200701265/1 Datum uitspraak: 21 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de stichting Stichting Werkgroep Derde Merwedehaven gevestigd te Sliedrecht, appellante, en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) de voorschriften aangevuld van de op 4 april 2001 verleende milieuvergunning voor de inrichting van de naamloze vennootschap DRSH Zuiveringsslib N.V. (hierna: vergunninghoudster) voor het verbranden van zuiveringsslib aan de Baanhoekweg 48 te Dordrecht. Dit besluit is op 22 januari 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Werkgroep Derde Merwedehaven (hierna: de stichting) bij brief van 18 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2007. Bij brief van 27 april 2007 heeft vergunninghoudster die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend. Bij brief van 15 mei 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Vergunninghoudster heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht. De stichting heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2007, waar de stichting, vertegenwoordigd door ir. W.P.G.M. Waqué, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ypenburg en ir. P. Bregten, zijn verschenen. Voorts is gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. T.I. van Koten, advocaat te Rotterdam, en ir. J.H.B. te Marvelde en ing. D.G. van Driel. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding. Ontvankelijkheid 2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De stichting heeft de gronden inzake het energetisch rendement van de verbrandingsinstallatie, geluid en de toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de stichting redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. De overige beroepsgronden betreffen een uitwerking van hetgeen in de bedenkingen is aangevoerd. Er is daarom, anders dan vergunninghoudster betoogt, voor het overige geen grond om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Bestreden besluit 2.3. Het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van het verzoek van vergunninghoudster om wijziging van de milieuvergunning in verband met het Besluit verbranden afvalstoffen (hierna: het Bva). Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunning met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer. Algemeen toetsingskader 2.4. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan op aanvraag van de vergunninghouder het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden. Ingevolge het tweede lid van die bepaling zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede gezien haar technische kenmerken en haar geografische ligging. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing bij de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. Ingevolge artikel 8.44, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kunnen, indien dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen, waarvoor het in artikel 8.1 gestelde verbod geldt, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Ingevolge artikel 8.44, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften artikel 8.11, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Het Bva is een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.44 van de Wet milieubeheer. Gedeeltelijke intrekking 2.5. Ter zitting heeft de stichting haar beroepsgrond over de vraag of de inrichting een installatie betreft waarop de Richtlijn 96/61/EEG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) betrekking heeft, ingetrokken. Intrekken voorschriften 2.6. De stichting betoogt dat het college ten onrechte niet uitdrukkelijk de aan de vergunning van 4 april 2001 verbonden voorschriften 4.1, 4.2 en 5.1 tot en met 5.14 heeft ingetrokken. 2.6.1. Niet in geschil is dat na het nemen van het besluit van 4 april 2001 het Bva van toepassing is geworden op de inrichting. De aan de vergunning van 4 april 2001 verbonden voorschriften 4.1, 4.2 en 5.1 tot en met 5.14 betreffen normering van de temperatuur in de verbrandingsoven, emissienormeringen en meetvoorschriften. In de bijlage van het Bva zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op dezelfde aspecten. Die voorschriften werken rechtstreeks. De aan de vergunning van 4 april 2001 verbonden voorschriften 4.1, 4.2 en 5.1 tot en met 5.14 blijven daarom buiten toepassing. Het betoog van de stichting faalt. Emissie van stoffen 2.7. De stichting voert aan dat ten onrechte, vergeleken met de onderliggende vergunning, soepeler grenswaarden aan de vergunning zijn verbonden. Voorts komt haar betoog erop neer dat nu bij andere afvalverbrandingsinrichtingen strengere normen zijn voorgeschreven, het beschermingsniveau wat de onderhavige inrichting betreft ontoereikend is. Bij de beoordeling van de vraag of het beschermingsniveau toereikend is, komt het college, als hierboven is vermeld, een zekere beoordelingsvrijheid toe. In de enkele omstandigheid dat bij een aantal inrichtingen strengere waarden aan de vergunning zijn verbonden, wat daar ook van zij, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beschermingsniveau toereikend is. Of de gestelde grenswaarden soepeler zijn dan de grenswaarden gesteld in de onderliggende vergunning speelt bij de vraag of een toereikend beschermingsniveau wordt geboden geen rol. Emissie van stoffen - beste beschikbare technieken 2.8. Het betoog van de stichting komt erop neer dat wat de emissie van stoffen betreft niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De stichting stelt verder dat afzonderlijke normen voor de vier verbrandingslijnen moeten worden gesteld in plaats van normen voor de gehele slibverbrandingsinstallatie. 2.8.1. Het college heeft ten aanzien van de emissie van stoffen ter aanvulling op de rechtstreeks werkende emissiegrenswaarden uit de bijlage behorend bij het Bva in het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 2 jaargemiddelde emissiegrenswaarden gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, heeft het college het BREF-document "Reference document on Best Available techniques for Waste Incineration" (hierna: het BREF WI) betrokken. 2.8.2. Voor zover de stichting betoogt dat niet alle grenswaarden van het Bva vallen binnen de prestatierange van het BREF WI overweegt de Afdeling als volgt. Zowel in het BREF WI als in de bijlage behorend bij het Bva zijn voor de meeste stoffen die de inrichting emitteert halfuursgemiddelde en daggemiddelde waarden opgenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 april 2007 in zaak nr. 200602517/1 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.