(2007)", dat ten tijde van het besluit op bezwaar inmiddels was vastgesteld, in strijd met de planvoorschriften. 2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat handhaving onevenredig is, omdat in plaats van een coniferenhaag op het weiland op grond van artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet juncto artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije bouwwerken en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) zonder vergunning een erfafscheiding in de vorm van een schutting of hekwerk zou kunnen worden geplaatst. 2.6.1. Ook dit betoog faalt, reeds omdat de stelling dat op het perceel vergunningvrij een hekwerk of schutting zou kunnen worden geplaatst, op een misvatting berust. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: 1º niet hoger dan 1 meter, of 2º niet hoger dan 2 meter en gebouwd:
- a)op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,
- b)meer dan 1 meter achter de voorgevelrooilijn, en
- c)meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen. 2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 oktober 2005 in zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200410184&verdict_id=11787&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200410184/1&utm_term=200410184">200410184/1</a> (www.raadvanstate.nl en BR 2006, 147) moet, in aanmerking genomen de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, aanhef, en onder e, van het Bblb, het hierin gestelde kenmerk aldus worden uitgelegd dat er een in planologisch opzicht functionele relatie bestaat tussen de erf- of perceelafscheiding en het op dat erf of perceel staande gebouw. Indien een erfafscheiding zou worden geplaatst op de plek waar de coniferenhaag stond, wordt een weiland afgegrensd. Dit weiland kan niet worden aangemerkt als een bij het woonhuis van [appellant] behorende buitenruimte. Daarbij is van betekenis dat aan het weiland een agrarische bestemming is toegekend en dat die bestemming het gebruik van de grond ten behoeve van woondoeleinden niet toelaat. Nu tussen het woonhuis en de te plaatsen erfafscheiding op het weiland geen functionele relatie als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, kan het oprichten van een erfafscheiding op het weiland niet als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet worden aangemerkt. 2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank met haar oordeel dat de betonplaat gelegen buiten het bouwblok tevens in strijd is met artikel 7 (lees: artikel 4, zevende lid, aanhef en onder 1.2) van de planvoorschriften buiten de omvang van het geding is getreden. Naar [appellant] stelt heeft het college deze bepaling niet aan zijn besluit ten grondslag gelegd. 2.7.1. Dit betoog faalt. Bij brief van 15 augustus 2006 heeft het college [appellant] meegedeeld dat hij wordt aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 40 van de Woningwet en artikel 4 onder 7 (lees: artikel 4, zevende lid, aanhef en onder 1.2 van de planvoorschriften). Tevens is hem medegedeeld dat het college voornemens is gebruik te maken van zijn formele handhavingsbevoegdheden. Nu het college genoemde bepaling al in vroeg stadium aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank met haar oordeel niet in strijd met artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de omvang van het geding getreden. 2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de betonplaat in de vijver een bouwwerk is, waarvoor op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet een bouwvergunning is vereist. Zijns inziens kan er niet gesproken worden van een constructie. 2.8.1. Ook dit betoog faalt. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1; Gst. 2002, 7172, 11), kan voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". 2.8.2. Mede gelet op de bouwtekening die ter legalisering van de betonplaat is ingediend, en zoals ook ter zitting door [appellant] is erkend, staat vast dat hij voornemens was een vijver te realiseren bestaande uit een bodemplaat van gewapend beton, opstaande randen en zijwanden van plastic folie. Een zodanige constructie moet worden aangemerkt als een bouwwerk. Het betoog faalt. 2.8.3. Nu [appellant] niet over de vereiste vergunning beschikte, was het college bevoegd handhavend op te treden tegen de betonnen bodemplaat. 2.9. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er voor het college geen aanleiding was af te zien van handhavend optreden. Van concreet zicht op legalisering is niet gebleken. Het ten tijde van het besluit op bezwaar vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerland