(2005)en de toekomstige situatie in 2010 en 2015 na verwezenlijking van het plan en in de autonome ontwikkeling. De berekening heeft plaatsgevonden met behulp van het rekenprogramma CAR II, versie 4.
- De concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) zijn berekend op tien, vijftien en twintig meter van de as van de weg. In het luchtkwaliteitsrapport is uitgegaan van het snelheidstype doorstromend stadsverkeer en van verkeersintensiteiten die ter beschikking zijn gesteld door de afdeling Verkeer en Vervoer van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente. De slotconclusie van het luchtkwaliteitsrapport is dat het bestemmingsplan voldoet aan het Blk
- 2.36.
- In opdracht van Stichting Bewonerscomités is door drs. E.M. Korevaar van EW Milieu-advies het rapport Luchtkwaliteit Nieuw Trapezium (Nieuw Crooswijk) uitgebracht, gedateerd 13 november 2006 (hierna: het tegenrapport). Het tegenrapport heeft betrekking op de situatie ter plaatse van het nieuwbouwplan Nieuw Trapezium in
- Volgens het tegenrapport wordt de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, anders dan in het luchtkwaliteitsrapport is vermeld, wel overschreden. Voorts is ten onrechte uitgegaan van een te gunstige snelheidstypering voor stadsverkeer en is ten onrechte nagelaten de cumulatieve gevolgen van de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat te berekenen. Indien gerekend zou zijn met stagnerend verkeer en de cumulatieve gevolgen wel in de berekening zouden zijn betrokken, zou de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide volgens het tegenrapport nog meer zijn overschreden en zou ook de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) ruim worden overschreden. Voorts concludeert het tegenrapport dat vanwege het grotere aantal woningen ter plaatse meer mensen zullen worden blootgesteld aan te hoge concentraties luchtverontreinigende stoffen. 2.36.
- Stichting Bewonerscomités heeft een aanvullende notitie van EW Milieu-advies, gedateerd 26 juni 2007, ingebracht. Volgens deze notitie leidt het bestemmingsplan tot een verdere verhoging van het maximale aantal dagen dat de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) mag worden overschreden. Voorts zijn andere wegen, zoals de Rusthoflaan, Paradijslaan en Nieuwe Crooswijkseweg, niet op de luchtkwaliteit onderzocht en zijn een onjuiste snelheidstypering en een onjuiste bomenfactor toegepast. Ook is ten onrechte geen toeneming van verkeer gemodelleerd ten gevolge van het plan op de omliggende wegen Boezemlaan en Nieuwe Boezemstraat. Voor de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat is ten onrechte niet gerekend met het snelheidstype normaal stadsverkeer. Ter hoogte van de nieuwbouw Nieuw Trapezium zal de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide worden overschreden. Er zullen volgens de aanvullende notitie meer inwoners aan de te hoge concentratie worden blootgesteld. 2.36.
- De gemeenteraad heeft het rapport Aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek Nieuw Crooswijk, gedateerd 9 juli 2007 ingebracht. Het doel van dit aanvullende onderzoek is het eerder uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek te actualiseren. De uitgangspunten, zoals het bouwprogramma, de onderzochte jaren en de verkeersintensiteiten, zijn daarbij gelijkgesteld aan die in het rapport van 15 maart
- De verschillen komen voort uit de wijziging van het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit, versie 6.0 van het model CAR II en een wijziging van het provinciale beleid. Voorts is het snelheidstype doorstromend stadsverkeer vervangen. Voor de Boezemlaan is als invoergegeven het snelheidstype normaal stadsverkeer toegepast en voor de Nieuwe Boezemstraat het snelheidstype stadsverkeer met minder congestie. Volgens de conclusies van dit rapport draagt het plan niet bij aan een toeneming van een overschrijding van een grenswaarde uit het Blk 2005 en worden geen extra mensen in het plangebied blootgesteld aan concentraties luchtverontreinigende stoffen boven de grenswaarden van het Blk
- 2.36.
- Op 20 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de gemeentelijke nota vastgesteld. Deze geeft aan hoe het gemeentebestuur om gaat met het Besluit luchtkwaliteit. Als één van de uitgangspunten voor de strategie is voor het voldoen aan de grenswaarde van 40 microgram per m3 voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide vermeld dat herstructurering alleen kan plaatsvinden als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. Deze afspraken zijn bevestigd in de nota Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit van november
- 2.
