(2003), ze buiten het groenblauwe raamwerk zijn gelegen (vanwege de kwetsbaarheid van de aanwezige waarden), er wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en milieueisen en handhaven niet tot de mogelijkheden behoort." 2.12.
- Op pagina 236 van het streekplan staat het volgende vermeld: "De overige beleidsuitspraken hebben niet de 'hardheid' van een essentiële beleidsuitspraak. Het zijn evengoed richtinggevende beleidsuitspraken waar bestemmingsplannen aan getoetst worden. In daarvoor in aanmerking komende gevallen mogen gedeputeerde staten daarvan afwijken binnen de volgende grenzen. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het in dit plan neergelegde beleid zal worden bekeken of er desondanks toch redenen aanwezig zijn om een dergelijke ontwikkeling gewenst te achten en mogelijk te maken. Hierbij worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen." 2.12.
- Het terrein 'De Zilverspar' is in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw aangelegd als recreatieterrein met 20 recreatiewoningen en 1 bedrijfswoning aan de [locatie]. Niet in geschil is dat deze woningen in strijd met de verblijfsrecreatieve bestemming van het voorheen geldende plan worden gebruikt voor permanente bewoning. Naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen heeft de raad er voor gekozen om het illegale gebruik van de recreatiewoningen te legaliseren door aan het terrein de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wooncomplex (wx)" toe te kennen. Daarbij heeft de raad onder meer het volgende overwogen: "De bestaande situatie rond het terrein van "de Zilverspar" maakt het niet aannemelijk dat de daarop staande recreatiewoningen in de toekomst nog overeenkomstig de verblijfsrecreatieve bestemming zullen worden gebruikt. Het terrein zelf en de directe omgeving daarvan heeft de recreant weinig te bieden (…) De woningen worden al gedurende een periode van zo'n 25 jaar permanent bewoond, zonder dat daartegen door de gemeente is opgetreden, terwijl het gebruik voor permanente bewoning bij de gemeente niet onbekend was. Gezien het langdurige tijdsverloop moet het uit een oogpunt van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen uitgesloten worden geacht dat het gemeentebestuur nu nog tegen de permanente bewoning gaat optreden. Het feit dat de bewoners in deze periode ongestoord de woningen permanent hebben bewoond heeft bij hen bepaalde verwachtingen gewekt. Niet alleen voor wat betreft de permanente bewoning door hen zelf, maar ook voor wat betreft de permanente bewoning door mogelijke rechtsopvolgers. Het gebied ligt in een gebied dat op kaart Ontwikkelingsvisie is aangemerkt als intensief rode zwermgebied (…) De gebieden vragen om een specifiek ruimtelijk, gebiedsgerichte benadering. De intensief rode zwermgebieden lenen zich bij uitstek voor verdere concentratie en verweving van de functies niet-agrarische bedrijvigheid (…) Wanneer de woningen getoetst worden aan het Bouwbesluit, dan moet worden geconstateerd dat daaraan wordt voldaan. Wat betreft de milieuaspecten kan worden geconstateerd, dat bij de milieuvergunning voor de pluimveeslachterij voor wat betreft geur de woningen zijn aangemerkt als recreatiewoning (…) Bij de geluidhinder is rekening gehouden met de permanente bewoning. Gezien de ligging ten opzichte van de omliggende bedrijvigheid is de bestaande situatie die bestaat uit permanente bewoning niet al te gelukkig, maar datzelfde geldt ook wanneer er sprake zou zijn van verblijfsrecreatiewoningen die voor verblijfsrecreatie worden gebruikt.". 2.12.
- Voor zover De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd dat het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen onredelijk is, omdat dit in strijd is met het beleid van de Nota ruimte, overweegt de Afdeling het volgende. Het beleid van de Nota ruimte laat provincies en gemeenten de ruimte om de recreatiefunctie van bestaande recreatiewoningen te wijzigen naar een woonfunctie, mits aan de gebruikelijke voorwaarden voor woningbouw wordt voldaan. Reeds omdat dit beleid niet noopt tot het zonder meer toestaan van de permanente bewoning van recreatiewoningen, is het in het streekplan neergelegde beleid zoals dat hiervoor onder 2.12.3 is weergegeven daarmee niet in strijd. Hetgeen De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen als zodanig onredelijk is. 2.12.
- Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de permanente bewoning van de recreatiewoningen jarenlang is gedoogd in beginsel niet in de weg staat aan handhavend optreden. Aan voormelde omstandigheid kunnen de bewoners van de recreatiewoningen niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat nimmer meer handhavend zal worden opgetreden. Dat andere omstandigheden aan handhaving in de weg staan, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onduidelijk is of de recreatiewoningen voldoen aan het Bouwbesluit 2003 en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het terrein 'De Zilverspar' ligt in de nabijheid van onder meer een pluimveeslachterij en de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat zijn niet in kaart gebracht. Gezien het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet wordt voldaan aan de in het streekplan gestelde voorwaarden voor omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen. 2.12.
- Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het gebied waar het terrein 'De Zilverspar' deel van uitmaakt niet kan worden aangemerkt als buitengebied, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid - wat daarvan ook zij - niet meebrengt dat zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen. Dat een verblijfsrecreatieve bestemming niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd hebben appellanten verder niet aannemelijk gemaakt. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen grond aanwezig is om af te wijken van het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen. 2.12.
- Voor zover De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens wordt geschonden, overweegt de Afdeling dat, voor zover al sprake is van een aantasting van het recht op ongestoord genot van hun eigendom, voormelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet laat. De in de WRO neergelegde bevoegdheid van het college om goedkeuring te onthouden aan een plan moet worden beschouwd als een zodanige regulering. 2.12.
- De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.12.
- De beroepen zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.
- Appellant voert aan dat de uitbreiding van de woning [locatie] ten onrechte niet als zelfstandige woning is bestemd, aangezien deze met instemming en medeweten van de gemeente is ontstaan. 2.13.
- Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Wonen" toe. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor wonen. Het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer bedragen één. 2.13.
- Bij besluit van 10 september 1996 is een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning [locatie] ten behoeve van inwoning. Deze bouwvergunning is blijkens de stukken verleend met toepassing van de Nota inwoning. Uitgangspunt van deze nota is dat in het geval een woning wordt vergroot ten behoeve van inwoning sprake blijft van één woning. Tegen deze achtergrond kan niet staande worden gehouden dat een bouwvergunning voor een zelfstandige woning is verleend als het gaat om de uitbreiding van de woning [locatie]. Evenmin kan staande worden gehouden dat voormelde uitbreiding nadien als zelfstandige woning is aangemerkt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de op 15 november 2002 verleende bouwvergunning niet kan worden afgeleid dat sprake is van twee zelfstandige woningen op het perceel [locatie], aangezien deze bouwvergunning uitsluitend is verleend voor het bouwen van een bijgebouw op voormeld perceel. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de uitbreiding van de woning [locatie] als zelfstandige woning - derhalve als woning [locatie b] - in strijd zou zijn met beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. 2.13.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.13.
- Het beroep is ongegrond. Het beroep van Albouw B.V. 2.
- Appellante voert aan dat op het perceel [locatie] ten onrechte slechts 210 m2 vloeroppervlak voor detailhandel als zodanig is bestemd. Verder is volgens appellante de handel in keukens en sanitair en de daarbij behorende showroom ten onrechte niet als zodanig bestemd. 2.14.
- Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" alsmede de aanduidingen "bouwnijverheid (bbo)" en "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" toe. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "bouwnijverheid (bbo)" en "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" aangegeven gronden bestemd voor bouwnijverheid en tevens detailhandel in bouwmaterialen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, bedraagt de oppervlakte van de gebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte zoals weergegeven in bijlage 2 "overzicht niet-agrarische functies". In bijlage 2 staat vermeld dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt. 2.14.
