(1997)is de Lindweg aangeduid als lokale verharde weg. Aan de oostzijde van de Lindweg vormt deze weg met de Venrayseweg (N553) en de Tienrayseweg (N554) een kruispunt dat grenst aan op- en afrit 10 van de rijksweg A
- Aan de westzijde eindigt de Lindweg bij een kruispunt van waaruit men de bebouwde kom verder kan inrijden, naar onder meer het Dendron College, en dat voorts een verbinding vormt met het buitengebied ten noorden en ten westen van de Lindweg, het Meterikseveld. Volgens het deskundigenbericht vormt de Lindweg de meest rechtstreekse verbinding tussen enerzijds de A73, de Venrayseweg en de Tienrayseweg en anderzijds het noordwestelijke deel van de bebouwde kom van Horst en het Meterikseveld. 2.14.
- Het perceel van appellanten aan de [locatie] grenst aan de noordzijde van de Lindweg en heeft een oppervlakte van 5900 m². Op het westelijke gedeelte van het perceel is de woning van appellanten met voor- en achtertuin gevestigd. Ter plaatse is een strook van 4 meter diep langs de Lindweg als "Verkeersdoeleinden (V)" bestemd. Het oostelijke gedeelte van het perceel van appellanten wordt agrarisch gebruikt. Van dit deel is een strook van 7 meter diep als "Verkeersdoeleinden (V)" bestemd. De gronden tot 2 meter vanaf de huidige rijbaan zijn in eigendom van de gemeente. Blijkens het deskundigenbericht bestaan deze gronden grotendeels uit een berm die op dit moment vrijwel geheel wordt gebruikt als onderdeel van de rijbaan. 2.14.
- In oktober 2004 is het "Landschapsontwikkelingsplan Gemeente Horst aan de Maas" uitgebracht. Op de bijbehorende kaart is het gebied van en langs de Lindweg aangewezen als 'prioritair gebied erfbeplanting'. Met voorrang moet de groene structuur in dit gebied worden versterkt door middel van beplantingen op erven in de vorm van (solitaire) bomen, lanen, hagen, singels en boomgaarden, aldus het Landschapsontwikkelingsplan. 2.14.
- Op 28 september 2005 heeft het Waterschap Peel en Maasvallei ten aanzien van de herinrichting van de Lindweg een positief advies gegeven. Hierbij heeft het waterschap in aanmerking genomen dat het water afkomstig van de weg ook in de toekomstige situatie in de bermen infiltreert. 2.14.
- Op 21 november 2001 is door het Buro voor verkeerskundige advisering (BVA) de "Technische rapportage verkeers- en milieumodel kern Horst" uitgebracht. Volgens dit rapport is het verkeersmodel 2001 opgesteld aan de hand van een verkeersstromenonderzoek in 2001, waarbij op 44 locaties en vanuit 86 richtingen kentekens zijn genoteerd, en in 2001 uitgevoerde mechanische verkeerstellingen op 20 locaties. In het verkeersmodel voor het toekomstjaar 2012 zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructurele wijzigingen ingebracht die reeds in 2001 vast stonden. De 0-variant is direct gebaseerd op het verkeersmodel 2001 en bevat de autonome groei, de groei ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkelingen en de infrastructurele wijzigingen om de nieuwe gebieden te ontsluiten. In variant 1 is in aanvulling hierop de realisering van de WBO opgenomen, aldus het rapport. 2.14.
- Op 22 april 2005 is vanwege het gemeentebestuur het rapport "Verkeersafwikkeling en -veiligheid Horst-Noord/Meterikseveld" uitgebracht. Het rapport vermeldt dat in de periode 2002-2005 diverse mechanische verkeerstellingen zijn uitgevoerd gedurende een gemiddelde werkdag. Hierbij zijn op de [locatie]661 mvt/etmaal geteld, waaronder 99 in de categorie licht en 35 in de categorie zwaar vrachtverkeer. In 1994 zijn op de [locatie]490 mvt/etmaal geteld. Tussen 1994 en 2004 is mitsdien sprake van een toename van het verkeer met 11,5%. Voorts heeft op 17 juni 2004 tussen 07.00 en 19.00 uur een visuele verkeerstelling plaatsgevonden op de Lindweg, waarbij 1533 personenauto's en 122 voertuigen in de categorie vrachtverkeer zijn geteld. Als mogelijke oplossingsrichtingen voor de verkeersproblematiek wordt in het rapport ten eerste voorgesteld de route Lindweg-Molenveldweg Molengatweg-Kempweg-Schadijkerweg op te knappen en te verbreden en naast de Lindweg een vrijliggend fietspad aan te leggen van minimaal 2,5 meter. Hierbij kan de rijbaan beperkt blijven tot een breedte van 5,50 meter. De tweede oplossing zou zijn het doortrekken van de Schengweg naar de Venrayseweg. 2.14.
