(2004)ligt de geluidbelasting blijkens het rapport op 63,1 dB(A). Volgens het deskundigenbericht wordt in het rapport van DGMR impliciet geconcludeerd dat noch van een onevenredige geluidbelasting, noch van een reconstructie als bedoeld in artikel 99 van de Wet geluidhinder sprake zal zijn. In het deskundigenbericht wordt ten aanzien van het rapport van DGMR geconstateerd dat daarin geen informatie is opgenomen over de specifieke gegevens ten aanzien van de nieuwe ontsluiting van het brandstofverkooppunt. Geconcludeerd wordt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt in hoeverre en op welke wijze rekening is gehouden met de specifieke geluidbelasting op de gevel van de woning van appellant als gevolg van de nieuwe ontsluiting. 2.6.
- Ten aanzien van het inschijnen van koplampen van afslaande auto’s vermeld het deskundigenrapport dat de nieuwe ontsluiting kan leiden tot lichthinder. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de gemeente en verweerder reeds hebben aangegeven hiervoor, zo nodig, aanvullende maatregelen te zullen treffen. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de TNO-rapporten is uitgegaan van onjuiste of onvolledige verkeersgegevens. Gelet op het deskundigenbericht en de toelichting op het rapport die verweerder ter zitting heeft gegeven, is aannemelijk geworden dat met alle relevante ontwikkelingen in de regio rekening is gehouden. Voor zover appellanten betogen dat in de berekeningen de verwachte verkeerstoename alleen op de Zijdelweg is beschouwd, en niet verder richting Amstelveen op de Bovenkerkerweg, faalt dit betoog. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de genoemde verkeersintensiteiten betrekking hebben op het wegvak tussen de Randweg en de J.C. van Hattumweg, ter hoogte van de Bovenkerkerweg. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat door de gekozen ongelijkvloerse kruising ter plaatse van de N201 met de Zijdelweg meer congestie zal optreden, overweegt de Afdeling dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat gelet op het ter zake uitgevoerde onderzoek het verkeer kan worden afgewikkeld binnen de cyclus van twee minuten van de verkeersregelinstallatie, zodat op het kruispunt derhalve geen congestie is te verwachten. Uit hetgeen appellanten hiertegen hebben aangevoerd blijkt niet dat het standpunt van verweerder onjuist is. Het betoog faalt derhalve. 2.7.
- Uit het TNO-rapport "Herberekening luchtkwaliteit Masterplan N201+ met Referentiescenario" blijkt dat verwezenlijking van het plan niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide. Voorts wordt ook de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes en de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes na verwezenlijking van het plan niet overschreden. Ten aanzien van deze grenswaarden wordt dan ook voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Blk
- 2.7.
- Uit de resultaten van het luchtkwaliteitonderzoek volgt dat ten aanzien van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide niet wordt voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Blk
- Tevens is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk
- Aan de orde is derhalve de vraag of is voldaan aan artikel 7, derde lid, onder b, van het Blk
- Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante factoren, waaronder in ieder geval de concentraties van de stoffen ter plaatse van de verslechtering en de verbetering, het gebied waarvoor een overschrijding is vastgesteld, het gebied waarop de verbetering betrekking heeft en het aantal blootgestelden dat door de verslechtering en verbetering wordt geraakt. 2.7.