- Appellante verkoopt doe-het-zelf-artikelen alsmede keukens en sanitair aan particulieren aan de [locatie]. In de planvoorschriften is geen definitie opgenomen voor het begrip "detailhandel in bouwmaterialen". Hierdoor is onduidelijk of het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie] betrekking heeft op de verkoop aan particulieren van alle in het assortiment opgenomen doe-het-zelf-artikelen alsmede keukens en sanitair. Verder is in bijlage 2 van de planvoorschriften een te geringe oppervlakte ten behoeve van detailhandel opgenomen, reeds omdat op 6 maart 1985 een bouwvergunning is verleend voor het vergroten van een (keuken)showruimte en de oppervlakte daarvan blijkens het deskundigenbericht 330 m2 bedraagt. 2.14.
- De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie] en bijlage 2 van de planvoorschriften, voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt, zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door niettemin in zoverre aan het plan goedkeuring te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel en artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.14.
- Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormelde planonderdelen. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden. Het beroep van [appellant sub 10] 2.
- Appellant voert aan dat ten onrechte niet is toegestaan dat de recreatiewoning [locatie] permanent kan worden bewoond. 2.15.
- Plankaart 4 kent aan het perceel [locaties] de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "mobiele kampeermiddelen, recreatiewoningen en stacaravans (vrws)" toe. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Verblijfsrecreatie" aangegeven gronden bestemd voor verblijfsrecreatie. Op gronden aangeduid met "vrws" is uitsluitend de bedrijfsmatige exploitatie van kampeermiddelen, recreatiewoningen, stacaravans en bijbehorende voorzieningen begrepen. Blijkens de in dit planvoorschrift opgenomen tabel zijn ter plaatse 3 recreatiewoningen, 0 stacaravans en 1 bedrijfswoning toegestaan. 2.15.
- Het voorheen geldende plan kende aan de gronden ter plaatse van de recreatiewoning [locatie] een verblijfsrecreatieve bestemming toe. Blijkens het deskundigenbericht is de recreatiewoning in strijd met deze bestemming jarenlang gebruikt ten behoeve van permanente bewoning totdat daartegen in 2005 handhavend werd opgetreden. Het betoog van appellant dat bij de partiële herziening van het voorheen geldende plan op 19 mei 1994 niet is onderkend dat de recreatiewoning permanent werd bewoond, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. 2.15.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.15.
- Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13] 2.
- Appellant voert aan dat de thans aan het perceel [locatie] toegekende bestemming minder mogelijkheden biedt dan het geval was onder het voorheen geldende plan. Hij acht dit onwenselijk. 2.16.
- Plankaart 2 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" alsmede de aanduidingen "installatiebedrijf (bi)" en "kantoor toegestaan (k)" toe. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "installatiebedrijf (bi)" aangeven gronden bestemd voor een installatiebedrijf. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, bedraagt de oppervlakte van de gebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte zoals weergegeven in bijlage 2 "overzicht niet-agrarische functies". In bijlage 2 staat vermeld dat op het adres [locatie] de oppervlakte 514 m2 bedraagt, waarvan 200 m2 ten behoeve van kantoor. 2.16.
- Appellant exploiteert op het perceel [locatie] een loodgieterbedrijf. Verder verhuurt appellant een gedeelte van zijn gebouwen aan derden. Deze verhuurde gebouwen zijn ingericht als kantoor van een reclamebureau. Niet in geschil is dat de oppervlakte van de gebouwen in totaal 514 m2 bedraagt, waarvan 200 m2 wordt gebruikt als kantoor van een reclamebureau. Blijkens de stukken vielen de gebouwen van appellant eerder onder de bestemming "Verzorgend bedrijf" en liet deze bestemming bij recht nog een vergroting van de oppervlakte van de gebouwen toe met 75 m
- Verder liet deze bestemming verschillende soorten bedrijvigheid toe welke thans niet meer zijn toegestaan. Bij het opstellen van het plan heeft de raad er voor gekozen om niet-agrarisch bedrijvigheid specifiek te bestemmen. Volgens de plantoelichting verdient deze wijze van bestemmen de voorkeur, aangezien, vanuit een oogpunt van ruimtebeslag, de functie niet-agrarische bedrijvigheid in zijn algemeenheid ondergeschikt is aan de functies landbouw en natuur in het buitengebied. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunt om deze plansystematiek als zodanig onredelijk te achten. Anders dan de raad en het college veronderstellen, is de functie kantoor in dit geval evenwel niet als zodanig bestemd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de op de plankaart aangegeven aanduiding "kantoor toegestaan (k)" niet in de in de planvoorschriften vermelde omschrijving van de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" is opgenomen. De vermelding in bijlage 2 van de planvoorschriften van de oppervlakte voor de functie kantoor is in dit verband onvoldoende, aangezien hieruit niet kan worden afgeleid dat de desbetreffende gronden mede bestemd zijn voor een kantoor van een reclamebureau dat in functioneel opzicht los staat van het installatiebedrijf van appellant. 2.16.
