(29)" staat vermeld. Het perceel wordt voor het grootste gedeelte door de aanwezigheid van water in tweeën gesplitst. Een strook grond van ongeveer twee meter verbindt deze gedeelten. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen komen dubbele vermeldingen ook elders op de plankaart voor en is het niet ongebruikelijk dat hiervoor wordt gekozen om onduidelijkheden, zoals die zich in dit geval met name zouden kunnen voordoen wat betreft de bestemming van elk van beide gedeelten, te vermijden. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het gegeven dat op de plankaart 52 stacaravans zijn ingetekend niet tot een ander oordeel leidt, aangezien aan die vermelding geen juridische betekenis toekomt. Om aan een aanduiding die betekenis te geven, moet de aanduiding in de planvoorschriften worden verklaard en de voorschriften bevatten geen verklaring over de aanduiding. Aan het feit dat het thans vigerende bestemmingsplan minder standplaatsen toestaat dan het vorige plan, kan in deze procedure geen betekenis toekomen, nu het bestemmingsplan onherroepelijk is vastgesteld. Dat het terrein van ruim 2 hectaren met slechts 29 standplaatsen niet rendabel is te exploiteren valt tot slot niet in te zien, reeds omdat [appellante] van 2001 tot 2006 voor hetzelfde terrein vergunning heeft gevraagd voor 29 of minder stacaravans. Het college heeft derhalve terecht een vergunning verleend voor het houden van een kampeerterrein met maximaal 29 stacaravans. 2.
- [appellante] betoogt tot slot dat zij het college heeft verzocht om aanhouding van de bezwaarprocedure in afwachting van de uitkomst in de zaak over de vergunning 2006, dat het college daaraan niet heeft willen voldoen en zonder [appellante] te horen heeft beslist op het bezwaar. 2.5.
- De Adviescommissie voor de bezwaarschriften van Alkemade en Jacobswoude (hierna: de commissie) heeft in haar advies over het bezwaar van [appellante] verwezen naar haar advies en het daarop genomen besluit op bezwaar in de kwestie van de kampeervergunning
- Het bezwaar is volgens de commissie naar aard en strekking gelijkluidend aan het bezwaar tegen de vergunning uit
- Daarom is op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afgezien van het horen van [appellante]. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2003 in zaak nr. 200302801/1; aangehecht) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Ten tijde van het in deze procedure voorliggende advies van de commissie en het besluit op bezwaar, was nog geen sprake van onherroepelijkheid van het besluit van het college over de kampeervergunning
- Van een kennelijk ongegrond bezwaar was naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. Derhalve is ten onrechte afgezien van het horen van [appellante]. Dat de adviescommissie op grond van de Verordening commissie bezwaar- en klaagschriften 2005 zelf heeft besloten [appellante] niet te horen, laat onverlet dat het college een besluit op bezwaar heeft genomen zonder dat [appellante] hierover is gehoord. Het besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het besluit van 24 september 2007 vernietigen wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Nu het college terecht een vergunning heeft verleend voor het houden van een kampeerterrein met maximaal 29 stacaravans, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 januari 2008 in zaak nr. 07/8382; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van 24 september 2007, kenmerk 12.09.07; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alkemade tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Alkemade aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VII. gelast dat gemeente Alkemade aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 713,00 (zegge: zevenhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Smissen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008 419.