200701119/1. Datum uitspraak: 3 oktober 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2006 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 6.9 van de bij besluit van 17 december 1993 verleende revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet, thans Wet milieubeheer, voor haar inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats]. De lastgeving houdt in dat appellante een bedrag van € 2.500,00 met een maximum van € 15.000,00 verbeurt voor iedere keer dat er in strijd met voorschrift 6.9 van de vergunning wordt geconstateerd dat de in dat voorschrift genoemde eigenschappen niet bekend zijn voordat met de reiniging wordt begonnen. Bij besluit van 4 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2007. Bij brief van 13 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, en E. Korevaar, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. Bagcivan en ir. A.C.G.J.M. van Roosmalen, ambtenaren van DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Appellante stelt dat haar door verweerder ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd. Voorschrift 6.9 betekent volgens haar, zo verstaat de Afdeling haar betoog, dat zij bekend moet zijn met de stofeigenschappen van de vervoerde stof, maar alleen dan van inwendige reiniging van spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers moet afzien indien door onbekendheid met deze eigenschappen de reiniging niet zonder gevaar kan worden uitgevoerd. Appellante voert aan dat zij alle reinigingen waarop de last betrekking heeft zonder gevaar heeft kunnen uitvoeren omdat de stofeigenschappen van de vervoerde stoffen bekend waren bij haar medewerkers dan wel terug te vinden waren in de bibliotheek op het terrein en de diverse databases en dat zij dientengevolge niet in strijd handelde met het voorschrift. 2.1.1. Verweerder, zo verstaat de Afdeling zijn betoog, stelt zich op het standpunt dat voorschrift 6.9 betekent dat vergunninghoudster bekend moet zijn met de stofeigenschappen van de zich in de spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers bevindende stoffen voor en tijdens de reiniging ervan om te kunnen beoordelen welke gevaarsaspecten of mogelijke hinder aan een bepaalde reiniging verbonden zijn. Het voorschrift beoogt, door het bekend zijn met de te reinigen stoffen, het risico op gevaar, ernstige hinder en bodem- en/of luchtverontreiniging te minimaliseren. 2.1.2. Ingevolge artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning, verboden. Voorschrift 6.9 van de hiervoor genoemde vergunning luidt als volgt: "Voordat met het inwendig reinigen van spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers begonnen wordt, moet bij de vergunninghouder van de als laatste hierin vervoerde stoffen de volgende eigenschappen bekend zijn, voor zover deze in gangbare literatuur vermeld zijn:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.