- De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door niettemin in zoverre goedkeuring aan het plan te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.16.
- Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Het beroep van [appellant sub 14] 2.
- Appellant voert aan dat artikel 10, tweede lid, onder a, van planvoorschriften meebrengt dat, bij vergroting van de bestaande inhoud van woningen, de inhoud van de woningen aan de westzijde blijft verschillen van de inhoud van de woningen aan de oostzijde van de [locatie]. Hij acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder voert appellant aan dat door de plaatsing van verkeersborden de verwachting is gewekt dat onder meer zijn woningen aan de [locaties] behoren tot de bebouwde kom en dat deze zouden kunnen worden uitgebreid tot een inhoud van 600 m
- 2.17.
- Plankaart 4 kent zowel aan percelen ten oosten als aan percelen ten westen van de [locatie] de bestemming "Wonen" toe. Het perceel van appellant aan de [locaties] ligt ten westen van de [locatie]. Ook aan dit perceel kent plankaart 4 de bestemming "Wonen" toe. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor wonen. Ingevolge het tweede lid, onder a, voor zover hier van belang, mag de inhoud van een woning niet meer bedragen dan de bestaande inhoud vermeerderd met maximaal 100 m3, met dien verstande dat de inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 600 m3 en dat de inhoud van vrijstaande woningen tenminste 400 m3 mag bedragen. 2.17.
- Blijkens de plantoelichting is de mogelijkheid om de bestaande inhoud van woningen te vergroten in artikel 10, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften opgenomen om te voldoen aan de toekomstige woonbehoeften van bewoners. Daarbij heeft de raad, tegen de achtergrond van het provinciale beleid terzake, gekozen voor gedifferentieerde uitbreidingsmogelijkheden voor woningen. De Afdeling overweegt dat weliswaar niet is uitgesloten dat artikel 10, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften meebrengt dat, bij vergroting van de bestaande inhoud van woningen, de inhoud van de woningen aan de westzijde blijft verschillen van de inhoud van de woningen aan de oostzijde van de [locatie], maar dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat bestaande ongelijkheden in de inhoud van woningen moeten worden opgeheven. Aan de plaatsing van verkeersborden kan appellant verder niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de raad het plan zodanig zou vaststellen dat de door appellant bedoelde woningen kunnen worden uitbreid tot een inhoud van 600 m
- Voor zover het bij de plaatsing van verkeersborden al zou gaan om een toezegging, is namelijk niet gebleken dat deze aan de raad is toe te rekenen. 2.17.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.17.
- Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 15] 2.
- Appellant betoogt dat aan dat zijn perceel [locatie] ten onrechte niet de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" is toegekend. 2.18.
- Plankaart 2 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" toe. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is ten behoeve van agrarische bedrijven bebouwing toegestaan uitsluitend voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van op de plankaart met "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" aangegeven bestaande bedrijven. 2.18.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid tegemoet kan worden gekomen aan de door appellant gewenste bestemming voor het perceel [locatie] en dat alsdan de zekerheid bestaat dat zal worden voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden. 2.18.
- De Afdeling overweegt dat de mogelijke toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de raad niet ontslaat van de verplichting om die bestemming toe te kennen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Vast staat dat van een middelgroot agrarisch bedrijf op het perceel [locatie] geen sprake is geweest. Verder is niet gebleken van plannen voor een dergelijk bedrijf ter plaatse. 2.18.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie] niet nodig is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin in zoverre goedkeuring aan het plan te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.18.
- Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Het beroep van de raad 2.
- De raad betoogt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Putten, sectie F, no. 2124 (hierna: de Goorsteeg). 2.19.
- Het college wijst er in het bestreden besluit op dat hij heeft ingestemd met de wijziging van het voorheen geldende plan ten behoeve van het opnemen van een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg. Nu de raad bij amendement het bouwperceel voor deze intensieve veehouderij zonder diepgaande motivering heeft geschrapt, acht het college het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Op grond hiervan alsmede op grond van de door [partij b] ingediende bedenkingen heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg. 2.19.
- De Afdeling stelt voorop dat de raad de vrijheid toekomt om die bestemming aan de gronden ter plaatse van de Goorsteeg toe te kennen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarbij kan de raad een bestemming toekennen die afwijkt van de eerder, na wijziging van het voorheen geldende plan, toegekende bestemming. Voor zover het standpunt van het college in het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat hij van mening is dat onvoldoende recht is gedaan aan de belangen van de eigenaar van het perceel aan de Goorsteeg overweegt de Afdeling het volgende. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2005, no. 200406676/1, volgt dat [partij b] er op mocht vertrouwen dat zodra aan de in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 gestelde voorwaarden was voldaan, dit college tot wijziging van het bestemmingsplan zou overgaan, zodat op het perceel aan de Goorsteeg een intensieve veehouderij zou kunnen worden gevestigd. De bevoegdheid tot het vaststellen van een plan berust evenwel niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 kan daarom niet gelden als een aan de raad toe te rekenen toezegging om bij de vaststelling van een nieuw plan een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg op te nemen. Voor zover het college ter zitting heeft uiteengezet dat het reconstructieplan Gelderse Vallei en Utrecht Oost alsmede het streekplan zich niet verzetten tegen de vestiging van een intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheden - wat daar ook van zij - niet nopen tot het opnemen in het plan van een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg. 2.19.
- De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg onzorgvuldig tot stand is gekomen. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan dit plandeel te onthouden, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.19.
- Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is onthouden aan voormeld plandeel. Het beroep van [appellant sub 18] 2.
- Appellant kan zich niet verenigen met de in de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid om een agrarische in een verblijfsrecreatieve bestemming te wijzigen. Daartoe voert appellant aan dat hij gebouwen met een oppervlakte van meer 700 m2 wil gebruiken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden en dat hij daarvoor om bedrijfseconomische redenen geen bedrijfsgebouwen wil slopen. 2.20.
- Plankaart 3 kent aan het perceel van appellant aan de [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "groot agrarisch bedrijf (ag)" toe. Ingevolge artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouder overeenkomstig artikel 11 van de WRO het plan wijzigen voor wat betreft het bij agrarische bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak ten behoeve verblijfsrecreatieve bedrijven, met dien verstande dat: (…) u. hergebruik of nieuwbouw uitsluitend is toegestaan tot maximaal 700 m2 onder de volgende voorwaarden:
- de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing voor de nieuwe functie kan tot 500 m2 worden toegestaan onder voorwaarde dat eenzelfde oppervlak aan bebouwing wordt gesloopt. Wanneer de oppervlakte van de nieuwe functie meer dan 500 m2 bedraagt met een maximum van 700 m2, dan dient voor de oppervlakte die de 500 m2 te boven gaat, tweemaal zoveel bebouwing te worden gesloopt. (…) 2.20.
- Op pagina 75 in paragraaf 2.3.5 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Als kleinschalige bedrijvigheid in het buitengebied op passende schaal van start kan gaan, kan de vraag naar uitbreiding leiden tot een niet-passende omvang en impact. Daarom wordt voor niet-agrarische bedrijvigheid een maximum gehanteerd van 500 m2 vloeroppervlak per locatie. De resterende vrijgekomen gebouwen worden gesloopt.". Op pagina 76 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Van de in paragrafen 2.1.4, 2.34 en 2.3.5 gehanteerde maatvoering kan worden afgeweken, mits passend in een door gedeputeerde staten geaccordeerde regionale beleidsinvulling voor functieverandering. (…)". 2.20.
- Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften, aangezien dit planvoorschrift niet in overeenstemming is met het toepasselijke (generieke) beleid van het streekplan en niet is voldaan aan de voorwaarden om van dit beleid af te wijken. Door deze onthouding van goedkeuring is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegen artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. Het college heeft in redelijkheid voormelde motivering aan de onthouding van goedkeuring aan artikel 30, derde lid, van de planvoorschriften ten grondslag kunnen leggen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de maatvoering voor hergebruik of nieuwbouw alsmede voor de sloop van bebouwing in artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften niet in overeenstemming is met paragraaf 2.3.5 van het streekplan en dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen door het college geaccordeerde regionale beleidsinvulling was vastgesteld om af te wijken van het streekplan. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat het beleid zoals neergelegd in het streekplan er op is gericht om grootschalige niet-agrarische bedrijvigheid en/of bedrijven die veel mobiliteit genereren te weren uit het buitengebied. 2.20.
- Ten aanzien van een aantal bezwaren heeft appellant zich in zijn beroepschrift beperkt tot een vrijwel letterlijke herhaling van de bedenkingen. In de overwegingen van het besluit van het college is ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de betreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 2.20.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.20.
- Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 19] 2.
- Appellant voert aan dat ten onrechte niet is tegemoet gekomen aan zijn verzoek om op het perceel kadastraal bekend gemeente Putten, sectie […], nummer […], een woning toe te staan. Hij wijst in dit verband op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan en het gemeentelijke beleid voor intensieve rode zwermgebieden zoals aangegeven op de 'kaart ontwikkelingsvisie'. 2.21.
- Plankaart 4 kent aan voormeld perceel de bestemming "Landelijke bedrijven" en de aanduiding "loonbedrijf" toe. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Landelijke bedrijven" met de aanduiding "loonbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een loonbedrijf. 2.21.
- De woning die op voormeld perceel heeft gestaan is blijkens de stukken in 1965 afgebrand en nimmer herbouwd. Gelet hierop voorzag het voorheen geldende plan dat in 1970, derhalve vijf jaar later, is vastgesteld niet in een woning ter plaatse en kan appellant geen beroep doen op het in dit plan opgenomen bouwovergangsrecht. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is daarbij niet van belang dat hij destijds niet in staat was om bezwaar te maken tegen de vaststelling en goedkeuring van het voorheen geldende plan. Het beleid voor intensieve rode zwermgebieden, voor zover hier van belang, heeft blijkens de plantoelichting betrekking op de realisering van woningen in het kader van functieverandering. Van functieverandering is in het onderhavige geval evenwel geen sprake. Gezien het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen vasthouden aan zijn beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. 2.21.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.21.
- Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 20] 2.
- Appellant stelt zich op het standpunt dat aan het perceel [locatie] ten onrechte de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" in plaats van een volwaardige agrarische bestemming is toegekend. Daartoe voert hij aan dat de woning [locatie] niet belemmerend is voor de (uitbreiding van) zijn veehouderij. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de activiteiten bestaande uit de verkoop van afrasteringen en verzorgingsartikelen voor schapen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. 2.22.
- Plankaart 2 kent aan het perceel Beekweg 14 de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteiten" toe. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen met agrarische nevenactiviteiten" aangegeven gronden bestemd voor wonen, aan huis verbonden bedrijven alsmede agrarische nevenactiviteit. 2.22.
- Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" dat ziet op het perceel Beekweg
- Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit van het college, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.22.
- Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. In verband hiermee behoeft het beroep van appellant geen verdere bespreking. Het beroep van [appellante sub 21] 2.
- Appellante stelt zich op het standpunt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en de aanduiding "glastuinbouw (gt)" dat ziet op het perceel [locatie], nu geen sprake is van nieuwvestiging op deze locatie. 2.23.
