belanghebbende die tijdig tegen het ontwerp daarvan een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep voor zover dit is ingediend door [vennoot], Stapel Beheer en [appellant sub 4a], is niet-ontvankelijk. [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog, [appellante sub 5] , Stichting Nateuropa en anderen, en [appellant sub 7] (belanghebbende) 2.
- Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder k en l, van de WRO kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit en de in 2.1.
- genoemde besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 2.4.
- Als uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid geldt voorts het volgende. Voor het aannemen van de hoedanigheid van belanghebbende bij de uitvoeringsbesluiten is het zijn van belanghebbende bij het rijksprojectbesluit niet voldoende. Appellanten dienen ten aanzien van de uitvoeringsbesluiten een afzonderlijk belang, dat rechtstreeks wordt geraakt door het desbetreffende besluit, te hebben. Daarbij is de Afdeling van oordeel dat indien de ontvankelijkheid bij het rijksprojectbesluit is gegeven, dit ook geldt voor de instemmingsbesluiten met het winningsplan en het meetplan en de Nbw 1998-vergunningen voor de drie winningslocaties. De gevolgen van de overige uitvoeringsbesluiten zijn beperkter van aard, zodat de ontvankelijkheid van een daartegen gericht beroep afzonderlijk moet worden beoordeeld. 2.
- De Minister van LNV stelt zich op het standpunt dat het beroep voor zover ingediend door [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog tegen de vergunningen ingevolge de Nbw 1998, niet-ontvankelijk is omdat natuurbescherming niet uit hun doelstellingen voortvloeit en zij ook anderszins geen rechtstreeks betrokken belang hebben. Daarbij beroept de minister zich op de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2004 in zaak no. 200302345/
- Verder zien de beroepsgronden van appellanten niet op belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, aldus de minister. 2.5.
- [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog oefenen hun bedrijvigheid uit in het Lauwersmeergebied. In dit gebied zal zich ten gevolge van de gaswinning bodemdaling en een verandering van het waterpeil voordoen. Gelet hierop is niet gebleken dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de Nbw 1998-vergunningen voor deze appellanten nadelige gevolgen in hun bedrijfsvoering met zich kunnen brengen. Hieruit volgt dat [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog rechtstreeks betrokken belangen bij de Nbw 1998-vergunningen hebben, zodat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij deze besluiten. Het beroep van de minister op voornoemde uitspraak van 28 januari 2004 faalt. Van de appellanten in die zaak was niet gebleken dat zij door het bestreden besluit in hun belangen waren geraakt. Het beroep van [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog is ook in zoverre ontvankelijk. 2.
- De Ministers van EZ en LNV stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellante sub 5] niet-ontvankelijk is aangezien zij volgens hen geen direct belang heeft bij het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten. Hiertoe stellen zij onder meer dat appellante woonachtig is buiten de 2 centimeter-bodemdalingscontour en dat een mogelijk gevoel van betrokkenheid bij het waddengebied onvoldoende is. Daarbij beroept de Minister van LNV zich op de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2005 in zaak no. 200408454/
- 2.6.
- Appellante is woonachtig op Schiermonnikoog. Zij voelt zich sterk betrokken bij het waddengebied. Zij onderstreept haar belang door erop te wijzen dat Schiermonnikoog zich bevindt in het bodemdalingsgebied en in het gebied waar zich bodemtrillingen kunnen voordoen. 2.6.
- Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de gaswinning voor appellante nadelige gevolgen voor haar woonomgeving met zich kan brengen. Door de gaswinning kunnen lichte aardbevingen plaatsvinden. De gevolgen kunnen zich voordoen in de vorm van bodemtrillingen die volgens het winningsplan binnen een straal van maximaal zeven kilometer rond een epicentrum van een beving kunnen worden waargenomen. Niet is uitgesloten dat hierdoor aan de woning van appellante op enigerlei wijze schade kan optreden nu deze zich bevindt binnen vorenbedoelde afstand tot de gasvoorkomens Lauwersoog-Centraal, Lauwersoog-West en Lauwersoog-Oost. Hieruit volgt dat appellante een rechtstreeks betrokken belang bij het rijksprojectbesluit, de instemmingsbesluiten met het winningsplan en het meetplan en de Nbw 1998-vergunningen voor de drie winningslocaties heeft en derhalve kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij deze besluiten. Het beroep van de Minister van LNV op voornoemde uitspraak van 18 mei 2005 faalt. Het beroep van [appellante sub 5], voor zover dit ziet op vorenbedoelde besluiten, is ontvankelijk. 2.6.
- Voor zover het beroep van [appellante sub 5] zich richt op de overige uitvoeringsbesluiten overweegt de Afdeling dat deze besluiten zien op plaatsen op het vaste land en dat de gevolgen daarvan zich ook daar zullen voordoen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks de afstand tussen Schiermonnikoog en de bedoelde plaatsen, een eigen, persoonlijk belang van appellante rechtstreeks bij een of meer van die uitvoeringsbesluiten is betrokken. Gelet hierop kan appellante in zoverre niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat zij in zoverre aan artikel 54, tweede lid, aanhef en onder k en l, van de WRO geen recht tot het instellen van beroep kan ontlenen. Het beroep van [appellante sub 5], voor zover dit ziet op de overige uitvoeringsbesluiten, is niet-ontvankelijk. 2.
- De Minister van EZ en de NAM achten het beroep van Stichting Nateuropa niet-ontvankelijk. Zij zijn van mening dat de doelstelling van de stichting te ruim is geformuleerd. De Ministers van EZ en LNV en de NAM achten het beroep van de natuurlijke personen die het beroep tezamen met Stichting Nateuropa hebben ingediend, niet-ontvankelijk, aangezien deze personen geen direct belang hebben bij de bestreden besluiten. 2.7.
- Stichting Nateuropa heeft blijkens haar statuten ten doel de bevordering van de naleving van Europese natuurbeschermingswetgeving in Nederland en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. De stichting tracht dit doel blijkens haar statuten onder meer te bereiken door het indienen van zienswijzen op plannen van (semi)overheid, personen, organisaties, instellingen en bedrijven die directe of indirecte gevolgen kunnen hebben voor gebieden of leefklimaat van flora en fauna die beschermd zijn door de Europese natuurwetgeving, zoals onder meer Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn). 2.7.
- Uit de statuten kan worden afgeleid dat het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures onder de doelomschrijving van appellante valt. Zij wil blijkens de statuten opkomen voor het behoud en de bevordering van de Europese natuurbeschermingswetgeving en doet dat feitelijk ook. De Afdeling is van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de voorgenomen gaswinning en de daarmee verband houdende werkzaamheden tot een aantasting van Europese natuurwaarden kunnen leiden. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het belang van de stichting niet rechtstreeks bij de bestreden besluiten is betrokken. Voor het oordeel dat de statuten vanwege een ruime omschrijving onvoldoende onderscheidend vermogen hebben, ziet de Afdeling evenmin grond. Het beroep voor zover ingediend door Stichting Nateuropa, is derhalve ontvankelijk. 2.7.
- De overige indieners van dit beroepschrift zijn natuurlijke personen, te weten [appellanten sub 6]. Zij zijn woonachtig respectievelijk te Vollenhove, gemeente Steenwijkerland, te Amsterdam, te IJmuiden, gemeente Velsen, te Emmeloord, te Groningen, te Paterswolde, gemeente Haren, en te Haren (Gr.), en daarmee steeds op grote afstand van het gebied met de winningslocaties. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks deze afstanden, een eigen, persoonlijk belang van deze appellanten rechtstreeks bij een of meer van de door hen in beroep aangevochten besluiten is betrokken. Gezien het voorgaande kunnen deze appellanten niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat zij aan artikel 54, tweede lid, aanhef en onder k en l, van de WRO geen recht tot het instellen van beroep kunnen ontlenen. Het beroep voor zover ingediend door [appellanten sub 6], is niet-ontvankelijk. 2.
- De Ministers van EZ en LNV en de NAM zijn van mening dat het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk is. In dat verband wijzen zij er op dat de afstand van zijn woonplaats tot de dichtstbijzijnde winningslocatie achttien kilometer bedraagt. Voorts achten zij niet aannemelijk dat appellant door het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten in zijn beroepsuitoefening als schilder van het wad wordt geschaad. 2.8.
- Appellant onderstreept zijn belang door te wijzen op de nadelige gevolgen die hij van het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten in zijn beroepsuitoefening ondervindt. Hij wordt hierin beperkt door de verstoring van het landschapsbeeld ten gevolge van de plaatsing van een boorinstallatie op de drie winningslocaties. Daarbij wijst hij voorts op de aanleg van een gastransportleiding in de zeedijk in de nabijheid van de ligplaats van zijn schip. Appellant ondersteunt zijn belang door te wijzen op verkregen publiekrechtelijke toestemming om ten behoeve van zijn beroepsuitoefening gesloten gebieden in de Waddenzee te bevaren en daar droog te liggen. 2.8.
- Voor zover het betreft de woonplaats van appellant is niet in geschil dat zijn belangen niet rechtstreeks bij één of meer van de bestreden besluiten zijn betrokken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat een eigen, persoonlijk belang dat appellant voldoende van anderen onderscheidt, door het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten wordt geraakt. De omstandigheid dat appellant zijn beroep als schilder uitoefent in het gebied waar de gevolgen van de gaswinning zich zullen voordoen, acht de Afdeling ontoereikend om te kunnen spreken van een bijzonder individueel belang dat appellant van anderen onderscheidt die zich ook in dit gebied (willen) begeven. De gevolgen van de plaatsing van de boorinstallatie voor het landschap en de op publiekrechtelijke grondslag verleende toestemmingen maken dit niet anders. In de door appellant nog genoemde omstandigheid dat een van de gastransportleidingen in de zeedijk in de nabijheid van de ligplaats van zijn schip wordt aangelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel, nu niet aannemelijk is gemaakt dat appellant door deze aanleg in het gebruik van zijn ligplaats wordt beperkt of anderszins in zijn belangen bij de ligplaats wordt geraakt. Hieruit volgt dat appellant geen rechtstreeks betrokken belang bij het rijksprojectbesluit en de uitvoeringsbesluiten heeft en niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] is niet-ontvankelijk. Formele bezwaren Rijksprojectbesluit - planologische kernbeslissing 2.
- Stichting Nateuropa stelt in beroep dat voor gaswinning onder de Waddenzee is vereist dat de vigerende planologische kernbeslissing (hierna: pkb) daarmee in overeenstemming is. Dit is volgens haar niet het geval aangezien ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten de pkb Tweede Nota Waddenzee nog gold, op grond waarvan gaswinning in 1999 is afgewezen. 2.9.