- Gelet op de uitkomsten van het luchtkwaliteitonderzoek moet het ervoor worden gehouden dat de verwezenlijking van het plan een overschrijding van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide met zich brengt op plaatsen waar deze grenswaarde in de autonome ontwikkeling niet wordt overschreden. Uit dit onderzoek blijkt voorts dat de concentratie stikstofdioxide langs de huidige N201 ter plaatse van de kernen van Aalsmeer, Uithoorn en De Ronde Venen na verwezenlijking van de met het plan mogelijk gemaakte omleidingsweg N201 lager is dan de concentratie stikstofdioxide in de autonome ontwikkeling op die plaatsen. Gelet op de huidige ligging van de N201 in de kernen van Aalsmeer, Uithoorn en De Ronde Venen wordt een groot aantal blootgestelden geraakt door deze afname van concentratie. De in het luchtkwaliteitonderzoek geconstateerde toename van de concentratie stikstofdioxide beperkt zich tot 5 meter van het asfalt van de beoogde N201 en is derhalve beperkt van aard. Nu voorts de toename van de concentratie stikstofdioxide tot een smalle strook langs de weg beperkt blijft, en aannemelijk is dat het aantal blootgestelden aan de verslechtering veel kleiner is dan het aantal blootgestelden dat profiteert van de verbetering, ook bezien binnen het plangebied, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat wordt voldaan aan artikel 7, derde lid, onder b, van het Blk
- Daarbij heeft verweerder mede van belang kunnen achten dat in de TNO-rapporten geen rekening is gehouden met de voorgenomen maatregelen in de verschillende luchtkwaliteitplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit in de regio van de N201+ gemeenten. Uitvoering van deze maatregelen kan alleen maar tot een gunstiger uitkomst voor de luchtkwaliteit leiden. Ter plaatse van de woningen van appellanten zal er voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide blijkens het onderzoek in 2010 geen overschrijding van de grenswaarde meer plaatsvinden. Het betoog van appellanten faalt derhalve. 2.
- Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet tot ernstige geluidhinder zal leiden. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat uit de stukken blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de zijgevel van de woning van [appellant sub 2] afneemt, zowel bij toepassing van steenmastiek asfalt als bij toepassing van dunne deklagen type
- Hoewel geen akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden op de voorgevel van de woning van [appellant sub 2], terwijl deze dichter bij de Zijdelweg is gelegen dan de zijgevel van die woning, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nader akoestisch onderzoek niet nodig is. Daarbij is van belang dat verweerder vanwege het geluid afkomstig van de nieuwe N201, dat de geluidproductie afkomstig van het verkeer op de Zijdelweg overtreft, terecht de zijgevel van de betreffende woning maatgevend heeft geacht. Voor zover appellanten betogen dat zij geluidhinder vrezen als gevolg van de beoogde ontsluiting van het brandstofverkooppunt, overweegt de Afdeling dat deze ontsluiting buiten het onderhavige plangebied valt. Uit de stukken is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen bij besluit van 5 december 2006 vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft verleend ten behoeve van het realiseren van onder meer een ontsluitingsweg naar het brandstofverkooppunt. Vast staat dat appellanten daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, en dat dit besluit inmiddels in rechte onaantastbaar is. Daargelaten het antwoord op de vraag of er een zodanige samenhang is tussen het onderhavige plandeel en de beoogde ontsluiting van het brandstofverkooppunt, dat de effecten van de ontsluiting zouden moeten worden betrokken bij de beoordeling van het onderhavige beroep, blijkt uit de stukken dat DGMR onderzoek heeft ingesteld naar de geluidseffecten van de omlegging van de N
- In dat verband, zo is toegelicht ter zitting, zijn ook de effecten van genoemde ontsluitingsweg beoordeeld. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, faalt ook dit betoog van appellanten. 2.
- Niet aannemelijk is geworden dat het plandeel ernstige lichthinder met zich brengt. Voor zover appellanten lichthinder vrezen als gevolg van de ontsluiting van het brandstofverkooppunt overweegt de Afdeling dat - daargelaten of er zodanige samenhang is tussen het onderhavige plandeel en deze ontsluiting - de gemeenteraad en verweerder ter zitting hebben aangegeven dat eventuele lichthinder van het beperkte linksafslaand verkeer door het nemen van maatregelen kan worden voorkomen. Het betoog van appellanten slaagt niet. 2.
