(2002)". Daarin wordt uitgegaan van het streven naar een gezonde en levensvatbare winkelstructuur met één hoofdvestiging en diverse wijk- en buurtwinkelcentra. Het beleid is daarbij gericht op uitsluiting van detailhandel buiten de aangewezen winkel-, wijk- en buurtcentra. De raad heeft in het plan een verruiming op het voornoemde beleid doorgevoerd voor de op de peildatum 31 augustus 2004 buiten het winkelconcentratiegebied reeds gevestigde detailhandelsbedrijven. Deze bedrijven zijn in het plan eveneens als zodanig bestemd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de toepassing van het voornoemde beleid voldoende ruimte aan detailhandel wordt geboden. 2.3.
- [appellant] heeft bij brief van 24 december 2003 een aanvraag ingediend voor het vestigen van een groothandelsbedrijf in groente, fruit, vlees, vis en Middellandse Zeeproducten aan de [locatie 2]. Onbestreden is dat [appellant] het pand aan de [locatie 2] begin 2004 in gebruik heeft genomen en de activiteiten al daar begin 2005 heeft beëindigd. Op 15 februari 2005 heeft [appellant] een detailhandelsbedrijf gevestigd aan de [locatie 3]. Omdat een detailhandelsbedrijf al daar volgens de raad in strijd is met het geldende plan, heeft de raad een handhavingprocedure opgestart. [appellant] heeft zijn activiteiten aan de [locatie 3] naar aanleiding van dit traject beëindigd. Het pand aan de [locatie 3] is inmiddels door een brand verwoest. 2.3.
- In het plan is aan de gronden aan de [locatie 3 en 2] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend. Detailhandel is binnen deze bestemming uitsluitend toegestaan op gronden met de aanduiding 'detailhandel (Bd)'. De gronden aan de [locatie 3 en 2] hebben in het plan niet een dergelijke aanduiding gekregen en zijn daarmee derhalve ook niet aangewezen voor detailhandelsactiviteiten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt in overeenstemming is met het gemeentelijke detailhandelsbeleid. Immers de [locatie 1] behoort niet tot het winkelconcentratiegebied. Weliswaar werden op de door de raad gehanteerde peildatum door [appellant] aan de [locatie 2] activiteiten ontplooid, maar blijkens de aanvraag betrof het hier een groothandelsbedrijf. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad het bedrijf ter plaatse niet als groothandel, maar als detailhandel had moeten aanmerken. De vertegenwoordiger van de raad heeft ter zitting betoogd dat na de in 2003 uitgevoerde inventarisatie rond de peildatum nogmaals onderzoek is gedaan naar de in het plangebied gevestigde detailhandelsbedrijven. Uit dit onderzoek blijkt volgens hem dat op de peildatum geen detailhandelsbedrijf aan de [locatie 3] gevestigd was. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen reden deze conclusie onjuist te achten. Immers onbestreden is dat op de peildatum [bedrijf C], zijnde een kap- annex beautysalon, aan de [locatie 3] gevestigd was. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. De enkele door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat [bedrijf C] buiten de dienstverleningstaak om als ondergeschikte activiteit haarproducten aan klanten verkoopt, is niet doorslaggevend om het bedrijf als detailhandelsbedrijf in de zin van het plan aan te merken. Het beroep van [appellant] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet aan het gemeentelijke detailhandelsbeleid heeft kunnen vasthouden. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met de bedrijven [bedrijf A], [bedrijf B] en [bedrijf C], wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Hierbij hebben zij aangegeven dat op de peildatum het bedrijf [bedrijf A] aan de [locatie 4] en [bedrijf B] aan de [locatie 5] detailhandelsactiviteiten uitoefenden. De omstandigheid dat [bedrijf A] na de peildatum tijdelijk elders is gehuisvest doet hier niet aan af, aldus het college en de raad. Op het perceel aan de [locatie 6] waar [bedrijf C] thans is gevestigd, bevond zich volgens de raad en het college op de peildatum een detailhandelsbedrijf. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008 466.