200707146/1. Datum uitspraak: 4 juni 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellante], appellante, tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/17646 van de rechtbank 's Gravenhage van 27 september 2007 in het geding tussen: [appellante] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) in het kader van het door [appellante] (hierna: de vreemdeling) gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om schadevergoeding, het verzoek alsnog afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 27 september 2007, verzonden op 28 september 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om vergoeding van immateriële schade en bepaald dat de staatssecretaris in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Op 12 februari 2003 heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner. Bij brief van 27 april 2003 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het gemaakte bezwaar. Bij uitspraak van 13 juli 2004 heeft de rechtbank 's-Gravenhage zich onbevoegd geacht van het door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen. Bij uitspraak van 23 december 2004 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen dat zich in het dossier een ambtelijk voorstel aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevindt, gedateerd 19 juni 2001, terzake van de behandeling van een door de vreemdeling bij de vreemdelingendienst ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner, zodat het ervoor moet worden gehouden dat in ieder geval op die dag zodanige aanvraag is gedaan. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de bij haar aangevallen uitspraak vernietigd, het gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de minister opgedragen alsnog een besluit te nemen op de door de vreemdeling ingediende aanvraag. Bij besluit van 2 juni 2005 is de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd en is zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner, met ingang van 7 december 2001, geldig tot 7 december 2005. 2.1.1. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft de vreemdeling een verzoek om schadevergoeding ingediend. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat zij schade heeft geleden, omdat zij vanaf 7 december 2001 ten onrechte niet in bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner, waardoor zij niet mocht werken en zich niet kon verzekeren tegen ziektekosten. 2.1.2. Bij besluit van 16 maart 2007 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het verzoek om vergoeding van materiële schade afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de geschonden norm tot het tijdig beslissen niet strekt tot het beschermen van de vermogensrechtelijke positie van de vreemdeling. Volgens de staatssecretaris zijn de vermogensrechtelijke gevolgen van de toelating in het kader van gezinsvorming, zoals het mogen verrichten van arbeid en min of meer automatisch verzekerd zijn tegen ziektekosten, slechts een neveneffect van het verlenen van een verblijfsvergunning. 2.2. In hoger beroep betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 in zaak nr. C06/081HR (www.rechtspraak.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.