- Ingevolge artikel 39a, vierde lid, van de WRO wordt voor zover de uitvoering van een project waarop een wet of een besluit van de Ministers wie het aangaat, de Minister van VROM daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou zijn met een pkb, door de Ministers wie het aangaat, de Minister van VROM daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van het voornemen deze pkb te herzien. 2.9.
- In de pkb Tweede Nota Waddenzee en het op basis daarvan opgestelde Beheersplan Waddenzee is onder meer vermeld dat het is toegestaan exploratieboringen te verrichten binnen de in concessie uitgegeven delen van het pkb-gebied, als de mijnbouwmaatschappijen kunnen aantonen dat redelijkerwijs aannemelijk is dat eventuele gasvoorkomens van buiten het pkb-Waddenzeegebied geëxploiteerd kunnen worden, dan wel van het reeds bestaande productieplatform in de concessie Zuidwal. Een en ander zal ten genoegen van het Staatstoezicht op de Mijnen aannemelijk moeten worden gemaakt. Indien duidelijk is dat gedevieerd kan worden geëxploiteerd, zal die exploitatie, voor zover voortvloeiend uit de thans voorgenomen exploratieboringen, ook na 1999 gedevieerd van buiten het pkb-gebied dienen plaats te vinden. 2.9.
- Anders dan Stichting Nateuropa stelt, volgt uit artikel 39a, vierde lid, van de WRO en de daaraan ten grondslag liggende parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1999-2000, 27178, nr. 3) dat een rijksprojectbesluit ook kan worden vastgesteld indien dit niet in overeenstemming is met een voor het gebied geldende pkb. Zo het rijksprojectbesluit in strijd is met een pkb, zal deze pkb overeenkomstig de procedure in artikel 2b, eerste lid, van de WRO moeten worden herzien. Dit bezwaar van appellante faalt derhalve. Overigens kan uit de ten tijde van de bestreden besluiten in werking zijnde pkb Tweede Nota Waddenzee noch uit de op 22 februari 2007 in werking getreden pkb Derde Nota Waddenzee worden afgeleid dat deze pkb's gaswinning onder de Waddenzee uitsluiten. De afwijzing van de winning in 1999 was het gevolg van de destijds, met de toenmalige kennis, gemaakte afweging dat nog onvoldoende zekerheid bestond dat de gaswinning niet zou leiden tot een bodemdaling die het karakter van het waddengebied zou aantasten. In de pkb Derde Nota Waddenzee is de mogelijkheid van het winnen van gas onder de Waddenzee als beslissing van wezenlijk belang als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 neergelegd. Vooringenomenheid 2.
- Vogelbescherming Nederland stelt in beroep dat het rijksprojectbesluit is genomen in strijd met het in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb bedoelde verbod op vooringenomenheid. De koppeling van de gaswinning aan het Waddenfonds werkt in de hand dat de risico's van de gaswinning voor de natuur worden gebagatelliseerd, aldus appellante. 2.10.
- Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. 2.10.
- Het kabinet heeft besloten om in een periode van 20 jaar 800 miljoen euro uit te trekken voor extra investeringen in het waddengebied. Hiervoor wordt een Waddenfonds opgericht, dat onder beheer staat van de Minister van VROM. Het Waddenfonds heeft ten doel bij wijze van subsidieregeling extra investeringen in projecten in en rond de Waddenzee op ecologisch en economisch gebied mogelijk te maken. 2.10.
- De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor de door appellante geuite veronderstelling dat verweerders zich hebben laten leiden door de verwachte opbrengsten van de gaswinning bij de beoordeling van de gevolgen van deze winning. Appellante heeft daarvoor geen concrete aanwijzingen genoemd. Van enige vooringenomenheid is dan ook niet gebleken. Dit bezwaar van appellante faalt derhalve. Of verweerders op juiste wijze en in voldoende mate zijn ingegaan op de in het kader van de besluitvorming te beoordelen punten, beziet de Afdeling hierna aan de hand van de ingebrachte beroepsgronden. Adviesgroep Waddenzeebeleid 2.
- Stichting Nateuropa uit in beroep kritiek op de wijze waarop met het rapport "Ruimte voor de Wadden" van de Adviesgroep Waddenzeebeleid rekening is gehouden bij het nemen van het rijksprojectbesluit. 2.11.
- Op 1 april 2004 heeft de Adviesgroep Waddenzeebeleid (de Commissie Meijer) het rapport "Ruimte voor de Wadden" uitgebracht. De taak van de Commissie Meijer was, zoals de Minister van EZ in zijn verweerschrift heeft aangegeven, beleidsmatig gericht en niet gericht op het doen van nieuw onderzoek. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister dit rapport gelet op de wijze van totstandkoming daarvan bij de besluitvorming buiten beschouwing had moeten laten. Dit bezwaar van appellante faalt derhalve. Materiële bezwaren Gevolgen van de gaswinning en het principe "hand aan de kraan" 2.
- Stichting Natuur en Milieu, Stichting Milieufederatie Groningen en Vogelbescherming Nederland voeren aan dat de Waddenzee in een ongunstige staat van instandhouding verkeert. De herstelopgaven worden volgens hen decennialang gefrustreerd door de gaswinningsactiviteiten, doordat deze leiden tot areaalverlies en verminderde hoogteligging van de platen in de kombergingsgebieden Pinkegat en Zoutkamperlaag. Hierdoor komen de (concept)instandhoudingsdoelstellingen in gevaar en kunnen significante effecten niet worden uitgesloten. Volledig herstel wordt volgens appellanten pas rond 2085 verwacht. De lidstaten van de Europese Unie moeten er volgens hen juist naar streven verslechtering van de leefgebieden te voorkomen en moeten zorgen voor herstel. Dat schadelijke gevolgen voor de natuurwaarden zullen uitblijven, achten appellanten onvoldoende onderbouwd. De gevolgen voor het gedrag en de overlevingskansen van bodemfauna zijn volgens hen niet onderzocht. Er is geen wetenschappelijke zekerheid dat geen significante effecten zullen plaatsvinden. Bij de besluitvorming is ten onrechte geen rekening gehouden met het cumulatieve effect van de bestaande gas- en zoutwinningen in Noord-Nederland, aldus appellanten. Vogelbescherming Nederland voert nog aan dat er meer factoren zijn die het plaatvolume beïnvloeden dan de 18,6 jarige maancyclus. De Nbw 1998-vergunningen voor de drie locaties hadden volgens appellante niet verleend mogen worden zonder toepassing te geven aan artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn dan wel de artikelen 19g en 19h van de Nbw
- Door in te stemmen met de gaswinning laat Nederland volgens haar zien het niet zo nauw te nemen met de bescherming van trekvogels. Dit kan volgens appellante ook elders leiden tot een aantasting van gebieden langs de Oost-Atlantische trekroute. Stichting Milieufederatie Groningen en Stichting Natuur en Milieu voeren verder aan dat blijkens voorschrift 3.2 van de Nbw 1998-vergunningen voor de drie winningslocaties ten onrechte eerst de causaliteit tussen de gaswinning en de achteruitgang van flora en fauna en geomorfologische waarden moet worden aangetoond alvorens toepassing te geven aan het principe "hand aan de kraan". De Nbw 1998 gaat uit van een omgekeerde bewijslast, aldus deze appellanten. Ook Vogelbescherming Nederland voert in deze zin aan dat het principe "hand aan de kraan" strijdig is met het uitgangspunt dat de gaswinning geen schadelijke gevolgen heeft. Dit principe zou niet nodig zijn als niet voor schadelijke gevolgen behoeft te worden gevreesd. 2.12.
- [appellante sub 4] en Camping Lauwersoog voeren aan dat het rijksprojectbesluit een te rooskleurig beeld schetst. Uit objectief wetenschappelijk oogpunt overtuigen de in de rapporten gepresenteerde bodemdalingsprognoses volgens hen niet. Het laboratoriumonderzoek heeft experimenteel plaatsgevonden door de NAM zelf. De onzekerheidsmarges zijn volgens appellanten zeer groot. Er is volgens hen geen aanvaard model. De bestaande gaswinningen bij Ameland en Anjum hebben bodemdalingen te zien gegeven die substantieel afwijken van de voor die velden eerder gepresenteerde prognoses. Appellanten betwijfelen of de bodemdaling kan worden gecompenseerd door het uitvoeren van extra zandsuppleties. Zij betwisten het vastgestelde meegroeivermogen en wijzen op een leemte in kennis in het milieueffectrapport (hierna: MER) ten aanzien van de vraag hoeveel zand in de Waddenzee wordt afgezet, dit terwijl uitgangspunt is dat ten behoeve van het volume van de bodemdaling in gelijke mate wordt gesuppleerd. Appellanten voeren voorts aan dat de doorwerking van veranderingen in de productiesnelheid op de bodemdaling minder goed voorspelbaar is dan in het winningsplan en met het principe "hand aan de kraan" is aangenomen. Zij beroepen zich daartoe op de analyse "Subsidence and gas production: an empirical relation" van ir. A.P.E.M. Houtenbos, voormalig medewerker van de NAM. Verder voeren appellanten aan dat onvoldoende is ingegaan op de gevolgen van de bodemdaling binnendijks. Zij verwachten door een toename van wateroverlast en vernatting in problemen te komen. Daarbij achten zij de voorspelling van belang dat de komende decennia de hoeveelheid neerslag zal toenemen. In het rijksprojectbesluit is volgens hen ten onrechte niet de totale bodemdaling van de zeekering en de spuisluizen, ook door de reeds in productie zijnde velden, in kaart gebracht. 2.12.
- [appellante sub 5] voert aan dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat de gaswinning zonder noemenswaardige schade kan plaatsvinden. De onzekerheden zijn te groot. Appellante wijst daartoe op de in het MER vermelde nadelige effecten en leemtes in kennis. Er zijn volgens haar te weinig referentiegebieden. De introductie van een gebruiksruimte waarbinnen winning mogelijk is, is volgens appellante strijdig met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Door de nieuwe winningen zal volgens haar 23 hectare aan wadplaten verdwijnen. Ook zullen de droogvaltijden veranderen, met alle gevolgen vandien voor diersoorten. Zij bestrijdt de bodemdalingsstudie van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (hierna: RIKZ). Prognoses zijn volgens haar onbetrouwbaar en moeten altijd worden bijgesteld. De gaswinningen overlappen en versterken elkaar. Door bodemdaling ontstaan meer zandverplaatsingen onder water, waardoor het natuurlijke evenwicht volgens haar wordt verstoord. Door sedimentonttrekking ontstaat erosie, met als gevolg een bedreiging voor flora en fauna en voor de veiligheid. De Waddenzee kan volgens appellante verdrinken als sedimentatie de zeespiegelstijging niet kan bijhouden. Appellante voert verder aan dat het principe "hand aan de kraan" ervan uitgaat dat achteraf wordt vastgesteld of er schade is. Dat is volgens haar in strijd met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en een simplificatie van de werkelijkheid. Door het winnen van gas verandert de drukverdeling in het gesteente. De gevolgen daarvan kunnen pas veel later worden waargenomen. Er is onvoldoende inzicht in de intensiteit en duur van het naijleffect, waarbij nog komt dat het monitoringsprogramma ontoereikend is, aldus appellante. Ook vreest appellante nadelige gevolgen voor Schiermonnikoog. Zij wijst er daartoe op dat het Rif op Schiermonnikoog zich volgens de Minister van EZ bevindt binnen de bodemdalingscontour van maximaal 2 centimeter in
- Appellante bestrijdt de ligging van deze contour en is van mening dat geheel Schiermonnikoog met bodemdaling te maken zal krijgen. Ook wijst zij op het ontstaan van trillingen en aardbevingen in het gebied. Ten slotte verhoudt de gaswinning zich volgens appellante niet met de voordracht van de Waddenzee en de eilanden voor plaatsing op de lijst van werelderfgoed van de Unesco. 2.12.