- Ten behoeve van het plan is op 19 augustus 2005 door BVA het akoestisch rapport "Reconstructie Lindweg" uitgebracht. De etmaalintensiteit van het verkeer op de Lindweg voor 2005 is bepaald aan de hand van de 0-variant van het verkeersmodel
- Op basis hiervan is een verkeersintensiteit berekend van 1500 mvt/etmaal op de Lindweg in
- Voor de berekening van de toekomstige situatie in 2016 is gebruikt gemaakt van de 1-variant van het verkeersmodel
- De etmaalintensiteiten uit dit verkeersmodel zijn verhoogd met 5% groei tot
- Ten aanzien van de Lindweg wordt voor 2016 uitgegaan van een verkeersintensiteit van 3400 mvt/etmaal en de toepassing van zogeheten Viagrip-verharding. In de huidige situatie is de rijbaan verhard met Dicht Asfaltbeton (DAB). Blijkens het akoestisch rapport is bij de reconstructie van de Lindweg voor geen enkele onderzochte woning nabij het plangebied sprake van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. 2.14.
- Ten behoeve van het plan is in augustus 2005 het "Rapport Luchtkwaliteit Reconstructie Lindweg te Horst" uitgebracht door bureau Oranjewoud. Volgens dit rapport zal de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) zowel in 2004 als in 2015 vaker dan 35 maal per jaar worden overschreden ter plaatse van de Venrayseweg (binnen de bebouwde kom). Voorts wordt deze grenswaarde in de toekomstige situatie ter plaatse van de Lindweg en de Venrayseweg (buiten de bebouwde kom) vaker dan 35 maal per jaar overschreden. Het rapport gaat ervan uit dat de toename van de verkeersintensiteit op de Lindweg niet is gerelateerd aan de herinrichting van deze weg en dat het plan derhalve niet leidt tot een toename van het aantal overschrijdingen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) ten opzichte van de autonome situatie. Mitsdien wordt voldaan aan artikel 7, derde lid, onder a, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, aldus het rapport. Toepasselijke regelgeving 2.
- Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de (…) genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht. Ingevolge artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens: (…) b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. 2.15.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Verkeersdoeleinden -V-" aangewezen gronden, met inachtneming van de op de plankaart aangeduide wegprofielen, bestemd voor: - wegen, straten en paden; - rijwielpaden met daaraan ondergeschikt (…) - groenvoorzieningen; - waterhuishoudkundige voorzieningen; waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, vormt op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat hij zich grotendeels kan verenigen met het standpunt van de gemeenteraad ten aanzien van de ingebrachte zienswijzen. Daarnaast is verweerder in aanvulling op het standpunt van de gemeenteraad op enkele bezwaren van appellanten in het bijzonder ingegaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich geen eigen en objectief oordeel heeft gevormd omtrent de ingebrachte bedenkingen. Ook zijn aan de Afdeling geen administratieve onvolkomenheden van dien aard gebleken dat het bestreden besluit in verband daarmee niet in stand kan blijven. Daarbij merkt de Afdeling op dat de plantoelichting geen onderdeel uitmaakt van het plan en dat hieraan derhalve geen bindende betekenis toekomt. Mitsdien kan hetgeen hierin is opgenomen geen aanleiding vormen voor het oordeel dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. 2.
- Voor zover appellanten in beroep bezwaren hebben aangevoerd die betrekking hebben op civielrechtelijke gebruiksmogelijkheden dan wel overlast of onderhoud van beplanting langs de weg overweegt de Afdeling dat deze bezwaren in het kader van deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Deze zullen derhalve buiten beschouwing blijven. 2.
- Appellanten hebben de noodzaak van de omvang van de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" gemotiveerd bestreden. Dienaangaande is tussen partijen niet in geschil dat de verbreding van de rijbaan van de Lindweg tot 5,5 meter reeds op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan was toegelaten. Voorts heeft verweerder zich met de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een berm van 2 meter tussen de rijbaan en het beoogde fietspad nodig is ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van de in de grond aanwezige kabels en leidingen alsmede vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid. Ten aanzien van de beoogde berm tussen het fietspad en de aangrenzende percelen is gebleken dat het beleid van de gemeenteraad, zoals verwoord in het Landschapsontwikkelingsplan, erop is gericht dat langs de Lindweg beplanting zal worden aangelegd. Daarnaast is uit de stukken gebleken dat het waterschap heeft geadviseerd, mede ter voorkoming van wateroverlast op percelen van particulieren, de infiltratie van hemelwater in bermen te laten plaatsvinden. Gelet hierop heeft verweerder ook in redelijkheid ermee kunnen instemmen dat de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" kunnen worden gebruikt voor de aanleg van een berm tussen het beoogde fietspad en de percelen van particulieren. Uit de stukken is gebleken dat wordt beoogd ter plaatse van de woning van appellanten aan de [locatie] een tussenberm van 1 meter en een buitenberm van 0,5 meter aan te leggen waarin geen bomen worden geplant en slechts infiltratiekolken worden geplaatst. Ter zitting is vanwege de gemeenteraad toegelicht dat deze inrichting zal worden toegepast ten aanzien van alle percelen die feitelijk als woonperceel werden gebruikt ten tijde van de terinzagelegging van het voorontwerp van het plan. Nu het perceel aan de [locatie] feitelijk als woonperceel met tuin wordt gebruikt en bovendien kleiner van omvang is dan het perceel van appellanten aan de [locatie], dat ook voor een deel agrarisch wordt gebruikt, heeft verweerder in redelijkheid ermee kunnen instemmen dat ten aanzien van de omvang van de bermen bij het perceel van appellanten onderscheid is gemaakt tussen de gronden nabij de woning en de agrarische gronden. Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van appellanten onvoldoende zijn betrokken in de besluitvorming over de omvang van de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" noch dat verweerder in dit verband in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had behoren toe te kennen aan de belangen van appellanten. 2.
- Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde verkeersmodel en de verkeersgegevens en -prognoses onvoldoende betrouwbaar zijn om aan het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteit-onderzoek ten grondslag te worden gelegd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de berekende verkeersintensiteit voor het jaar 2012 rekening is gehouden met de autonome groei van het verkeer, de toename ten gevolge van de in 2001 vaststaande ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructurele wijzigingen als opgenomen in de 0-variant van het verkeersmodel 2012, alsmede de realisering van de WBO. Voorts is voor het jaar 2016 uitgegaan van een toename van het verkeer van 5% ten opzichte van
- Nu blijkens het rapport "Verkeersafwikkeling en -veiligheid Horst-Noord/Meterikseveld" tussen 1994 en 2004 op de Lindweg een toename van het aantal mvt/etmaal heeft plaatsgevonden van 1490 tot 1661 mvt/etmaal, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder en de gemeenteraad niet in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van een prognose van 3400 mvt/etmaal op de Lindweg voor het jaar
- 2.
- Met betrekking tot de door appellanten gestelde gebreken van de plankaart is niet gebleken dat de aanduidingen van de bestaande bebouwing en de kadastrale gegevens op de plankaart onduidelijk zijn. Voorts volgt uit artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften dat de in geding zijnde gronden voor "Verkeersdoeleinden -V-" zijn bestemd met inachtneming van de op de plankaart aangeduide wegprofielen. Naar de Afdeling evenwel vaststelt zijn dergelijke wegprofielen niet op de plankaart aangeduid. Hieruit volgt dat het plan op dit punt in strijd is met de rechtszekerheid. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met het beginsel van rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Nu op dit punt rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling tevens aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-", voor zover dit betrekking heeft op de Lindweg. 2.
- Ten aanzien van het betoog van appellanten dat aan het luchtkwaliteitonderzoek gebreken kleven, overweegt de Afdeling het volgende. Aan het bestemmingsplan ligt het onder 2.14.
- genoemde rapport ten grondslag. Blijkens dit rapport wordt de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de toekomstige situatie meer dan vijfendertig maal per jaar overschreden ter plaatse van de Lindweg. Hierin is geen beletsel gezien voor de vaststelling van het plan op grond van de overweging dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk
- Daartoe is gesteld dat het aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de toekomstige situatie niet het gevolg is van de herinrichting van de Lindweg, maar zich ook zou voordoen in de autonome situatie. Daarbij is ervan uitgegaan dat de herinrichting niet leidt tot een toename van de verkeersintensiteit. De Afdeling stelt evenwel vast dat dit uitgangspunt niet overeenstemt met het door de gemeenteraad in deze beroepsprocedure ingenomen standpunt - zoals onder meer neergelegd in een nader ingezonden reactie van 13 november 2006 - dat sprake zal zijn van een verkeerstoename van 1661 mvt/etmaal in 2004 naar 3400 mvt/etmaal in 2016, welke toename (met 104,7%) enerzijds wordt veroorzaakt door de jaarlijkse autonome groei van het verkeer en anderzijds door de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructurele wijzigingen aan onder meer de Lindweg, waarbij deze weg ten opzichte van de bestaande situatie een meer voor de hand liggende route wordt voor met name het agrarische verkeer en het vrachtverkeer naar het achterliggende gebied. In het rapport en ook anderszins is niet inzichtelijk gemaakt dat deze laatste verkeersaantrekkende werking zodanig gering van omvang zal zijn dat deze niet van invloed is op de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) respectievelijk het aantal berekende overschrijdingen van de desbetreffende grenswaarde na realisering van het plan. In zoverre berust het bestreden besluit, waarbij met de toepassing van artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 is ingestemd, niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre ook wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. 2.
- Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Overigens zijn in het rapport "Verkeersafwikkeling en -veiligheid Horst-Noord/Meterikseveld" de voor- en nadelen van het doortrekken van de Schengweg in kaart gebracht. Proceskosten 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 6 juni 2006, kenmerk 2006/24872, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" met betrekking tot de Lindweg, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I; III. onthoudt goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel; IV. bepaalt dat het onder III. genoemde in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd; V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 136,87 (zegge: honderdzesendertig euro en zevenentachtig cent); het dient door de provincie Limburg aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald. VII. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Geel Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007 234-516.