(1979)heeft overwogen, niet naar voren dat de in het tweede lid van dit artikel bedoelde bepalingen erin zouden behoren te voorzien dat voor een ieder die in de betrokken gemeente met een woonschip wenst te verblijven ook steeds een ligplaats beschikbaar is." 2.5.
- Het feit dat binnen de gemeente Enschede geen vervangende ligplaatsenlocatie voor de woonarken beschikbaar is, brengt met zich dat artikel 88 van de Huisvestingswet toepassing mist. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 november 2001 in zaak nr. 200100971/1 (Gst. 2002, 7160) is met artikel 88 van de Huisvestingswet niet beoogd om iedere gemeente in Nederland de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te creëren, teneinde aan tenminste één woonschip plaats te kunnen bieden op haar grondgebied. Artikel 88, voornoemd, mist derhalve toepassing indien een gemeente niet beschikt over water dat geschikt is voor ligplaatsen van woonarken. 2.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voorts voldoende onderzocht dat verwijdering van de woonarken in het havengebied ook op andere wijze kan geschieden en het gemeentebestuur voornemens is om daadwerkelijk tot verwijdering van de woonarken over te gaan binnen de planperiode. WAVE e.a. hebben niet gesteld dat de overige in het bestreden besluit genoemde mogelijkheden tot verwijdering van de woonarken, waaronder het uitkopen van de woonarkeigenaren en het opzeggen van de bruikleenovereenkomsten door de gemeente, niet kunnen leiden tot verwezenlijking van de bestemming "Kanaal". Voor zover het college zich daarbij op het standpunt stelt dat onteigening tot de mogelijkheden behoort, merkt de Afdeling nogmaals op dat de Onteigeningswet niet van toepassing is op woonarken. Eventuele onteigening van de grond onder de woonarken welke in eigendom is bij de gemeente, brengt geen verandering teweeg in de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de woonarken en in zoverre kan het met onteigening beoogde doel derhalve niet langs deze weg worden bereikt. Desalniettemin volgt uit het voorgaande dat de eis van uitvoerbaarheid van de bestemming "Kanaal" binnen de planperiode voldoende aannemelijk is gemaakt. Het college heeft het bestreden besluit in zoverre genomen met inachtneming van eerdergenoemde uitspraak van 31 januari
- 2.
- Met betrekking tot het betoog van WAVE e.a. dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat WAVE e.a. niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een bestemming voor de woonarken zou voorzien dan wel door of namens de raad de verwachting is gewekt dat tot in lengte van dagen zou worden voorzien in een ligplaats voor de betrokken woonarken. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. 2.
- Ten aanzien van de beroepsgronden van WAVE e.a. met betrekking tot de vergelijking tussen de woonarken met een woonbestemming en woonarken die als bedrijfswoning in gebruik zijn en het brengen van de woonarken onder het overgangsrecht, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden in eerdergenoemde uitspraak van 31 januari 2007 reeds zijn behandeld. In die uitspraak is in die gronden geen aanleiding gevonden om het bestreden besluit te vernietigen. Niet is gebleken dat sprake is van zodanige gewijzigde feiten of omstandigheden dat daarover thans anders geoordeeld dient te worden. 2.
- De conclusie is dat hetgeen WAVE e.a. hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Broekman voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 12-571.