- Stichting Nateuropa vreest voor onomkeerbare gevolgen voor de Waddenzee en het Lauwersmeer. Daarbij wijst zij erop dat de Waddenzee in ecologisch opzicht het belangrijkste getijdengebied van West-Europa is. Zij acht de onderzoeken die sinds 1999 zijn uitgevoerd onvoldoende om de gaswinning te rechtvaardigen. Er wordt ten onrechte uitgegaan van modelberekeningen, die een vereenvoudiging van de werkelijkheid zijn. De resultaten bergen daardoor volgens haar onvermijdelijk onzekerheden in zich, wat zich niet verhoudt met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en het voorzorgsbeginsel. Het begrip gebruiksruimte suggereert dat er speling is. Als dit zo is, dient deze volgens appellante bewaard te blijven voor het opvangen van natuurlijke veranderingen. Bodemdaling (bij Ameland-Oost) is in het verleden te rooskleurig ingeschat. Ook uit de zoutwinningsactiviteiten volgt volgens appellante dat de bodemdaling veel groter is dan aangenomen. De onzekerheden zijn daarmee veel groter dan aangenomen in de passende beoordeling. Het principe "hand aan de kraan" en het uitgangspunt van aan te houden natuurgrenzen werken volgens appellante niet bij gaswinning. Het systeem van de Waddenzee is volgens haar te dynamisch. Ook voldoet het monitoringssysteem niet om de effecten nauwkeurig te bepalen, aldus appellante. Wat betreft het Lauwersmeer voert appellante aan dat niet is voorzien in het voorkomen van verzilting. Verzilting is een blijvend gevolg van de bodemdaling. Daarover is volgens haar onvoldoende bekend. Het standpunt van de Ministers van EZ en LNV 2.
- De Minister van EZ stelt zich op het standpunt dat de huidige staat van instandhouding van de Waddenzee door de gaswinning niet negatief wordt beïnvloed. Aan de beslissing om tot gaswinning over te gaan, liggen nieuw onderzoek en voortschrijdend inzicht ten grondslag. Indien binnen de met veilige marges bepaalde gebruiksruimte wordt gebleven, zal het geomorfologische systeem van de Waddenzee geen gevolgen van de gaswinning ondervinden. Indien de gaswinning achterwege zou worden gelaten, kan de aanwezige gebruiksruimte volgens hem niet worden gebruikt voor een vergroting van het plaatareaal. Hieraan ligt, aldus de minister, ten grondslag dat het huidige systeem ervoor zorgt dat de geomorfologie waarvan het plaatareaal en de plaathoogte deel uitmaken, met de 18,6 jarige cyclus steeds naar eenzelfde evenwichtstoestand terugkeert. Voorts wijst de minister erop dat de dynamiek van het systeem overheersend is ten opzichte van de bodemdaling door gaswinning. Het risico voor het omklappen van het systeem in de zin van een Waddenzee zonder intergetijdegebied is niet wetenschappelijk aangetoond, aldus de minister. De ongunstige staat van instandhouding vindt verder niet zijn oorzaak in de gaswinning, maar in de gevolgen van met name de schelpdiervisserij. Voor een mogelijke toekomstige herstelopgave zijn volgens de minister andere ingrepen nodig, onafhankelijk van de gaswinning. Wat betreft de bestaande winningen, en dan met name de winning bij Ameland, merkt hij op dat het volume van de bodemdalingskom redelijk in lijn is gebleven met de oorspronkelijke prognoses. Hij wijst er verder op dat het meetsysteem dat in 2006 is geïnstalleerd veel uitgebreider is dan vroeger mogelijk was bij het maken van de prognoses. Ook is het Amelandveld geologisch, reservoirtechnisch en geomechanisch aanzienlijk complexer dan de nieuwe gasvelden. De voorspelbaarheid is volgens hem derhalve groter voor de nieuwe velden. De bodemdalingsprognoses zijn gemaakt met de beste wetenschappelijke modellen. De aan het werken met prognoses verbonden onzekerheden zijn volgens de minister voldoende ondervangen. De modellen worden gekalibreerd met gegevens uit laboratoriummetingen aan gesteentemonsters en met de kennis van geologisch vergelijkbare velden uit de nabijheid. Hiermee kan het compactiegedrag worden gemodelleerd voorafgaand aan de winning, aldus de minister. In aanvulling hierop geeft de Minister van LNV aan dat de gaswinning niet zal leiden tot strijdigheid met de (concept)instandhoudingsdoelstellingen voor de Waddenzee. Uit onderzoek is gebleken dat geen sprake is van frustratie van de herstelopgaven en evenmin van een verslechtering van de bestaande situatie, aldus de minister. De vergunningsvoorschriften bieden de mogelijkheid de vergunningen aan te passen indien de noodzaak daartoe toch uit de vast te stellen instandhoudingsdoelstellingen en beheerplannen zou volgen. Negatieve gevolgen van de gaswinning op Ameland zijn niet waargenomen, aldus de minister. Effecten op de biotiek worden niet verwacht. Daarbij wijst hij op het herstel van de mosselbanken, die in het bodemdalingsgebied van Ameland evenzeer zijn teruggekeerd als elders in de Waddenzee. De Waddenzee blijkt volgens de minister in staat een aanzienlijk grotere bodemdaling op te vullen dan waarvan bij de onderhavige winningen sprake zal zijn. Beide ministers stellen verder dat de bodemdaling door de bestaande winningen, alsmede de autonome bodemdaling en de zeespiegelrijzing, zijn meegenomen bij het bepalen van de gebruiksruimte. Wat betreft de zoutwinning is volgens hen geen sprake van wederzijdse beïnvloeding, aangezien de bodemdaling door zoutwinning plaatsvindt in een ander kombergingsgebied. Het principe "hand aan de kraan" voorkomt volgens de Minister van EZ dat de natuurlijke kenmerken van de beschermde gebieden kunnen worden aangetast. Hij wijst erop dat voor het begin van de gaswinning de waarde van de gebruiksruimte per kombergingsgebied is bepaald. Voorts moet de NAM aan de hand van het productieschema vooraf aantonen dat de veilige grenzen van de gebruiksruimte niet worden overschreden. Het principe "hand aan de kraan" geeft vervolgens de mogelijkheid in te grijpen, mochten deze grenzen toch (dreigen te) worden overschreden. In het instemmingsbesluit met het winningsplan is voorzien in een jaarlijkse rapportage van de gemeten gegevens, aldus de minister. Daarbij wijst hij er op, dat met het meetplan op voldoende nauwkeurige en betrouwbare wijze de bodemdaling van het gebied waarin de gasvoorkomens zich bevinden, wordt vastgesteld en dat een optimale balans is bereikt tussen de meetfrequentie en het aantal meetlocaties op basis van nauwkeurigheidsanalyses, waarbij de NAM de meetperiode in natuurgevoelige gebieden tot het functioneel noodzakelijke heeft kunnen beperken. De Minister van EZ is verder van mening dat op basis van de beste wetenschappelijke kennis kan worden geconcludeerd dat potentiële bodemtrillingen als gevolg van de gaswinning redelijkerwijs niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied en ook niet anderszins tot schadelijke effecten zullen leiden. De Minister van LNV wijst er daarenboven op dat aardtrillingen, die niet meer zullen bedragen dan magnitude 3,9 op de schaal van Richter, geen extra bodemdaling zullen veroorzaken aan het oppervlak, omdat ze worden veroorzaakt door een lokale verschuiving van een paar centimeter van aardlagen langs een bestaand breukvlak in de diepe ondergrond. De Minister van EZ stelt zich op het standpunt dat ervan mag worden uitgegaan dat de gaswinning geen of weinig negatieve invloed op de afwateringscapaciteit van de sluizen zal hebben. Indien mocht blijken dat negatieve gevolgen optreden, zal de waterbeheerder op kosten van de NAM de waterhuishoudkundige maatregelen treffen die nodig zijn om die gevolgen te ondervangen. De Ministers van EZ en LNV verwachten een positief gevolg van de verzilting op de ontwikkeling van de natuurwaarden in het Lauwersmeergebied. Wat betreft de gevolgen voor landbouw en waterbeheer is de NAM volgens de Minister van EZ gehouden onderzoek te doen naar de bijdrage van de gaswinning aan de verzilting en, indien nodig, maatregelen te treffen om die effecten te voorkomen of te beperken. Verder zal in het monitoringsplan ook het grond- en oppervlaktewater binnendijks worden meegenomen, aldus de Minister van EZ. Wettelijk kader 2.
- Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Mijnbouwwet geschiedt het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen overeenkomstig een winningsplan. Ingevolge het derde lid behoeft het winningsplan de instemming van de Minister van EZ. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Mijnbouwwet bevat het winningsplan voor elk voorkomen binnen het vergunningsgebied ten minste een beschrijving van: a. de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstoffen en de ligging ervan; b. het aanvangstijdstip en de duur van de winning; c. de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten; d. de hoeveelheden jaarlijks te winnen delfstoffen; e. de kosten op jaarbasis van het winnen van de delfstoffen; f. de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn, tenzij de minister anders heeft bepaald. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Mijnbouwwet kan de minister zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts weigeren: a. in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen; b. in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij de minister anders heeft bepaald. Ingevolge het tweede lid kan de minister zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Mijnbouwwet worden met het oog op de kans op beweging van de aardbodem metingen verricht voor de aanvang van het winnen van delfstoffen, tijdens het winnen en tot dertig jaar na het beëindigen van het winnen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze metingen en de rapportage over de uitkomsten daarvan. 2.14.
- Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit verricht de uitvoerder metingen naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen of aardwarmte als bedoeld in artikel 41 van de Mijnbouwwet. De metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan. Ingevolge het tweede lid dient de uitvoerder het meetplan in bij de Minister van EZ voor ieder voorkomen waaruit wordt gewonnen. Ingevolge het derde lid behoeft het meetplan de instemming van de minister alvorens met de winning wordt aangevangen. Ingevolge het vijfde lid kan de minister de instemming onder beperkingen geven en aan zijn instemming voorschriften verbinden. Ingevolge het zesde lid beslaat het meetplan de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan afschrift aan de minister. Volgens de met ingang van 11 juli 2007 geldende tekst gebeurt dat voor 1 november. Ingevolge het zevende lid bevat het meetplan ten minste een beschrijving van: a. de tijdstippen waarop de metingen worden verricht; b. de plaatsen waar gemeten wordt, en c. de meetmethoden. 2.14.
- Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat ingevolge het vierde lid alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. 2.14.
- Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de Minister van LNV gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ingevolge het tweede lid bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval: a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn. 2.14.
- Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van de Minister van LNV houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw
- 2.14.
- Ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voor zover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid. Indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied ingevolge artikel 15a, derde lid, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit. 2.14.
- Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het derde lid, van de Minister van LNV, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ingevolge het derde lid projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door de Minister van LNV. 2.14.
- Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied. 2.14.
- Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw, voor zover hier van belang, maakt de initiatiefnemer voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. 2.14.
- Een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 kan ingevolge artikel 19g, eerste lid, van deze wet slechts worden verleend indien gedeputeerde staten uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet zullen worden aangetast. Ten aanzien van aangewezen gebieden, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, en gebieden waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten ingevolge het derde lid bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren of verrichten van het desbetreffende project of de desbetreffende handeling, slechts verlenen: a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang. 2.14.
- Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren of verrichten van projecten of handelingen waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten of handelingen de natuurlijke kenmerken van het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten ingevolge artikel 19h, eerste lid, van de Nbw 1998 aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen. 2.14.
- In de gevallen waarin de Minister van LNV bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, zijn ingevolge artikel 19i de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing. 2.14.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 behoeft een besluit tot het vaststellen van een plan dat gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, de goedkeuring van de Minister van LNV. Voor zover dat plan door één van de andere Ministers wordt voorbereid, geschiedt de vaststelling van dat plan in overeenstemming met de Minister van LNV. Ingevolge het derde lid zijn bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de beperkingen in het wettelijke voorschrift waarop dat besluit berust, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing. 2.14.
- Ingevolge artikel 2 van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 worden […] als projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998 onder meer aangewezen: k. activiteiten met betrekking tot opsporing, winning en opslag van diepe delfstoffen. Voorschriften 2.
- In artikel 2 van het instemmingsbesluit met het winningsplan is bepaald dat de instemming met het winningsplan zonder aanpassing tot het jaar 2028 kan worden gegeven. In artikel 4 is bepaald dat de NAM ruim voor de aanvang van de gaswinning de nulsituatie vastlegt betreffende de bodemhoogte in het gebied waarop de bodemdaling betrekking heeft, inclusief nauwkeurigheidsanalyse. Ingevolge artikel 5 zal de winning worden uitgevoerd overeenkomstig het uitgewerkte meet- en regelprotocol. Ingevolge artikel 6 rapporteert de NAM jaarlijks aan de Minister van EZ over de uitkomst van de uitgevoerde metingen conform het meetplan. Deze rapportage wordt tegelijkertijd gezonden aan de Minister van LNV of diens rechtsopvolger. Ingevolge artikel 11 draagt de NAM ervoor zorg dat ter voorkoming van schade aan landbouw en gewassen, de mogelijke bijdrage aan verzilting door bodemdaling, veroorzaakt door de winning uit de in het winningsplan genoemde voorkomens, nader wordt onderzocht en dat, indien nodig, maatregelen worden genomen om die effecten van de bodemdaling te voorkomen of beperken. Ingevolge artikel 13 wordt uitgegaan van een bepaalde gebruiksruimte, waarbij rekening is gehouden met een bepaalde verwachtingswaarde voor de zeespiegelstijging. Voor 2011 stelt de Minister van EZ op basis van een evaluatie de veilige gebruiksruimte voor een periode van vijf jaar opnieuw vast, gebruikmakend van de nieuwe verwachtingswaarden voor de zeespiegelstijging. Deze evaluatie en de eventuele bijstelling van de gebruiksruimte zullen vervolgens gedurende de gaswinning in een cyclus van vijf jaar worden uitgevoerd. De uitkomsten kunnen leiden tot bijstelling van het winningsplan. 2.15.
- Ingevolge voorschrift 2.1 van de Nbw 1998-vergunningen voor de drie locaties is het monitoringsplan onder voorwaarden goedgekeurd. Ingevolge voorschrift 2.2 stelt de NAM voorafgaand aan de gaswinning ter uitvoering van het monitoringsplan een monitoringsprogramma op, geldig voor de duur van steeds zes jaar. Dit programma behoeft voorafgaand schriftelijke instemming van de Minister van LNV. Ingevolge voorschrift 2.3 bevat het monitoringsprogramma een gedetailleerd programma, met daarin de relevante te monitoren biotische en abiotische factoren, zodanig in dekking en frequentie van rapporteren, dat daarmee vastgesteld kan worden of er dreiging is van aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden van de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Lauwersmeer, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Noordzeekustzone door de onderhavige gaswinning alleen of door cumulatie van gaswinning met andere invloeden. Ingevolge voorschrift 2.4 wordt door de NAM voorafgaand aan de gaswinning in het gebied waarop de bodemdaling betrekking heeft, de nulsituatie vastgelegd met betrekking tot de in voorschrift 3.2 bedoelde aspecten, waaronder een Waddenzee-brede bepaling van de oppervlakte wadplaat op basis van beschikbare lodinggegevens en recente luchtcartografie. Voorts voorziet voorschrift 2 in de instelling van een begeleidingscommissie, een jaarlijkse rapportage, openbaarmaking van de rapportage, toezending ervan aan de Commissie voor de milieu-effectrapportage als onafhankelijk auditor en in het zo nodig bijstellen van het monitoringsplan en/of monitoringsprogramma. 2.15.
- Ingevolge voorschrift 3.1 van de Nbw 1998-vergunningen voor de drie locaties dient de winning van het gas te worden uitgevoerd volgens het door de Minister van EZ goedgekeurde winningsplan. Het daarin aangegeven winningstempo en de begrensde dalingssnelheden zijn zodanig dat de door de winning optredende bodemdaling kan worden opgevangen door het natuurlijke sedimentatieproces en de zandsuppletie. Ingevolge voorschrift 3.2 mogen er in de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Lauwersmeer, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Noordzeekustzone, gelet op de relevante instandhoudingsdoelstellingen en de trendmatige ontwikkelingen in dat gebied, als gevolg van onderhavige gaswinning onder de Waddenzee geen meetbare nadelige effecten ontstaan ten aanzien van de flora, fauna en geomorfologische waarden, ten aanzien van de navolgende aspecten: - de voedselvoorziening en het broedsucces van de met betrekking tot de Natura 2000-gebieden relevante vogelsoorten; - geomorfologische processen in de Waddenzee, Lauwersmeer en Noordzeekustzone; - de oppervlakte aan kwelders in de kuststroken; - de kwaliteit van de vegetatie en de hoedanigheid van de kwelders in de kuststroken; - de oppervlakte aan platen in het waddengebied en de hoogte daarvan; - de habitats van habitatsoorten. Ingevolge voorschrift 3.3 wordt de constatering dat één of meer meetbare nadelige effecten voor de flora, fauna of geomorfologische waarden als gevolg van de gaswinning zijn of dreigen te ontstaan, door de Minister van LNV, na overleg met de Minister van EZ, gedaan na een advies van de Auditcommissie gaswinning onder de Waddenzee, waarvan alleen gemotiveerd kan worden afgeweken. Het advies is openbaar nadat de bewindslieden hun reactie op het advies hebben gegeven. Tenzij er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn of dreigen op te treden voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Lauwersmeer, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Noordzeekustzone als gevolg van bodemdaling door de onderhavige winning van gas volgens voorschrift 3.1, dient ingevolge voorschrift 3.4, gelet op het voorzorgsbeginsel, de winning, afhankelijk van de aard en ernst van deze schadelijke gevolgen, te worden getemporiseerd dan wel gestopt opdat de schadelijke gevolgen worden voorkomen dan wel weggenomen. Deze temporisering dan wel stopzetting vindt, afhankelijk van de opgetreden effecten en na overleg met de NAM, plaats op de desbetreffende locatie dan wel (tevens) op een andere locatie welke mede de schadelijke gevolgen heeft veroorzaakt of waar deze gevolgen dreigden, op de door de Minister van LNV aangegeven wijze, na overleg met de Minister van EZ. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming baseert de Afdeling zich op het volgende. 2.16.
- Het beleid van de rijksoverheid is erop gericht zo goed en zo lang mogelijk te profiteren van de Nederlandse aardgasvoorraad. Hiertoe is het zogenoemde "kleine velden-beleid" ontwikkeld. Dit beleid houdt, kort gezegd, in dat mijnbouwondernemingen die kleine velden exploreren en exploiteren, de zekerheid hebben dat zij hun gas tegen redelijke prijzen en voorwaarden kunnen verkopen aan Gasunie. Dit is mogelijk vanwege de balanswerking van het grote Groningenveld, dat in de zomer minder produceert ten faveure van de kleine velden die altijd gelijkmatig moeten stromen. Met het leeglopen van het Groningenveld wordt de balansfunctie steeds zwakker. Als de productie van de kleine velden naar de toekomst zou worden verschoven, is de balansfunctie van het Groningenveld tegen de tijd dat de kleine velden ontgonnen worden, waarschijnlijk niet of nauwelijks meer aanwezig. Vanwege de balansfunctie moeten op korte termijn voldoende nieuwe kleine velden in productie komen. Als het lukt om kleine velden tijdig in te zetten, kan, aldus het rijksbeleid, het Groningenveld nog vele jaren zijn functie als balansveld behouden. Behoudens het belang als energiebron, is aardgas volgens het beleid ook van grote betekenis voor de Nederlandse economie, gelet op de daaraan gerelateerde werkgelegenheid en de te ontvangen aardgasbaten. 2.16.
- In de "Integrale Bodemdalingsstudie Waddenzee" van december 1998 is het cumulatieve effect van bodemdaling door toen in uitvoering zijnde winningen en mogelijke toekomstige winningen in het gehele oostelijke waddengebied beschreven. Voorts worden in deze studie conclusies ten aanzien van effecten op onderdelen van het ecosysteem getrokken en worden mitigerende maatregelen geïdentificeerd. De conclusies zijn gebaseerd op het maximale scenario van bestaande en nieuwe velden. Belangrijke conclusie was dat de omvang van de bodemdaling, bij de toenmalige zeespiegelstijging, wordt gecompenseerd door sedimentatie van zand uit de Noordzeekustzone en slib. 2.16.
