(394)overeen komt met 131 mestvarkeneenheden. Bij dit veebestand volgt uit de richtlijn een minimale aan te houden afstand van ongeveer 54 meter tussen het dichtstbijzijnde categorie III-object, te weten de woning aan de [locatie woning], en het dichtstbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt aan deze afstand voldaan. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht - zij het op andere gronden - op het standpunt gesteld dat aan de minimaal vereiste afstand uit de richtlijn kan worden voldaan. Hij heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat de door de inrichting veroorzaakte stankhinder voldoende beperkt is. 2.
- Voorts betoogt appellante dat, nu er stalsystemen met een lagere emissiewaarden bestaan dan het vergunde stalsysteem, verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat binnen de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast. Ter zitting is gebleken dat het aangevraagde stalsysteem een in die bedrijfstak algemeen gebruikte en geaccepteerde techniek inhoudt. De enkele omstandigheid dat er mogelijk stalsystemen beschikbaar zijn met een lagere emissiewaarde, betekent niet dat het aangevraagde en vergunde stalsysteem niet is gebaseerd op de beste beschikbare technieken. In zoverre bestond er voor verweerder geen grond om de vergunning te weigeren. 2.
- Appellante betoogt dat verweerder heeft nagelaten om te beoordelen of de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) in acht worden genomen. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu blijkens het bestreden besluit deze beoordeling heeft plaatsgevonden. 2.
- Appellante stelt tot slot dat ten onrechte niet alle woningen in de omgeving van de inrichting tegen geluidhinder worden beschermd en dat niet zeker is dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. 2.7.
- Ingevolge voorschrift 2.1 - voor zover hier van belang - mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de gevel van de woningen aan de [locaties woningen] niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A), respectievelijk gedurende de dag-, avond- en nachtperiode. Ingevolge voorschrift 2.2 - voor zover hier van belang - mag het maximale geluidniveau ter plaatse van de gevel van de woningen aan de [locaties woningen] niet meer bedragen dan 60, 55 en 50 dB(A), respectievelijk gedurende de dag-, avond- en nachtperiode. 2.7.
- Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat in voorschrift 2.1 en 2.2 abusievelijk niet alle in de directe omgeving van de inrichting staande woningen zijn vermeld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen. Bij het opnieuw vaststellen van deze voorschriften dient verweerder de naleefbaarheid van de grenswaarden te betrekken. 2.
- Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het voorschrift 2.1 en 2.2 betreft. Het beroep is voor het overige ongegrond. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 11 januari 2007, kenmerk 06-50, voor zover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1 en 2.2 betreft; III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hardenberg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat de gemeente Hardenberg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007 262-517.