(1996)en het vorige bestemmingsplan behelzen niet het gevoerde regionale en gemeentelijke ruimtelijke beleid. Dat is neergelegd in het uitwerkingsplan van het streekplan, dat is gebaseerd op de gemeentelijke StructuurvisiePlus. De door appellanten vermelde aanduidingen "zoekgebied waterberging", "natuurontwikkelings-, beheers- en reservaatsgebied" en "landschappelijk raamwerk" op de zogenoemde strategiekaart bij de StructuurvisiePlus zien niet op het plangebied. Dit is op de strategiekaart aangegeven als half gesloten agrarisch landschap. Bovendien zijn de ruimtelijke keuzen volgens de StructuurvisiePlus neergelegd in het zogeheten Ruimtelijk Model. Op de desbetreffende kaart is ter hoogte van het plangebied de aanduiding "zoeklocatie nieuw landgoed dan wel Ruimte-voor-Ruimte woningen" aangebracht. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat uit de StructuurvisiePlus volgt dat aan de noordzijde van Walik zogenoemde ruimte-voor-ruimte woningen worden overwogen. In het voorstel tot vaststelling van het plan is vermeld dat bij de aanwijzing als zoeklocatie voor zulke woningen in de StructuurvisiePlus, globaal is getoetst aan de vereisten voor toepasselijkheid van de regeling ruimte-voor-ruimte. 2.20.
- De conclusie is dat het betoog van appellanten dat verweerder heeft miskend dat het goedgekeurde plan strijdig is met het provinciaal en gemeentelijk beleid faalt. 2.
- [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] betogen dat verweerder, door het plan goed te keuren, heeft miskend dat hun persoonlijke levenssfeer door de realisering ervan onevenredig wordt aangetast, omdat gronden in eigendom aan de gemeente zullen worden overgedragen en daardoor voor een ieder toegankelijk worden. Daarmee wordt volgens hen ook afbreuk gedaan aan hun veiligheid. Appellanten betogen dat verweerder in dit verband ten onrechte heeft volstaan met de opmerking dat erfafscheidingen mogen worden opgericht. Voorts voeren zij aan dat hij heeft miskend dat zij overlast en schade van de werkzaamheden en de afwatering van grondwater bij de uitvoering van het plan zullen ondervinden. [appellant sub 1c] wijst in dit verband op zijn bijzondere tuin. Verder heeft verweerder volgens appellanten miskend dat inkijk in hun woningen en overlast zal ontstaan en het vrije uitzicht vanuit hun woningen verloren gaat. De voorziene bosgordel is volgens hen onvoldoende om dat tegen te gaan. Ten slotte voeren zij aan dat verweerder heeft miskend dat de inbreuken op hun woon- en leefklimaat tot een waardevermindering van hun woningen zullen leiden. 2.21.
- Verweerder heeft geoordeeld dat het plan, gelet op de afstand tussen de bestaande en voorziene woningen en de daartussen voorziene bosgordel, niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten leidt. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat geen aanspraak op vrij uitzicht bestaat en het appellanten voorts vrijstaat erfafscheidingen op te richten. Verder heeft hij in aanmerking genomen dat tegen eventuele overlast handhavend kan worden opgetreden en mogelijke overlast ten gevolge van de uitvoering van het plan niet in het kader van het bestemmingsplan kan worden geregeld. Wat betreft de gestelde waardevermindering van de woningen, heeft verweerder erop gewezen dat krachtens artikel 49 van de WRO een aanvraag tot vergoeding van schade kan worden gedaan. Ten aanzien van de gestelde mogelijke schade aan tuinen heeft hij in aanmerking genomen dat een vergunning is vereist voor de benodigde grondwateronttrekking en de effecten daarvan op de omgeving in dat kader moeten worden beoordeeld. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat onevenredige effecten van de onttrekking van grondwater zullen optreden. 2.21.
- De door appellanten gestelde aantasting van hun privacy en veiligheid wordt volgens hen veroorzaakt door de verwerving van gronden van het plangebied door de gemeente. Hun betoog over de mogelijke overlast van de werkzaamheden heeft betrekking op de uitvoering van het plan. Het in beroep bestreden besluit ziet niet op deze aspecten, zodat de desbetreffende betogen niet kunnen leiden tot de vernietiging daarvan. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten leidt, dat het in verband daarmee niet kan worden goedgekeurd. Daarbij is mede van belang dat de voorziene woningen ten hoogste één bouwlaag met of zonder kap met een nokhoogte van ten hoogste 6 meter mogen hebben, de bouwvlakken voor deze woningen op ten minste 25 meter van de woningen aan de Leeuweriklaan en de Hobbel zijn geprojecteerd en voorts dat aan gronden tussen de bestaande en voorziene woonpercelen de bestemming "Bos (B)" is toegekend, waarmee is voorzien in een bos- en groengordel van ten minste 10 meter breed. Wat betreft de gestelde nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten, bestaat geen grond voor het oordeel dat die zo groot zal zijn, dat verweerder bij de afweging van alle bij de realisering van het plan betrokken belangen hieraan ten onrechte geen doorslaggevend belang heeft gehecht. De betogen falen. 2.
- [appellant sub 1c] voert ten slotte nog aan dat verweerder heeft miskend dat het plangebied nabij een aardgasleiding, een brandstofleiding en een tankstation is gelegen waarvan de invloed reikt tot in het plangebied. 2.22.
- Volgens de indicatieve zoneringskaart bij het plan zijn de aardgasleiding en de brandstofleiding buiten het plangebied gelegen. Binnen de aan te houden toetsingafstand van onderscheidenlijk 20 meter en 27 meter van deze leidingen is in het plan geen woonbebouwing voorzien. Voorts zijn geen woningen binnen de ten hoogste aan te houden afstand van 110 meter tot het LPG-vulpunt van het tankstation voorzien. Gelet hierop, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre uit het oogpunt van externe veiligheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- De conclusie is dat de voorgedragen beroepsgronden alle falen. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen, voor zover die niet zijn ingesteld door [zes appellanten sub 1], [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], [appellant sub 2], [appellant sub 1c], [appellanten sub 3], niet-ontvankelijk, en voor zover dat wel is gebeurd, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Broekman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008 12-516.