- In de zogenoemde gasbrief van 7 december 1999 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 1999-2000, 26431, nr. 11) heeft het kabinet uitgesproken dat met de in 2.16.
- genoemde studie niet alle onzekerheden en twijfel over mogelijke blijvende aantasting van de Waddenzee in voldoende mate zijn weggenomen. Hierin heeft het toenmalige kabinet aanleiding gezien voorlopig geen toestemming voor de gaswinning te geven. Het kabinet wilde de komende jaren benutten om voortschrijdend inzicht te krijgen in de vraag of de resterende onzekerheden over de mogelijkheid tot het vervullen van sluitende voorwaarden konden worden weggenomen. 2.16.
- Na 1999 zijn onder meer de volgende rapporten en adviezen uitgebracht: - het rapport "Ruimte voor de Wadden" van de Adviesgroep Waddenzeebeleid (de Commissie Meijer) van 1 april 2004; - het rapport "Bodemdalingsstudie Waddenzee 2004, Vragen en onzekerheden opnieuw beschouwd" van het RIKZ van 14 juni 2004; - het rapport "Monitoring effecten bodemdaling Ameland-Oost" uit 2005; - het rapport "Abiotische effecten van bodemdaling in de Waddenzee door gaswinning" van Delft Hydraulics van juli 2005; - het rapport "Natuurwaarden in het Lauwersmeergebied en mogelijke effecten van bodemdaling door gaswinning" van Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. van 6 oktober 2005; - het rapport "Natuurwaarden in de Kombergingsgebieden Pinkegat en Zoutkamperlaag en mogelijke effecten van bodemdaling door gaswinning" van Alterra uit 2005; - het rapport "Natuur en Habitattoets, toetsing van aanleg van drie gastransportleidingen rond het Lauwersmeergebied aan natuurbeschermende wetgeving" van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van 28 december 2005; - het rapport "Effectenstudie aardgaswinningen Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen" van Grontmij van 5 januari 2006; - het MER "Aardgaswinning Waddenzeegebied vanaf locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen" van 5 januari 2006; - het rapport "Gaswinning binnen Randvoorwaarden, Passende Beoordeling van het rijksprojectbesluit gaswinning onder de Waddenzee vanaf de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen" van 20 januari
- Volgens het verweerschrift van de Minister van EZ zijn daarenboven in het kader van de vergunningen ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998 voor de drie winningslocaties en de vaststelling van de pkb Derde Nota Waddenzee passende beoordelingen voor de gaswinning verricht; - het toetsingsadvies van de Commissie voor de milieu-effectrapportage van 6 april 2006; - het rapport "Behoefte aan zandsuppletie ter compensatie van bodemdaling door gaswinning uit Waddenzeevelden" van Delft Hydraulics van juni
- 2.16.
- In het rapport van 14 juni 2004 van het RIKZ zijn de in 1999 resterende onzekerheden, die toen aanleiding waren geen toestemming voor de gaswinning te verlenen, en enkele nieuw opgekomen vragen onderzocht. Volgens de eindconclusie hebben de nieuwe gegevens en inzichten sinds de Integrale bodemdalingsstudie Waddenzee uit 1998 de onzekerheden uit 1999 en daarna verkleind. De resterende onzekerheid is dermate klein dat de onderzoekers geen significante effecten verwachten van de bodemdaling op de morfologie en ecologie, uitgaande van de randvoorwaarden zoals deze in de Integrale bodemdalingsstudie Waddenzee en het advies van de Adviesgroep Waddenzeebeleid beschreven staan. Wanneer het gecombineerde effect van bodemdaling en zeespiegelstijging een vooraf bepaalde grenswaarde zou overschrijden, kan tijdig worden ingegrepen, waarbij - nog steeds aldus de eindconclusie - naijleffecten gering zullen zijn. Voorwaarde daarvoor is een monitoringsprogramma waarin onder meer de snelheid van bodemdaling en zeespiegelstijging nauwkeurig worden gevolgd. Om effecten op de Noordzeekustlijn van de waddeneilanden te voorkomen, is extra suppletie van zand noodzakelijk. Het gaat daarbij om hoeveelheden die wat betreft omvang eenvoudig ingepast kunnen worden in het bestaande suppletieregime. 2.16.
- In de brief van 28 juni 2004 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2003-2004, 29684, nr. 1) heeft het kabinet onder meer meegedeeld dat winning, opslag en opsporing van aardgas om dwingende redenen van groot openbaar belang geschieden en als zodanig zullen worden meegewogen bij de individuele beoordelingen in het kader van de ruimtelijke bescherming van de Vogelrichtlijn- en de Habitatrichtlijngebieden en de Ecologische Hoofdstructuur. Het kabinet is van mening dat opsporing, opslag en winning van aardgas van groot belang zijn voor de Nederlandse voorzieningszekerheid en voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Tevens levert gaswinning een aanzienlijke bijdrage aan de Nederlandse economie en de welvaart. Inzet van het kabinet is daarom om binnen de randvoorwaarden van wet en regelgeving en van een duurzame ontwikkeling zoveel mogelijk gas uit de Nederlandse bodem te halen, zodat het potentieel optimaal wordt benut. Het is volgens het kabinet daarom essentieel dat in Nederland een goed investeringsklimaat voor de olie- en gasindustrie blijft bestaan of verder wordt ontwikkeld. Voortzetting van het succesvolle kleine velden-beleid is in aanvulling op het Groningenveld hierbij van groot belang. Een relatief groot "klein veld" bevindt zich onder de Waddenzee. Op dit moment wordt er reeds gas gewonnen uit een aantal velden die zich geheel of gedeeltelijk onder de Waddenzee uitstrekken, aldus het kabinet in voornoemde brief. 2.16.
- In het MER is geconcludeerd dat er geen leemten in kennis zijn die aan besluitvorming in de weg staan. Het fundament voor de gaswinning wordt volgens het MER gevormd door een conservatieve, veilige natuurgrens. Bij onzekerheden rond de bodemdalingsprognose is de worst case-situatie gehanteerd. Voor de zeespiegelstijging is het door Rijkswaterstaat opgestelde en door de Interdepartementale Waddenzeecommissie geaccordeerde scenario van 85 centimeter in de 21e eeuw en niet het scenario van 60 centimeter van het International Panel on Climate Control als uitgangspunt genomen. Bij de effectvoorspellingen is, aldus het MER, gebruik gemaakt van de beste wetenschappelijke kennis, aangevuld met specifiek voor dit project verricht onderzoek door onderzoeksinstituten. Meting en monitoring van de feitelijke effecten, met een hierop aansluitende mogelijkheid om tussentijds in te grijpen, zijn verankerd in de voorgenomen activiteit, aldus het MER. 2.16.
- Ook volgens de andere onderzoeken is er op basis van de beste wetenschappelijke kennis redelijkerwijs geen twijfel dat de natuurlijke kenmerken van de gebieden Waddenzee, Lauwersmeer, Noordzeekustzone, Duinen Ameland en Duinen Schiermonnikoog niet zullen worden aangetast door de uitvoering van de besluiten, mits daartoe strikte randvoorwaarden worden gehanteerd. Daarbij wordt met name het volgende van belang geacht: - de NAM moet in het winningsplan een zodanig productieprofiel kiezen dat de prognoses van het dalingstempo binnen veilige grenzen blijven (de gebruiksruimte); - er moet een adequaat meetsysteem komen voor de dalingssnelheden, dit in combinatie met een meet- en regelcyclus die ten doel heeft te bewaken of het dalingstempo binnen de gebruiksruimte blijft; - vóór 2011 en vervolgens iedere zes jaar moet een evaluatiemoment ingebouwd worden ten aanzien van het zeespiegelstijgingsscenario en de gebruiksruimte in de daarop volgende zes jaar; - de NAM dient aan te tonen dat door vermindering van de winning de bodemdaling tijdig en zodanig beperkt kan worden dat de gebruiksruimte ook in het geval van een nog extremer dan momenteel voorziene zeespiegelstijging niet zal worden overschreden; - om de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de Vogelrichtlijn- en de Habitatrichtlijngebieden te volgen, dient de NAM daarnaast een breed opgezette monitoring uit te voeren; - de bevoegde instanties kunnen de NAM altijd een bindende aanwijzing geven om de productie aan te passen of te stoppen. 2.16.
- Het principe "hand aan de kraan" houdt in dat vooraf wordt bepaald wat de gebruiksruimte is waarbinnen het gas kan worden gewonnen zonder dat schade aan het natuurlijke systeem van de Waddenzee wordt toegebracht. Dit is het meegroeivermogen, uitgedrukt in mm/jaar gemiddeld over het gehele gebied. Hierbij worden betrokken de relatieve zeespiegelstijging, de autonome bodemdaling en de bestaande gaswinningen. Vervolgens wordt het winningsplan getoetst aan het antwoord op de vraag of de voorspelde bodemdaling ten gevolge van de winning naar verwachting binnen de gestelde gebruiksruimte zal blijven. 2.16.
- In de bodemdalingsstudies en de onderliggende studies van het MER is historisch en modelmatig berekend wat voor het onderhavige gebied het dynamische evenwicht behelst en wat de bovengrens is aan de gemiddelde sedimentatiesnelheid in een kombergingsgebied, dat wil zeggen hoeveel bodemdaling en/of zeespiegelstijging een gebied aan kan, wil het niet "verdrinken". De sedimentatiesnelheid is afhankelijk van de grootte van het kombergingsgebied en is bepaald over een periode van 19 jaar. In het MER is weergegeven dat de sedimentatiesnelheid, bepaald door de modellen van de Universiteit van Utrecht in combinatie met het RIKZ, in het (kleine) kombergingsgebied Pinkegat 6 mm per jaar bedraagt en in het (intermediaire of middelgrote) kombergingsgebied Zoutkamperlaag 5 mm per jaar. De modellen van het Waterloopkundig Laboratorium (Delft Hydraulics) komen neer op een sedimentatiesnelheid van 6 mm per jaar voor alle kombergingsgebieden en 10 mm per jaar voor niet grote (kleine en middelgrote) kombergingsgebieden. Voor het vaststellen van de natuurgrens is de sedimentatiesnelheid bepaald op 6 mm per jaar voor het Pinkegat en 5 mm per jaar voor de Zoutkamperlaag. De Commissie voor de milieu-effectrapportage heeft in haar toetsingsadvies aangegeven dat deze grenzen op plausibele wijze, op basis van de beste wetenschappelijke en meest recente inzichten tot stand zijn gekomen. 2.16.
- In het winningsplan is aangegeven dat met het winningsscenario en autonome daling tezamen met de relatieve zeespiegelstijging de natuurgrenzen niet worden overschreden tot ongeveer het jaar 2038 voor het kombergingsgebied Pinkegat en het jaar 2027 voor het kombergingsgebied Zoutkamperlaag. 2.16.
