(3)personen. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de statuten, voor zover thans van belang, wordt de stichting vertegenwoordigd door het bestuur alsmede door twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Ingevolge het tweede lid van dat artikel, kan het bestuur aan een bestuurslid of een derde volmacht verlenen om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen. 2.
- De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende] op grond van de machtiging bevoegd was het bestuur te vertegenwoordigen. Zij voert daartoe aan dat de statuten bepalen dat twee bestuursleden de stichting kunnen vertegenwoordigen, waaruit volgt dat twee bestuursleden ook één bestuurslid kunnen machtigen de stichting te vertegenwoordigen. 2.3.
- Op grond van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van artikel 8, eerste lid, van de statuten kan namens de stichting een bezwaarschrift worden ingediend indien dit bezwaarschrift door twee bestuursleden is ondertekend. Hiervan was echter geen sprake, nu het bezwaarschrift alleen was ondertekend door [belanghebbende]. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de statuten was daarvoor een volmacht nodig van het bestuur. Anders dan [belanghebbende] betoogt kan uit deze bepaling gelezen in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de statuten niets anders worden afgeleid dan dat alle bestuursleden, derhalve minimaal drie, deze volmacht dienden te ondertekenen. Nu de door [belanghebbende] overgelegde machtiging van 22 januari 2007 alleen was ondertekend door de secretaris en de penningmeester, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze volmacht niet toereikend is. Het betoog faalt. 2.
- Het betoog van de stichting dat zij heeft voldaan aan het verzoek van de raad in zijn hiervoor reeds genoemde brief van 20 maart 2007 om een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat [belanghebbende] is gemachtigd door degenen die blijkens de statuten bevoegd zijn om een bezwaarschrift in te dienen, treft geen doel. [belanghebbende] had, gelet op artikel 8, tweede lid, van de statuten, moeten begrijpen dat een machtiging van het voltallige bestuur nodig was. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb hoefde de raad [belanghebbende] niet de gelegenheid te bieden om het gebrek in de machtiging te herstellen, nadat [belanghebbende] al in de gelegenheid was gesteld om alsnog een machtiging over te leggen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad het bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren, omdat de overgelegde machtiging niet door het voltallige bestuur was ondertekend. De omstandigheid dat in eerdere procedures niet-ontvankelijkverklaring ondanks een gebrekkige machtiging achterwege is gebleven, betekent niet dat in dit geval niet om een geldige machtiging mocht worden gevraagd. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Lodder lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008 17-560.