200804650/1. Datum uitspraak: 5 september 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/38449 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 20 mei 2008 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 13 september 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op 22 mei 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn) van de Raad van de Europese Unie faalt. Daarvoor heeft de rechtbank, volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat hij, door te verwijzen naar zijn - ongeloofwaardig bevonden - asielrelaas en naar zijn - niet door de staatssecretaris betwiste -Burundese nationaliteit en Hutu-afkomst, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor een "individuele bedreiging", als bedoeld in die bepaling. Aldus is de rechtbank, zo betoogt de vreemdeling, ten onrechte eraan voorbijgegaan dat de Afdeling, bij verwijzingsuitspraak van 12 oktober 2007 in zaak nr. 200702174/1 (www.raadvanstate.nl), over de uitleg van het begrip "individuele bedreiging" prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof). Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank, met bovengenoemde overweging, voorts miskend dat hij afkomstig is uit een gebied in Burundi waar ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden en waartegen geen bescherming kan worden verkregen. 2.1.1. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 2.1.2. Aangezien het Hof de door de Afdeling, bij voormelde verwijzingsuitspraak van 12 oktober 2007, gestelde prejudiciële vragen inzake artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn nog niet heeft beantwoord, is het niet duidelijk wat de criteria zijn om te beoordelen wanneer sprake is van een "individuele bedreiging", als bedoeld in die bepaling. De rechtbank is hieraan, door zelf uitleg te geven aan het begrip "individuele bedreiging", ten onrechte voorbijgegaan. De in de grief vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. 2.1.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2008 in zaak nr. 200800064/1 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.