- Volgens het deskundigenbericht kan naijlen van de bodemdaling veroorzaakt worden door langzame depletie (op reservoirschaal of op meer lokale schaal in laag-permeabele zones binnen het reservoir) en door kruip of elastisch-plastische overgangen in het reservoirgesteente. De bodemdalingssnelheid (in lineaire snelheid (mm per jaar) of in volume snelheid (m3 per jaar)) zal niet direct nul worden. De snelheid zal echter niet toenemen, omdat alle processen die na het dichtdraaien van de gaskraan een rol spelen daarvoor ook al actief waren. Na het staken van de gasproductie zal het drukverschil tussen het gasvoerende volume en de aangrenzende evenwicht aquifers (watervoerende lagen) zich gaan stabiliseren. Hierdoor zal het totale compactievolume (en dus ook het totale volume van de dalingsschotel) langzaam toenemen. De gesteentelagen boven het reservoir zullen nog navenant meezakken. 2.16.
- Volgens het deskundigenbericht is het naijleffect voor Nederlandse gasvelden nog niet gericht gemeten. Er is dus nog geen wetenschappelijk bewijs op basis van meetgegevens hoe lang bodemdaling naijlt. Wel is door Hettema en anderen in 2002 op basis van lineaire extrapolatie een inschatting gemaakt van de vertraging van bodemdaling na de start van de gaswinning. Gesteld wordt dat het gerechtvaardigd lijkt om aan te nemen dat het naijleffect voor de zes velden gedurende een periode van 1,5 tot 3 jaar een langzaam tot nul afnemende bodemdalingsnelheid zal laten zien. 2.16.
- In de aanbiedingsbrief bij zijn analyse "Subsidence and gas production: an empirical relation" stelt ir. Houtenbos dat met het principe "hand aan de kraan" onaanvaardbare risico's worden gelopen, omdat de geomechanische kennis nog onvoldoende is om de mate van bodemdaling in te schatten. Bij bestaande winningen is gebleken dat een beperking van de productiesnelheid niet leidde tot een evenredige beperking van de bodemdaling. Bij de bestaande winningen bij Ameland en Franeker was de kennis van de ondergrond onvoldoende om te voorkomen dat de bodemdalingsprognoses zijn overschreden met 100%. Bij brief van 26 maart 2007 heeft de Inspecteur-generaal der Mijnen van het Staatstoezicht op de Mijnen naar aanleiding van de analyse van ir. Houtenbos een reactie ingezonden. Hij komt daarin tot de conclusie dat met het principe "hand aan de kraan" geen onaanvaardbare risico's worden gelopen. Daarbij zet hij uiteen dat met toepassing van het meet- en regelprotocol betrouwbare bodemdalingsprognoses worden verkregen en dat bijsturing van de productie mogelijk is. Op deze brief heeft ir. Houtenbos bij brief van 3 april 2007 gereageerd. Hij is van mening dat alleen als het gedragsmodel juist is, de risico's van onzekerheden in de modelparameters voldoende zijn afgedekt en dat in dit geval het gedragsmodel en daarmee de prognoses onvoldoende betrouwbaar zijn. Bij brief van 25 april 2006 (lees: 2007) heeft de Minister van EZ de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd over zijn visie en de visie van de Minister van VROM op het rapport van ir. Houtenbos. Zij concluderen dat de op grond van de ervaringen uit het verleden aangepaste modellen de gevolgen van de gasproductie op de bodemdaling beter beschrijven dan voorheen. Daarbij wijzen zij ook op het belang van het principe "hand aan de kraan" en het hanteren van conservatieve scenario's. Doordat de nieuwe velden klein zijn, zullen de vertragingseffecten naar hun opvatting naar verhouding klein zijn. De ministers zien geen reden om te veronderstellen dat onaanvaardbare risico's worden gelopen. 2.16.
- In de passende beoordeling bij het rijksprojectbesluit is gesteld dat de bodemdaling voor het Pinkegat vooral wordt veroorzaakt door het Amelandveld dat sinds 1986 in productie is. Het grootste deel van de effecten van de aldaar optredende bodemdaling zou inmiddels zichtbaar moeten zijn. Op basis van de uitgevoerde monitoring bestaat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel dat geen veranderingen met schadelijke gevolgen zijn opgetreden die konden worden toegeschreven aan de door de gaswinning veroorzaakte bodemdaling (Begeleidingscommissie Monitoring Bodemdaling Ameland, 2000, 2005). De extra effecten van gaswinning uit de nieuwe velden zijn volgens de passende beoordeling in verhouding tot de winning in het Amelanderveld te verwaarlozen zolang aan de geformuleerde randvoorwaarden wordt voldaan. Uit de passende beoordeling volgt voorts dat de totale, tijdelijke afname aan plaatareaal als gevolg van de gaswinning uit alle nieuwe velden samen wordt geschat op minder dan 0,5% binnen de beschouwde kombergingsgebieden. De grenzen van de natuurlijke variatie in dit gebied worden hierdoor niet overschreden en evenmin worden het geomorfologische evenwicht en de natuurlijke kenmerken hierdoor aangetast, aldus de passende beoordeling. 2.16.
- Het plaatoppervlak van het Pinkegat is ongeveer 44 km
- Uit het MER volgt dat modelmatig is berekend dat zonder de 18,6 jarige cyclus door de Amelandwinning de bodemdaling in het Pinkegat een maximaal verlies van plaatareaal van 0,53 km2 heeft veroorzaakt in
- Als de nieuwe gasvelden in productie worden genomen (vanaf 2007), zal het maximale verlies oplopen tot 0,57 km2, dat dan rond 2010 wordt bereikt. De maximale afname van plaatareaal door alleen de nieuwe velden is ongeveer 0,095 km2 en wordt rond 2020 bereikt. Het plaatoppervlak van de Zoutkamperlaag is ongeveer 72 km
- Door de Amelandwinning zal de bodemdaling rond 2020 een maximaal verlies van plaatareaal van ongeveer 0,02 km2 veroorzaken. Als de nieuwe gasvelden in productie worden genomen (vanaf 2007), zal het maximale verlies oplopen tot 0,23 km
- Dit maximum wordt rond 2025 bereikt. De maximale afname van plaatareaal door alleen de nieuwe velden is ongeveer 0,21 km2 (0,3% van het plaatareaal) en wordt ook rond 2025 bereikt. 2.16.
- In het deskundigenbericht is een beschrijving gegeven van de getijdencyclus van 18,6 jaar. Deze cyclus heeft grote invloed op het areaal van de wadplaten. Als gevolg van wereldwijde getijdenbewegingen in wateroppervlakken is de hoogte van het water niet constant. Behalve de dagelijkse eb- en vloedcyclus zijn ook andere cycli relevant die worden veroorzaakt door de afzonderlijke rotaties van aarde en maan om elkaar en als stelsel om de zon. Een in de astronomie bekende cyclus is de 18,6 jarige cyclus. In deze tijd varieert de hoek die de maan maakt met het equatorvlak van de aarde tussen de 18,5 en 28,5 graden. Deze astronomische cyclus is voorspelbaar en daarmee berekenbaar in die zin dat deze zich gedurende een lange periode vooruit laat voorspellen. In een getijdengebied als de Waddenzee bepaalt de hoogte van het water direct het plaatvolume (plaatareaal en plaathoogte). Door de voorspelbaarheid is sprake van een, vanuit de natuurwetenschap onderbouwde, natuurlijke variatie. Het is zuiver om bij de natuurlijke variatie rekening te houden met deze 18,6 jarige cyclus, aldus het deskundigenbericht. 2.16.
- Om te kunnen bepalen of de bodemdaling in lijn met de prognose verloopt, worden hoogteverschilmetingen uitgevoerd volgens het meetplan. Op het vaste land is sprake van waterpassingen met zelfregistrerende optische waterpasinstrumenten. Op het wad wordt gebruik gemaakt van GPS-techniek. Op het wad zijn in het verleden (mede door Rijkswaterstaat) reeds peilmerken aangebracht. Bij de metingen op het wad wordt gebruikgemaakt van diepgefundeerde palen (6 meter diep), waarbij er steeds drie in elkaars omgeving zijn gesitueerd. Met de metingen kan een uitspraak gedaan worden over de bodemdaling (zowel verticaal als horizontaal). De meting wordt, vanwege de diepe fundatie van het peilmerk, niet verstoord door sedimentatie of erosie. Ter plaatse van de peilmerken wordt overigens ook, in het kader van de monitoring, door middel van de zogenoemde spijkermethode, de sedimentatie gemeten. Op het moment dat de waarden afwijken van de prognoses kunnen vlakdekkende metingen op het land worden uitgevoerd. Dit zijn metingen waarbij intensiever ("vlakdekkend") de bodemdaling wordt gemeten. Het meetplan voorziet ook in vlakdekkende metingen na drie jaar na aanvang van de winning. Als bewakingssysteem vinden continue bodemdalingsmetingen plaats met behulp van GPS nabij de locaties Ameland en Moddergat. Deze continue metingen hebben een signaalfunctie. Indien lokale dalingssnelheden de geprognosticeerde waarden overschrijden, zullen zo spoedig mogelijk aanvullende vlakdekkende metingen, met name op het land, worden uitgevoerd. In het eerste jaar wordt maandelijks gerapporteerd over de bodemdaling op basis van de continue metingen bij Moddergat. Dit gebeurt om de responstijd van het desbetreffende reservoir vast te stellen. Deze gegevens zijn nodig om voor het reservoir ook de naijling beter te kunnen berekenen. Behalve de continue bodemdalingsmetingen nabij de locaties Ameland en Moddergat vinden bij alle reservoirs metingen plaats van druk en productievolume. Deze meetgegevens leveren informatie over de heersende reservoirdruk. Met behulp van deze gegevens kunnen de prognoses over bodemdaling worden bijgesteld. Daarnaast is ook een meetnet van seismometers en versnellingsmeters voorhanden om bodemtrillingen te meten. 2.16.