- Uit het luchtkwaliteitsrapport volgt dat in 2015 op vier rekenplaatsen voor zover het de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) betreft, sprake is van een verslechtering in een overschrijdingssituatie met in alle vier gevallen één dag ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Gelet hierop heeft verweerder zijn standpunt dat deze concentratie in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005, niet op het luchtkwaliteitsrapport kunnen baseren. Hierbij komt dat de Afdeling er, op grondslag van de beschikbare stukken, onvoldoende van is overtuigd dat in de berekeningen inzake de extra verkeersintensiteiten door de planontwikkeling is uitgegaan van reële, op die ontwikkeling afgestemde percentages. Verweerder noch de gemeenteraad heeft voorts overtuigend kunnen verklaren waarom voor de Boezemlaan en de Nieuwe Boezemstraat, in tegenstelling tot de andere beoordeelde wegvakken, geen verhoging van de verkeersintensiteit door de planontwikkeling ten opzichte van de autonome situatie is berekend. De Afdeling is er voorts niet van overtuigd dat de verkeersintensiteiten voor het jaar 2014 op goede gronden ook konden worden gebruikt voor het bepalen van de luchtkwaliteitssituatie in
- Zij ziet in dat verband niet in waarom de verkeersintensiteiten niet voor 2015 konden worden doorberekend, ook al zouden daarbij slechts kleine verschillen optreden. Wat betreft de in de berekeningen gehanteerde snelheidstyperingen overweegt de Afdeling dat onvoldoende is verklaard waarom, uitgaande van de in de notitie van Gemeentewerken Rotterdam, Verkeer en Vervoer, van 7 maart 2007, vermelde gemiddelde snelheid voor de Boezemlaan van 19 km/uur, is uitgegaan van de typering doorstromend verkeer in plaats van normaal stadsverkeer. Gelet op al het voorgaande slagen de hiervoor besproken beroepsgronden van Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier inzake de luchtkwaliteit. De overige onderdelen van deze beroepsgronden kunnen thans buiten bespreking blijven. De luchtkwaliteitssituatie zal door verweerder opnieuw moeten worden beoordeeld waarbij onder meer de hiervoor vermelde onduidelijkheden dienen te worden betrokken. Daarbij zou ook moeten worden ingegaan op de vraag waarom in het rapport van 9 juli 2007 voor de Nieuwe Boezemstraat, met een gemiddelde snelheid van 25 km/uur, is uitgegaan van het snelheidstype stadsverkeer met minder congestie. Dit snelheidstype ziet op een gemiddelde rijsnelheid van 30 tot 45 km/uur. Geluid 2.
- Stichting Bewonerscomités voert aan dat bij de beoordeling van de geluidssituatie voor het gebied Nieuw Trapezium op de hoek Paradijslaan, Boezemlaan, Nieuwe Crooswijkseweg/Nieuwe Boezemstraat, is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten. Verder is volgens haar niet voldaan aan de voorwaarde in het besluit inzake hogere grenswaarden wat betreft de ligging van één buitenruimte aan de geluidsluwe zijde. Verder bedraagt volgens een rapport van Milieudienst Rijnmond de gevelbelasting van de woningen aan de Boezemlaan 71 dB(A), zodat niet kan worden voldaan aan de vastgestelde hogere geluidsgrenswaarden, aldus appellante. 2.
- Aan het plandeel dat ziet op het gebied Nieuw Trapezium, is de bestemming "Woondoeleinden (WD)" toegekend. Het plan voorziet hier in maximaal 120 nieuw te bouwen woningen. 2.
- Ingevolge artikel 102, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) stelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting, vanwege een weg, voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau als omschreven in artikel 1, regels, inhoudende op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid. Ingevolge artikel 103 van de Wgh kan bij toepassing van artikel 102, telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bepalen dat bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige objecten op het resultaat een door hem aan te geven aftrek mag worden toegepast. Deze aftrek mag niet hoger zijn dan 5 dB(A). 2.40.
- Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a en b, van het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 (hierna: RMW 2002) bedraagt de ingevolge artikel 103 van de Wgh toe te passen aftrek op de waarde van het equivalente geluidsniveau, vanwege een weg, op de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige objecten 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en 5 dB voor de overige wegen. 2.
- In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is door Gemeentewerken Rotterdam een akoestisch onderzoek uitgevoerd, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport van 30 mei
- De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig het RMW
- Uit de in de plantoelichting opgenomen tabel volgt dat de maatgevende geluidsbelasting voor het gebied Nieuw Trapezium ter plaatse van de waarneempunten op de Boezemlaan 65 dB(A), op de Nieuwe Boezemstraat 64 dB(A) en op de Nieuwe Crooswijkseweg 59 dB(A) bedraagt, alle inclusief 5 dB(A) aftrek ingevolge artikel 103 van de Wgh. 2.
