(1999). In deze handleiding wordt aanbevolen om voor een standaard eengezinswoning overdag een meethoogte van 1,5 meter boven maaiveld aan te houden en 's avonds en 's nachts een hoogte van 5 meter. Uit de stukken blijkt dat de woningen Veldweg 1 en Boveneind 3 de dichtst bij de inrichting gelegen woningen van derden zijn. Deze woningen zijn gelegen op een afstand van respectievelijk 295 en 300 meter van de inrichting. Niet in geschil is dat dit standaard eengezinswoningen zijn. In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van 8 november 2006 (hierna: het akoestisch rapport), dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, zijn de geluidimmissies berekend die ter plaatse van deze woningen optreden bij het in werking zijn van de inrichting. Uit de berekeningen volgt dat in de dagperiode, beoordeeld op de voor deze periode gebruikelijke 1,5 meter hoogte, ter plaatse van de woning […] een geluidimmissie zal optreden van 31,5 dB(A). De voor deze periode berekende waarde van 33,1 dB(A) waarop de stichtingen doelen, ziet op een meethoogte van 5 meter. Deze meethoogte is hier niet van toepassing. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat niet aan de gestelde grenswaarde van 32 dB(A) kan worden voldaan. 2.3.
- Voor de berekeningen in het akoestisch rapport is voor het bronniveau van de tractoren gebruik gemaakt van bureau-ervaringscijfers op basis van metingen elders, waarbij een bronniveau van 104 dB is gehanteerd. Niet is gebleken dat dit geen representatief bronniveau is voor de in de inrichting gebruikte tractoren of dat de beoordeling van de bijdrage van de geluidbelasting van de tractoren ten opzichte van de totale berekende geluidimmissie op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. 2.3.
- In voorschrift 3.1.4 is bepaald dat op zondagen en algemeen erkende feestdagen tussen 07.00 en 19.00 uur het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gelden van de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur. Het college heeft dit voorschrift gesteld om de zon- en feestdagen extra te beschermen en het college staat op het standpunt dat deze lagere grenswaarden haalbaar zijn omdat in de aanvraag is vermeld dat de werkzaamheden binnen de inrichting op deze dagen tot een minimum worden beperkt. Ter zitting is dit van de zijde van vergunninghouder nogmaals bevestigd dat de belangrijkste geluidveroorzakende activiteit het voeren van de dieren betreft. Uit de door het college in het verweerschrift gemaakte berekening blijkt dat daarmee aan de gestelde lagere grenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen grond om de gemaakte berekening onjuist te achten. De beroepsgronden falen. 2.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Sparreboom voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008 159.