- De sterkte van aardbevingen wordt uitgedrukt in magnitude en intensiteit. De magnitude geeft de sterkte van de aardbevingsbron aan en wordt uitgedrukt in een getal op de schaal van Richter. De intensiteit geeft de effecten aan van een beving op een bepaalde plaats. Hiervoor wordt de Europese Macroseismische Schaal gehanteerd. De zes velden waar gas wordt gewonnen, zijn begrensd door breuken. De breuken zetten niet door naar boven omdat de reservoirs zijn afgedekt met een laag plastisch steenzout. In het winningsplan zijn de seismische risico's aangegeven. In 2004 is in opdracht van de in Nederland actieve mijnbouwmaatschappijen onder begeleiding van het Technisch Platform Aardbevingen onderzoek uitgevoerd naar de seismische risico's. De studieresultaten zijn vastgelegd in diverse rapporten. De studies hebben ook betrekking op de zes nieuwe velden. De kans op bodemtrillingen wordt geschat op 0% voor de velden Nes en Moddergat tot 10% voor de velden Lauwersoog-Centraal, Lauwersoog-Oost, Lauwersoog-West en Vierhuizen-Oost. Door het KNMI is in het studierapport "Seismic hazard due to small swallow induced earthquakes" uit 2004 geconcludeerd dat eventuele door gaswinning geïnduceerde lichte aardbevingen niet zwaarder zullen zijn dan magnitude 3,9 op de schaal van Richter en dat de maximaal te verwachten intensiteit bij het optreden van een beving ongeveer VI tot VII op de Europese Macroseismische Schaal zal zijn. Dat betekent dat in de nabijheid van het gasvoorkomen lichte, niet constructieve schade kan optreden aan veel gebouwen en matige schade aan enkele gebouwen. De eventuele schade wordt verwacht binnen een straal van maximaal zeven kilometer rond het epicentrum van de beving. Het aantal potentiële schadegevallen is, naast de magnitude en intensiteit van de beving, sterk afhankelijk van de dichtheid van de bebouwing en de mate van schade is afhankelijk van de afstand tot het epicentrum en het type bebouwing en de staat van onderhoud. Ook de samenstelling van de ondiepe ondergrond speelt een belangrijke rol. 2.16.
- Een monitoringsplan maakt deel uit van de Nbw 1998-vergunningen voor de drie locaties. De uitgangspunten bij de te onderzoeken aspecten zijn: - monitoring van soorten en habitats die een rol hebben gespeeld bij de aanwijzing/aanmelding van de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Lauwersmeer (instandhoudingsdoelstellingen); - met als doel: vaststellen of door bodemdaling significante veranderingen plaatsvinden in trendmatige ontwikkelingen van soorten en habitats; - het monitoringsplan geeft een totaalbeeld van de te monitoren parameters en wordt uitgewerkt in een monitoringsprogramma; hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het binnendijkse Lauwersmeer en de buitendijkse kombergingsgebieden Pinkegat en Zoutkamperlaag (Waddenzee); - een onderscheid wordt gemaakt tussen abiotische en biotische parameters, met uitzondering van de abiotische parameters die al in het meetplan zijn opgenomen; de abiotische factoren zijn geselecteerd vanwege de relatie met de bodemdaling/veranderingen in hoogteligging; - het verzamelen van basisgegevens die nodig zijn voor de interpretatie en evaluatie van de verzamelde (a)biotische informatie (neerslag, wind, verdamping, hoogteliggingen, waterstanden); - het vaststellen van de nulsituatie (voorafgaand aan de gaswinning). 2.16.
- Op 18 mei 1981 zijn grote delen van de Waddenzee aangewezen als staatsnatuurmonument Waddenzee I. Op 17 november 1993 is het grootste deel van de nog niet eerder aangewezen delen van de Waddenzee aangewezen als staatsnatuurmonument Waddenzee II. Blijkens de beschikking van 17 november 1993 vervangt de toelichting bij die aanwijzingsbeschikking de toelichting van de beschikking van 18 mei
- Uit de aanwijzingsbeschikking van 17 november 1993 en de toelichting blijkt dat het vergunningen- en ontheffingenbeleid op grond van de Natuurbeschermingswet is gekoppeld aan het beleid dat wordt gevoerd in het kader van de pkb Waddenzee. Als beschermde natuurmonumenten zijn voorts op 23 juli 1982 aangewezen de gebieden Kwelders Noordkust Friesland I en Kwelders Noordkust Groningen. Bij besluiten van 7 juli 1994 is het gebied Lauwersmeer aangewezen als staatsnatuurmonument en als beschermd natuurmonument. 2.16.
- De Waddenzee is bij besluit van 8 november 1991 aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Blijkens de toelichting bij dit besluit zijn het bestuur en beheer voor de Waddenzee gericht op handhaving, herstel en verdere ontwikkeling van de natuurwaarden, waaronder de vogelkundige waarden. Het gebied kwalificeert zich vanwege het voorkomen van ruim 50 vogelsoorten. Volgens de toelichting is het beleid voor de Waddenzee vastgelegd in de pkb Waddenzee. In de pkb Waddenzee is (was) als hoofddoelstelling opgenomen de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. Het beleid is gericht op een duurzame bescherming en een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van: - de waterbewegingen en de hiermee gepaard gaande geomorfologische en bodemkundige processen; - de kwaliteit van water, bodem en lucht; - de (bodem)fauna en de (bodem)flora onder meer omvattende: de foerageer-, broed- en rustgebieden van vogels, de werp-, rust- en zooggebieden van zeezoogdieren, de kinderkamerfunctie voor Noordzeevis en de flora en fauna van de buitendijkse gebieden en de daaraan grenzende duinen; - de landschappelijke kwaliteiten, met name de verscheidenheid en het specifieke karakter van het open landschap; - de belevingswaarde van natuur en landschap. Binnen de randvoorwaarden van een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied zijn menselijke activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis mogelijk. 2.16.
- Naast deze aanwijzing is de Waddenzee ook aangemeld als gebied op grond van de Habitatrichtlijn. Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. De reden voor de aanmelding van de Waddenzee als speciale beschermingszone op grond van de Habitatrichtlijn is met name het hier voorkomen van de habitattypen "Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken"
(1110), "Estuaria"
(1130), "Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten"
(1140), "Eénjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. en andere zoutminnende soorten"
(1310), "Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)"
(1320), "Atlantische schorren met kweldergrasvegetatie (Glauco-Puccinellietalia maritimae)"
(1330), "Embryonale wandelende duinen"
(2110), "Wandelende duinen op de strandwal met Helm (Ammophila arenaria; witte duinen)"
(2120)en "Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)"
(2130)alsmede de soorten Zeeprik, Fint, Grijze zeehond en (Gewone) zeehond. 2.16.24. De gebieden Duinen Ameland en Duinen Schiermonnikoog zijn beide - na een eerdere aanwijzing van 24 maart 2000 - bij besluit van 7 april 2005 aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. Ook onder deze namen zijn gebieden op grond van de Habitatrichtlijn aangemeld als speciale beschermingszone. Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 zijn deze gebieden geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied Duinen Ameland is aangemeld als speciale beschermingszone voor de Vogelrichtlijn omdat het behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden voor Bruine kiekendief, Blauwe kiekendief, Velduil en Grauwe klauwier in Nederland. Overige relevante soorten zijn Eidereend (broedend), Porseleinhoen (broedend), Tapuit (broedend) en Rietzanger (broedend). De reden voor aanmelding van het gebied Duinen Ameland als Habitatrichtlijngebied betreft het voorkomen van de habitattypen "Embryonale wandelende duinen"
(2110), "Wandelende duinen op de strandwal met Helm (Ammophila arenaria; witte duinen)"
(2120)en "Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)"
(2130), "Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum"
(2140), "Duinen met Duindoorn (Hippophaë rhamnoides)"
(2160), "Duinen met Kruipwilg (Salix repens ssp. argentea)"
(2170)en "Vochtige duinvalleien"
(2190)alsmede de soort Groenknolorchis. Het gebied Duinen Schiermonnikoog is aangemeld als speciale beschermingszone voor de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van Blauwe kiekendief (broedend). Overige relevante soorten zijn Eidereend (broedend), Bruine kiekendief (broedend), Strandplevier (broedend) en Velduil (broedend). De reden voor aanmelding van het gebied Duinen Schiermonnikoog als speciale beschermingszone voor de Habitatrichtlijn betreft het voorkomen van de habitattypen "Eénjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. en andere zoutminnende soorten"
(1310), "Embryonale wandelende duinen"
(2110), "Wandelende duinen op de strandwal met Helm (Ammophila arenaria; witte duinen)"
(2120)en "Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)"
(2130), "Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum"
(2140), "Duinen met Duindoorn (Hippophaë rhamnoides)"
(2160), "Duinen met Kruipwilg (Salix repens ssp. argentea)"
(2170)en "Vochtige duinvalleien"
(2190)alsmede de soort Groenknolorchis. 2.16.
- Het Lauwersmeer is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. Het Lauwersmeergebied is aangemeld vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Lepelaar, Kleine zwaan, Grauwe gans, Brandgans, Krakeend, Wintertaling, Pijlstaart en Slobeend, die het gebied benutten als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Bovendien behoort het gebied tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden dan wel pleisterplaatsen voor Lepelaar, Kleine zwaan, Bruine kiekendief, Grauwe kiekendief, Kemphaan en Reuzenstern in Nederland. 2.16.
- Op 7 juli 2005 heeft de Minister van LNV de Natura 2000 contourennotitie aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze notitie beschrijft de kaders voor de Natura 2000-doelen, de aanwijzingsbesluiten en de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden. Uitgangspunt voor de nog vast te stellen instandhoudingsdoelstellingen, zoals opgenomen in de Natura 2000 contourennotitie, is onder meer de bestaande kwaliteit en omvang in beginsel handhaven en waar nodig in een gunstige staat van instandhouding brengen. Op 16 juni 2006 heeft de Minister van LNV het Natura 2000 doelendocument aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden. Deze beleidsnotitie geeft een toelichting op de instandhoudingsdoelen voor de 162 Natura 2000-gebieden in Nederland en de daarbij gehanteerde systematiek. Het document geeft verdere uitwerking aan de acht hoofdlijnen voor de formulering van de Natura 2000 doelen zoals opgenomen in de Natura 2000 contourennotitie. 2.16.
- In het invloedsgebied van de gaswinning liggen verscheidene waterbeheersgebieden. Deze gebieden voeren het overtollige water af naar het Lauwersmeer en bij laagwater wordt dit via de Lauwerssluizen geloosd in de Waddenzee. 2.16.
- In het onderzoek van de Grontmij dat heeft geresulteerd in het rapport "Effectenstudie aardgaswinningen Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen" van 5 januari 2006, zijn de effecten van bodemdaling op de waterhuishouding van het Lauwersmeergebied onderzocht in de autonome situatie en vervolgens die van de nieuwe winningen afzonderlijk en alle winningen (met de bestaande) tezamen. Als gevolg van de reeds bestaande gaswinningen zullen de spuisluizen bij Lauwersoog twee centimeter kunnen dalen (in 2040). Ook de bodem van het Lauwersmeergebied zal dalen, tot maximaal twaalf centimeter in het diepste punt van de dalingsschotel. De daling aan de randen van de dalingsschotel en de vrijliggende gronden in het Lauwersmeergebied, waaronder de camping, bedraagt vier tot tien centimeter, afhankelijk van de afstand. Als gevolg daarvan wordt in de autonome ontwikkeling reeds verwacht dat lage vrij afstromende gronden richting Lauwersmeer sneller zullen inunderen. Ook de zeedijk zal in de autonome situatie met ongeveer twee centimeter dalen. Als gevolg van de nieuwe winningen tezamen zal de bodemdaling toenemen. Berekend is dat de spuisluizen vijf à zes centimeter dalen in plaats van twee centimeter (in 2040). De bodemdaling in het diepste punt van de dalingsschotel neemt toe met vier centimeter tot maximaal zestien centimeter. De daling aan de randen en de vrijliggende gronden in het Lauwersmeer bedraagt dan twee tot vier centimeter extra. Onderkend wordt dat de drooglegging van deze gronden minder wordt omdat deze gronden vaker zullen inunderen. Ook de zeedijk daalt als gevolg van de nieuwe gaswinningen twee centimeter of meer. 2.16.
