(2002)vermeld. Over de inhoud van dit document wordt in het advies echter niets anders vermeld dan dat hierin aanwijzingen staan voor situering en ontwerp van nieuwe bebouwing. Niet valt in te zien dat het advies vanwege deze vermelding buiten beschouwing zou moeten blijven. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het advies betrekking heeft op cultuurhistorische aspecten van het dijklint. De vraag of het bouwplan past in de cultuurhistorische waarde van de Lekdijk, kan echter niet op één lijn worden gesteld met de vraag of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Of het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand is voorts niet aan de orde bij de vraag of voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO mag worden verleend. Voor zover appellante betoogt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, dient dit betoog wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te blijven, nu zij dit eerst ter zitting bij de Afdeling heeft aangevoerd en niet is gebleken dat zij deze grond niet eerder heeft kunnen aanvoeren. 2.5.
- Appellante voert eveneens zonder succes aan dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar het effect van de te realiseren woningen op flora en fauna en dat het college gehouden was uitgebreider onderzoek te laten verrichten door gedurende langere tijd te laten observeren of zich dieren op het perceel begeven. De vraag of nader onderzoek naar voornoemd effect dient te worden verricht, dient primair in het kader van een ontheffing of vrijstelling op grond van de Flora- en Faunawet te worden beoordeeld. Slechts indien op voorhand twijfel bestaat of een zodanige vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, is er aanleiding een vrijstelling in het kader van artikel 19 van de WRO te weigeren. Van een dergelijke twijfel was in dit geval geen sprake. Artikel 11 van de Flora- en Faunawet noopt er slechts toe te bezien of op het perceel nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een bij die wet beschermde inheemse diersoort aanwezig zijn. Uit de quick-scan van 21 juli 2003 van Arcadis, Ruimtelijke Ontwikkeling BV, blijkt dat op 17 juli 2003 geen van dergelijke plaatsen op het perceel aanwezig waren. De omstandigheid dat door Arcadis tweemaal een overvliegende dwergvleermuis is gesignaleerd, betekent niet dat het college nader onderzoek had dienen te verrichten, nu in de quick-scan tevens is vermeld dat de bestaande bebouwing niet als verblijfplaats door vleermuizen wordt gebruikt. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college genoemd onderzoek van Arcadis aan de beslissing op bezwaar ten grondslag mocht leggen en daarmee kon volstaan. 2.5.
- Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat bij realisering van de negen woningen een onveilige verkeerssituatie op de Lekdijk ontstaat, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zonder nader onderzoek op dit punt vrijstelling mocht verlenen. 2.5.
- Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat realisering van het bouwplan financieel niet haalbaar zou zijn of dat, ondanks het door Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV opgestelde "Advies planschaderisicoanalyse" van 25 september 2003, planschade valt te verwachten. In dit advies wordt immers geconcludeerd dat bij realisering van het bouwplan geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Appellante heeft geen andersluidend deskundig advies terzake overgelegd, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college van deze informatie mocht uitgaan. 2.5.
- Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO kon verlenen, omdat het bouwplan valt binnen de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen waarvoor een dergelijke vrijstelling kan worden verleend, en dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. 2.
- Appellante betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht niet de kosten van juridische bijstand heeft vergoed, die hij in bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat het recht op een vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 april 2005 in zaak no. 200407125/1 (www.raadvanstate.nl), vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het primaire besluit. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot een verbetering van de motivering, maar niet tot herroeping van dat besluit. Het besluit om vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen, is bij het besluit op bezwaar gehandhaafd. Daarom kan appellante geen aanspraak maken op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. 2.
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 en 2.5 is overwogen heeft de rechtbank, anders dan appellante betoogt, terecht aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Huijben Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007 313-488.