(2003), dat de gevolgen van het project wat betreft de flora en fauna niet zijn onderzocht en dat het college onvoldoende inzicht heeft verschaft in de financiële uitvoerbaarheid en de noodzaak van het plan. In hoger beroep dienen deze punten daarom buiten beschouwing te worden gelaten, nu er geen reden is aangevoerd waarom voormeld betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellant B] e.a. dit gelet op de functie van het hoger beroep hadden behoren te doen. 2.
- Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant B] e.a. tegen het besluit van 7 maart 2006 alsnog ongegrond verklaren. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [appellant A]; II. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover ingesteld door [appellant B] e.a.; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 2 maart 2007 in zaak no. Awb 06/616, voor zover het beroep van [appellant B] e.a. niet-ontvankelijk is verklaard; IV. verklaart het door [appellant B] e.a. bij de rechtbank Zwolle ingestelde beroep ongegrond; V. gelast dat gemeente Hardenberg aan [appellant B] e.a. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Van Heusden Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007 163-430.