- Voor het waterbeheer in het Lauwersmeer wordt door de provinciebesturen van Groningen en Fryslân een watervisie ontwikkeld waarin ook compenserende maatregelen als peilverlaging worden genoemd. In de Watervisie Lauwersmeer staan veiligheid en bescherming tegen wateroverlast voorop maar wordt ook de toekomstige natuurfunctie beoordeeld. Voor de Watervisie zijn onderzoeken uitgevoerd waarin is gekeken naar alternatieven voor het toekomstige waterbeheer van het Lauwersmeer. 2.16.
- In de passende beoordeling is aangegeven dat gevolgen van de gaswinningsactiviteiten op de kwalificerende vogelsoorten in het Lauwersmeer op basis van de huidige kennis zijn uit te sluiten. Door een kleine toename van de inundatiekans kan een verandering optreden voor de soorten Bruine kiekendief en Grauwe kiekendief, maar gelet op het kleine areaal waar deze verandering zich kan voordoen, bestaat wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel dat er geen schadelijke gevolgen voor de aantallen van deze soorten zullen zijn. 2.16.
- In het rijksprojectbesluit is aangegeven dat verzilting een autonoom proces is en dat het effect van de gaswinning daarop verwaarloosbaar is. Er zal nog nader onderzoek worden uitgevoerd en indien daaruit blijkt dat er effecten optreden, zal de NAM (financiële) maatregelen moeten nemen. 2.16.
- Verzilting is een proces waarbij als gevolg van hydrostatisch drukverschil zout grondwater het ondiepe grondwater en het oppervlaktewater bereikt en daar zorgt voor een verhoging van het zoutgehalte. Door zeespiegelstijging is sprake van een toename van verzilting. Bodemdaling veroorzaakt vernatting in het gebied, hetgeen door aanpassingen in het watersysteem (peilbeheer en dergelijke) door de waterschappen kan worden gereguleerd. Deze peilverlaging veroorzaakt extra verzilting. De milieueffecten zijn volgens het deskundigenbericht op dit moment nog niet volledig duidelijk, waardoor het niet mogelijk is om de mate van verzilting in relatie tot de gaswinning te bepalen. De aard en ernst van de effecten van verzilting zijn in hoofdzaak afhankelijk van de gebruiksfunctie. Voor het herstel van bepaalde natuurwaarden kan extra verzilting gunstig zijn. Voor het Lauwersmeergebied moeten nog keuzes worden gemaakt. De effecten voor de landbouw zijn ook afhankelijk van het gebruik. Een mitigerende maatregel is het doorspoelen met zoet water. 2.16.
- In de Friese concessiegebieden Barradeel, ten noorden van Harlingen in de nabijheid van Franeker, vindt sinds 1995 op grote diepte winning van steenzout plaats. In het gebied van de thans voorgenomen gaswinning zijn geen concessies ten behoeve van zoutwinning uitgegeven. In het deskundigenbericht is vermeld dat in geval van het verwijderen van een laag steenzout de direct bovenliggende lagen direct reageren. In het geval van gaswinning is sprake van een geleidelijker proces als gevolg van drukverlaging in de poriën en het daardoor langzaam compacteren van het reservoirgesteente. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Uitgangspunt van het kabinetsbeleid is dat meer dan voorheen zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de kleinere gasvoorraden. Dit beleid, dat er op is gericht zo lang mogelijk te kunnen blijven voorzien in de eigen gasbehoefte, acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Gelet hierop heeft de Minister van EZ zich op het standpunt kunnen stellen dat, gezien de aanzienlijke omvang van de thans aan de orde zijnde gasvoorraden, de winning daarvan van belang is in het kader van het door hem gevoerde kleine velden-beleid. 2.17.
- Niet in geschil is dat gelet op mogelijke significante gevolgen van de gaswinning voor de op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones in het kader van de vaststelling van het rijksprojectbesluit en de Nbw 1998-vergunningen voor de drie locaties op grondslag van de artikelen 19d en 19j, derde lid, juncto artikel 19f van de Nbw 1998 gehoudenheid bestaat een passende beoordeling te maken. In dat kader dienen tevens de effecten van de gaswinning op de als speciale beschermingszone aangemelde Habitatrichtlijngebieden te worden beoordeeld. Die gebieden bevinden zich vrijwel volledig binnen de op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen gebieden. Voor zover de Habitatrichtlijngebieden ruimer zijn dan de Vogelrichtlijngebieden, bestaat ten behoeve van het rijksprojectbesluit de gehoudenheid een passende beoordeling te maken op grondslag van het rechtstreeks werkende artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De aanwijzingsbesluiten voor de hierboven genoemde staatsnatuurmonumenten en beschermde natuurmonumenten zijn met de inwerkingtreding van de Nbw 1998 in combinatie met de aanwijzing van deze gebieden als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn vervallen. Daarmee hebben de instandhoudingsdoelstellingen mede betrekking op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van die gebieden. 2.17.
- Een passende beoordeling houdt in dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Op basis van een passende beoordeling van de gevolgen van de gaswinning voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Lauwersmeer, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, mag de gaswinning slechts mogelijk gemaakt worden nadat de zekerheid is verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen zal hebben voor de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn. 2.17.
- De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat de wijze en mate van bodemdaling niet met volledige zekerheid kunnen worden voorspeld, op zichzelf onvoldoende aanleiding vormt voor het oordeel dat reeds om die reden moet worden afgezien van de voorgenomen activiteit. Het bestaan van enige marge in de te verwachten gevolgen betekent niet dat niet de vereiste zekerheid kan worden geboden dat er geen schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de gebieden zullen optreden. Eventueel ongunstiger uitvallen van de veronderstelde prognoses betekent evenmin dat bij voorbaat sprake zal zijn van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de gebieden. In dat kader is voorts van belang dat in het rijksproject de mogelijkheid is ingebouwd met het principe "hand aan de kraan" de gevolgen van de gaswinning bij te sturen. 2.17.
- De omstandigheid dat de Minister van EZ aanleiding heeft gezien toepassing te geven aan het in de besluiten nader uitgewerkte principe "hand aan de kraan" betekent ook niet dat reeds daarom aan de in 2.17.
- bedoelde zekerheid zou moeten worden getwijfeld. Het betreft in dit geval een langdurig project waarvan de gevolgen zich gedurende verscheidene decennia zullen kunnen openbaren. De Afdeling verstaat de toepassing van het principe "hand aan de kraan" aldus, dat het hiermee mogelijk is de gevolgen van de gaswinning voortdurend en direct te volgen en de winning bij te stellen indien hiertoe aanleiding zou bestaan. Het is daarmee een belangrijk controlemechanisme dat, mede gelet op de lange duur van de winning, kan dienen als een borging van de vereiste zekerheid. De Afdeling zal dit principe dan ook betrekken bij de beantwoording van de vraag of de Ministers van EZ en LNV zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het uitblijven van schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de desbetreffende Natura 2000-gebieden. 2.17.
- In 2.16.
- is een overzicht op hoofdlijnen gegeven van de onderzoeken die zijn verricht nadat in 1999 was besloten niet tot het winnen van gas over te gaan. Kennis over en ervaring met gaswinning in de diepe ondergrond en het inzicht in de gevolgen daarvan door andere winningen zijn sinds 1999 verder vergroot. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met de aan de passende beoordeling ten grondslag gelegde onderzoeken niet van de beste wetenschappelijke kennis gebruik is gemaakt. Evenmin is gebleken dat deze kennis niet correct is weergegeven. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat nader onderzoek zou kunnen bijdragen aan het verkrijgen van meer duidelijkheid over de omvang van de gevolgen van de gaswinning voor de te beschermen waarden van de desbetreffende gebieden in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen. 2.17.
- Ter beantwoording van de vraag of zich ten gevolge van de gaswinning schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de gebieden zullen voordoen, dient met name de te verwachten mate van bodemdaling te worden bezien. Daarbij is een groot aantal facetten van belang die de Afdeling hierna zal bezien. Verweerders stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat de bodemdaling beperkt is en, mits de gestelde randvoorwaarden in acht worden genomen, controleerbaar en beïnvloedbaar is. Appellanten stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat de aan de berekeningen ten grondslag gelegde veronderstellingen en prognoses te veel onzekerheden in zich hebben en dat het risico bestaat dat de bodemdaling (veel) groter zal zijn dan is aangenomen, alsmede dat de bodemdaling onvoldoende controleerbaar en beïnvloedbaar is. 2.17.
- Omtrent het betoog van appellanten dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van de bestaande zoutwinning overweegt de Afdeling allereerst dat de door appellanten bedoelde zoutwinning plaatsvindt in het kombergingsgebied Vlie. Dit gebied heeft geen relatie met de kombergingsgebieden Pinkegat of Zoutkamperlaag. Er zijn geen concessies of vergunningen verleend voor de winning van zout in beide laatstbedoelde gebieden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat, niettegenstaande het vorenstaande, cumulatie van effecten van de zoutwinning en de voorgenomen gaswinning valt te verwachten. Verweerders hebben de zoutwinning dan ook buiten beschouwing kunnen laten. 2.17.
- In de passende beoordeling is wel de invloed van de bestaande gaswinningen bij onder meer Anjum, Slochteren, Ameland en Zuidwal als activiteiten die mogelijk cumulatieve effecten kunnen hebben, in ogenschouw genomen. Zo heeft de winning bij Ameland cumulatieve invloed op het kombergingsgebied Pinkegat en de winning bij Anjum op het kombergingsgebied Zoutkamperlaag. Niet is aannemelijk gemaakt dat hierbij van onjuiste aannames is uitgegaan. De vanwege de Minister van EZ bepaalde 2 centimeter-bodemdalingscontour raakt het eiland Schiermonnikoog alleen aan de onbewoonde zuidwestelijke punt. [appellante sub 5] heeft gesteld dat de bodemdalingscontour ruimer is dan door de minister is aangenomen. De van de zijde van appellante ter zitting getoonde horizontale projectie van het bodemdalingsgebied ten gevolge van de (bestaande) gaswinning bij Ameland-Oost op de nieuwe gasvel