- Het college heeft goedkeuring onthouden aan voormeld plandeel, aangezien het streekplan zich verzet tegen nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf op deze locatie. 2.23.
- Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en "glastuinbouw (gt)" toe. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw (gt)" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf. 2.23.
- Op pagina 105 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Nieuwvestiging van gladtuinbouwbedrijven is mogelijk in de concentratiegebieden Huissen-Bemmel en de Bommelerwaard. In die gebieden worden geen planologische beperkingen gesteld aan de omvang van bedrijven. Buiten deze gebieden is nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven niet mogelijk.". 2.23.
- Rond 1955-1956 is op het perceel [locatie] een aantal kassen geplaatst. Nu de bestemming "Agrarische doeleinden IV" die het voorheen geldende plan aan het perceel toekende de bouw van gebouwen uitsloot, moet worden vastgesteld dat de kassen in het voorheen geldende plan niet als zodanig waren bestemd. De kassen verkeren blijkens het deskundigenbericht thans voor het overgrote deel in een vervallen staat, worden overwoekerd door struiken en bomen en zijn deels dichtgetimmerd. Deze vervallen kassen worden volgens het deskundigenbericht al geruime tijd niet meer gebruikt voor het kweken van tuinbouwgewassen. De op het perceel aanwezige kassen die daarvoor wel geschikt zijn, zijn blijkens het deskundigenbericht in 2005 zonder bouwvergunning vernieuwd. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft gesteld over de exploitatie van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse en de stukken die zij in dit verband heeft overgelegd geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van voormelde constateringen in deskundigenbericht. Gezien het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en "glastuinbouw (gt)" dat ziet op het perceel Brijstroetweg 7a niet voorziet in de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf. 2.23.
- De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.23.
- Het beroep is ongegrond. Proceskosten 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 4], [appellante sub 17] en anderen, Albouw B.V., [appellant sub 15], de raad alsmede [appellant sub 20] te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 20] heeft verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten wordt dit verzoek afgewezen, nu het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet in een forfaitaire vergoeding van de proceskosten en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hiervan wordt afgeweken. Wat betreft [appellant sub 13] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellant sub 1],[appellant sub 2], RGV Holding B.V., Sauna Drome Holding B.V., [appellanten sub 6], De Zilverspar U.A. en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 18], [appellante sub 21] en [appellant sub 19] bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 19] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover daarin is bepaald dat het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal, alsmede het beroep van [appellant sub 20] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel [locatie] niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van [appellant sub 20] voor het overige, het beroep van [appellante sub 17] en anderen gedeeltelijk alsmede de beroepen van [appellant sub 4], Albouw B.V., [appellant sub 13], [appellant sub 15] en de raad van de gemeente Putten geheel gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-008331, voor zover daarbij ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op de woning [locatie], het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie], het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan Goorsteeg ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Putten, sectie F, no. 2124, het plandeel met de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" dat ziet op het perceel [locatie] alsmede bijlage 2 van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt; IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-008331, voor zover daarbij ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie]; V. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op de woning [locatie], het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie] alsmede bijlage 2 van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de onder V genoemde planonderdelen betreft; VII. verklaart de beroepen van [appellant 19] en [appellante sub 17] en anderen voor het overige alsmede de beroepen van [appellant sub 1],[appellant sub 2], RGV Holding B.V., Sauna Drome Holding B.V., [appellanten sub 6], De Zilverspar U.A. en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 18] en [appellante sub 21] geheel ongegrond; VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de bij onderstaande appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten: - aan A.J.H. barones van Lynden een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - aan Albouw B.V. een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - aan Linde Vastgoed Maatschappij B.V. en anderen, G. van den Broek, de raad van de gemeente Putten en B.A. van Wijncoop elk een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro) in alle gevallen geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IX. gelast dat de provincie Gelderland aan onderstaande appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: - aan [appellante sub 17] en anderen, Albouw B.V. alsmede de raad van de gemeente Putten elk een bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro); - aan [appellant sub 4], [appellant sub 13], [appellant sub 15] alsmede [appellant sub 20] elk een bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro). Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Jansen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008 399.