- Voor zover appellanten betogen dat door de geplande middenberm in de Zijdelweg de toegankelijkheid van hun perceel, alsmede het aan de overzijde van die weg gelegen perceel wordt beperkt, overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad ter zitting nogmaals heeft toegezegd dat ter hoogte van hun percelen een doorsnede in de middenberm wordt gerealiseerd die het oversteken van landbouwvoertuigen tot de mogelijkheden zal laten behoren, zodat de toegankelijkheid van de percelen van appellanten gewaarborgd blijft. 2.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond. Het beroep van Tica Aalsmeer B.V. 2.
- Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", voor zover gelegen ter hoogte van de kruising met de Legmeerdijk. Daartoe voert appellante aan dat door het plan de aansluiting van de Randweg op de Legmeerdijk voor motorvoertuigen zal vervallen. Appellante vreest hierdoor schade te lijden, nu de bereikbaarheid van het bedrijf slechter wordt. Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft het plandeel niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat de bereikbaarheid van het groothandelscentrum bovenregionaal niet zal afnemen. Het openhouden van de Randweg levert wat de aansluiting op de N201 betreft verkeerstechnisch een onwenselijke situatie op. Verder wijst hij erop dat de afsluiting slechts een effectieve omrijafstand van 2450 meter tot gevolg heeft. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.14.
- Het bedrijf van appellante, een groothandelscentrum voor detaillisten in home-, gift- en gardenartikelen met een vloeroppervlakte van ruim 20.000 m2, ligt aan de Randweg, tegenover het plandeel waar de nieuwe N201 is beoogd. Het perceel van appellante valt geheel buiten het plangebied. 2.14.
- Aan het plandeel ter plaatse van de huidige aansluiting van de Randweg op de Legmeerdijk is de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" toegekend. 2.14.
- In het deskundigenbericht staat vermeld dat in de huidige situatie bewoners, bezoekers en werknemers van (agrarische) bedrijven en (woon)bebouwing gebruik kunnen maken van de route die loopt via de Randweg en de Legmeerdijk dan wel via de Poelweg en de huidige N
- De verkeersintensiteit en de samenstelling van het verkeer (zwaar en licht) liggen redelijk hoog. Deze ontsluitingsweg komt te vervallen vanwege de nabij gelegen ongelijkvloerse kruising van de nieuwe N201 en de Legmeerdijk. Het deskundigenbericht constateert dat de omrijafstand als gevolg van de afsluiting van de Randweg alleen van toepassing is voor bezoekers, werknemers en leveranciers die vanuit het noorden komen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het wegprofiel van de Poelweg de wijzigingen in de verkeersstromen niet in de weg staat. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Vast staat dat de omrijafstand door afsluiting van de Randweg voor bezoekers, werknemers en leveranciers die vanuit het noorden naar het bedrijf van appellante komen, zal toenemen. Gelet op het grote maatschappelijke belang van de aanleg van de weg, heeft verweerder echter in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de in het plan neergelegde ligging van het tracé van de nieuwe N201 ter hoogte van de Legmeerdijk en de daarmee gepaard gaande afsluiting van de Randweg op de Legmeerdijk, dan aan de door appellante gestelde belangen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aansluiting van de Randweg op de Legmeerdijk niet past bij de doorgaande functie van de nieuwe N201 en in verkeerstechnisch opzicht tot een onwenselijke situatie leidt. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de afstand per auto naar het bedrijf van appellante weliswaar groter wordt, maar niet zodanig groot dat verweerder daarom van goedkeuring had dienen af te zien. De bereikbaarheid voor het autoverkeer blijft gewaarborgd, zij het dat voor verkeer vanuit het noorden een extra omrijafstand van ongeveer drie kilometer moet worden afgelegd. 2.15.
- Voor zover appellante betoogt dat de Poelweg de wijziging in de verkeersstromen niet aan kan, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het wegprofiel van de Poelweg aan de wijziging in de verkeerssituatie niet in de weg staat. In tegenstelling tot hetgeen appellante betoogt blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat de Poelweg geschikt is voor tweerichtingenverkeer. Het betoog van appellante faalt derhalve. 2.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Tica Aalsmeer B.V. is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat. w.g. Van Ettekoven w.g. Egmond Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007 426.