- Bij besluit van 3 februari 2006 zijn door verweerder op grond van de Wgh ten aanzien van onder meer het gebied Nieuw Trapezium hogere grenswaarden vastgesteld in verband met de geluidsbelasting van de Boezemlaan, de Nieuwe Boezemstraat en de Nieuwe Crooswijkseweg van onderscheidenlijk 65 dB(A), 64 dB(A) en 59 dB(A). Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de geluidsbelasting van de gevel ter plaatse van ten minste één tot de woning behorende buitenruimten een waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden indien de hogere grenswaarde van de woning meer dan 55 dB(A) bedraagt. 2.
- Bij brief van 23 juni 2006 heeft Milieudienst Rijnmond op verzoek van ERA Bouw B.V. een geluidsrapport opgesteld voor het bouwplan Nieuw Trapezium. Om de geluidsniveaus in de woningen te kunnen bepalen is de geluidwering van de gevels van het bouwplan bepaald. Uit de in de brief opgenomen tabel volgt dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel van Nieuw Trapezium op locatie 7 aan de Boezemlaan 71 dB(A) bedraagt. 2.
- De vastgestelde hogere grenswaarden zijn inmiddels onherroepelijk en kunnen in de bestemmingsplanprocedure niet meer aan de orde komen. Dit laat onverlet dat in het kader van het bestemmingsplan dient te worden bezien of aan de vastgestelde hogere grenswaarden kan worden voldaan. In dat verband overweegt de Afdeling het volgende. Uit de door appellante bedoelde geluidsbelasting van 71 dB(A) aan de Boezemlaan kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat niet aan de hogere grenswaarden kan worden voldaan. De waarde van 71 dB(A) heeft betrekking op de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege de Boezemlaan, de Nieuwe Boezemstraat en de Nieuwe Crooswijkseweg zonder aftrek van vorenvermelde 5 dB(A) en is van belang in het kader van het binnenmilieu. Bij de vaststelling van hogere grenswaarden wordt daarentegen elke weg afzonderlijk beschouwd met een aftrekmogelijkheid van in dat geval 5 dB(A). De Afdeling ziet voorts in hetgeen appellante heeft aangevoerd over de aan het hogere grenswaardenbesluit verbonden voorwaarde geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan ter plaatse van het gebied Nieuw Trapezium biedt, aan die voorwaarde kan worden voldaan. Wat betreft de verkeersintensiteiten zijn in het akoestisch onderzoek voor het jaar 2014 getallen gehanteerd die niet voor alle onderzochte wegvakken met de in de luchtkwaliteitsonderzoeken gehanteerde verkeersintensiteiten overeenkomen. Waarop deze verschillen zijn terug te voeren is de Afdeling niet duidelijk geworden. Daarbij komt dat niet kan worden uitgesloten dat een deel van de op dat punt aan de luchtkwaliteitsonderzoeken ten grondslag liggende onduidelijkheden ook geldt voor het akoestisch onderzoek. De Afdeling kan derhalve niet vaststellen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de vastgestelde hogere grenswaarden kan worden voldaan. Deze beroepsgrond van Stichting Bewonerscomités slaagt. Uitvoerbaarheid 2.
- Stichting Bewonerscomités voert voorts aan dat de uitvoerbaarheid van het plan, gelet op het tekort in de samenwerkingsovereenkomst en de positieve aannames ten aanzien van de benodigde verwervingen en bedrijfsverplaatsingen, niet is verzekerd. Ook MultiAction Vastgoed en andere alsmede [appellanten sub 7] achten de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd. Zij wijzen er daartoe op dat het voor uitplaatsing van 121 bedrijven bestemde bedrag ten minste een factor vier te laag is. 2.
- In de samenwerkingsovereenkomst is vastgelegd dat de uitvoering van de herstructurering, afgezien van de verwezenlijking van de Brede school, voor rekening en risico van OCNC is. In de plantoelichting is aangegeven dat de herontwikkeling van Nieuw Crooswijk financieel neutraal te realiseren is overeenkomstig de ruimtelijke en programmatische uitgangspunten zoals opgenomen in het masterplan. In het kader van de toets van de financiële haalbaarheid zijn verschillende elementen bekeken: de beschikbaarheid van gronden en terreinen, verwervingskosten en schadeloosstellingen, programmatische mogelijkheden en wensen en de civieltechnische aspecten van de herontwikkeling. Zowel het gemeentebestuur als Woningbedrijf Rotterdam heeft daarbij externe adviseurs betrokken om de aannames op hun validiteit te toetsen. De externe adviseurs hebben de conclusie inzake de uitvoerbaarheid van het plan onderschreven. In de plantoelichting is een overzicht van de grondexploitatie opgenomen met een batig saldo van € 273.000,
- Om de risico's tijdens de uitvoering te verminderen en eventueel te kunnen bijsturen is gekozen voor een gefaseerde herontwikkeling. Voorafgaand aan iedere fase zal gekeken worden in welke mate de oorspronkelijke (financiële en programmatische) uitgangspunten nog gelden en of planaanpassing noodzakelijk is. De vastgoedexploitatie van het plan is opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst en komt, gelet op de verklaring van de zijde van OCNC ter zitting, bij de start van het project neer op een tekort van ongeveer € 4 miljoen op een voor het gehele project totaal begroot bedrag van € 300 tot 400 miljoen. Een tekort komt voor rekening en risico van OCNC. 2.
- Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop de financiële haalbaarheid van het plan is bepaald, onjuist of anderszins ondeugdelijk is geschied. Voor zover het betreft de kostenpost uitplaatsingskosten bedrijven Woningbedrijf Rotterdam van € 3.666.000,00 in de grondexploitatieopzet acht de Afdeling hetgeen appellanten dienaangaande hebben gesteld onvoldoende om aan te nemen dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat deze post te laag is gesteld. In dat verband is van belang dat, zoals in het bestreden besluit is aangegeven, niet alle bedrijven recht op een vergoeding hebben en dat in artikel 15 van de samenwerkingsovereenkomst garantiebepalingen zijn opgenomen om eventuele tekorten te dekken. Voorts is ter zitting van de zijde van OCNC benadrukt dat het door appellanten bedoelde bedrag ziet op uitplaatsing van bedrijven die huren van Woningbedrijf Rotterdam, en dat daarnaast ook voor uitplaatsing van andere bedrijven gelden zijn gereserveerd. Voor zover het betreft het tekort in de vastgoedexploitatie heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit tekort relatief beperkt is en dat niet uitgesloten behoeft te worden geacht dat dit tekort in de lopende exploitatie wordt ingelopen. Bij het voorgaande komt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de partijen die deel uitmaken van OCNC, onvoldoende draagkrachtig zijn om een eventueel tegenvallende exploitatie te kunnen opvangen. Verweerder heeft dan ook in zijn besluit in redelijkheid van de uitvoerbaarheid van het plan kunnen uitgaan. Conclusies 2.
- De conclusie is dat de beroepen van [appellant sub 2], MultiAction Vastgoed en andere, [appellanten sub 7], en [appellanten sub 8] geen aanleiding geven voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van deze appellanten zijn ongegrond. 2.
- Uit 2.15., 2.
- en 2.
- volgt dat hetgeen Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. 2.49.
- Uit 2.
- en 2.20.
- volgt dat hetgeen Stichting Bewonerscomités heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden II (GD II)" en de aanduiding "H=61" ter hoogte van de Algemene begraafplaats en de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (WD)" en "Gemengde doeleinden I (GD I)" ten noorden en noordoosten van de Rooms-katholieke begraafplaats St. Laurentius, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. 2.49.
- De beroepen van Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier zijn gegrond. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd. 2.49.
- Uit 2.49.
- volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de in 2.49.
- bedoelde plandelen. Proceskostenveroordeling 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier te worden veroordeeld. De door Stichting Bewonerscomités verzochte kosten voor in haar opdracht opgestelde deskundigenrapporten komen tot het in de beslissing genoemde bedrag voor vergoeding in aanmerking. De door Belangenvereniging Schutterskwartier op het proceskostenformulier aangegeven kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking om de reden dat van het maken van zodanige kosten niet is gebleken. Voor een proceskostenveroordeling bestaat wat betreft de andere appellanten geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 november 2006, kenmerk DRM/ARW/06/3196A; IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden II (GD II)" en de aanduiding "H=61" en de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (WD)" en "Gemengde doeleinden I (GD I)", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 november 2006 voor zover het betreft het onder IV. vermelde; VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], MultiAction Vastgoed en andere, [appellanten sub 7], en [appellanten sub 8] ongegrond; VII. veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij Stichting Bewonerscomités in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.300,00 (zegge: dertienhonderd euro); het dient door de provincie Zuid-Holland aan Stichting Bewonerscomités onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij Belangenvereniging Schutterskwartier in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 11,08 (zegge: elf euro en acht cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan Belangenvereniging Schutterskwartier onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan Stichting Bewonerscomités en Belangenvereniging Schutterskwartier het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro), ieder afzonderlijk, vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Bechinka Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008
- plankaart