200706066/1. Datum uitspraak: 28 mei 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3434 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 juli 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Boxtel. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 juli 2007, verzonden op 18 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, ingekomen op 20 september 2007. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Heesbeen, in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. [appellant] exploiteert op het perceel een dierenpension. Rondom het perceel heeft hij een hekwerk geplaatst. Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom aangeschreven het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel af te breken. Naar aanleiding van dit besluit heeft hij een aanvraag om bouwvergunning ingediend, die bij het college is ingekomen op 21 december 2004, en bij het besluit van 3 januari 2006 is geweigerd. Op het voorste gedeelte van het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch aanverwante bedrijven, dierenpension". Op het achterste gedeelte van het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met gebiedseigen natuurwaarden, kwetsbaar - An -". Voor zover het hekwerk is geplaatst op het voorste gedeelte van het perceel, heeft het college bij besluit van 30 september 2005 alsnog een bouwvergunning verleend. Het geschil ziet op de weigering vergunning te verlenen voor het plaatsen van het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel. 2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het oprichten van het hekwerk geen bouwvergunning nodig is. Hij stelt zich tevens op het standpunt dat het plaatsen van een hekwerk niet is aan te merken als bouwen als bedoeld in de Woningwet. 2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Gelet hierop en op het feit dat in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1; Gst. 2002, 7172, 11), bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Gelet op de definitie van bouwen in de Woningwet, kan het betoog dat het oprichten van het hekwerk niet als bouwen kan worden aangemerkt, niet los worden gezien van de stelling dat het hekwerk geen bouwwerk betreft. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte hetgeen [appellant] aldus heeft gesteld als een te laat aangevoerd argument terzijde gelaten. Het hekwerk, in de vorm van in de grond geplaatste metalen palen waartussen gaaspanelen zijn aangebracht, moet evenwel aangemerkt worden als een bouwwerk, en het oprichten daarvan is bouwen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet. 2.3. Voor haar oordeel dat het hekwerk een bouwvergunningplichtig bouwwerk is, heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2007, nr. 200603920/1 in de procedure over het besluit van 19 november 2004, waarbij het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom heeft aangeschreven het hekwerk op het achterste gedeelte van het perceel af te breken. Hoewel de rechtskracht van voormeld oordeel is beperkt tot het handhavinggeschil terwijl thans de weigering van de bouwvergunning aan de orde is, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het bouwwerk terecht bouwvergunningplichtig heeft geacht. Daartoe wordt het volgende overwogen. 2.3.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt: het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: 1) niet hoger dan 1 meter, of 2) niet hoger dan 2 meter en gebouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.