(1)'. Voor de gronden waarop zich de boomkwekerij bevond, voorziet het plan in de bestemming "Agrarisch gebied (A)". 2.11.
- De Afdeling stelt vast dat het bosgebied waar [appellanten sub 2] naar verwijzen buiten het plangebied ligt. Gelet hierop heeft het plan niet tot gevolg dat het bosgebied niet als zodanig kan worden behouden. Voorts heeft de burgerwoning aan De Hoeven 24 een woonbestemming. Het betoog van [appellanten sub 2] dat deze woning ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd, faalt derhalve. De raad heeft het voornemen om alle gronden binnen het plangebied op termijn in eigendom te krijgen, waardoor het gehele plangebied geherstructureerd kan worden. Ter zitting is gebleken dat slechts enkele percelen, waarvan de raad nog niet voorziet op welke termijn deze in eigendom zullen worden verkregen, een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming hebben gekregen. Voor deze percelen is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een bedrijfsbestemming. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college in hetgeen [appellanten sub 2] op dit punt hebben betoogd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan de desbetreffende plandelen goedkeuring te onthouden. 2.
- [appellanten sub 3] stellen voorts dat het college ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)" heeft goedgekeurd. Hiertoe voeren zij aan dat het college heeft onderkend dat de behoefte aan meer bedrijfskavels niet is aangetoond en dat het daarom niet zinvol is het plandeel goed te keuren wanneer aan het desbetreffende voorschrift goedkeuring wordt onthouden. 2.12.
- Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat op de lange termijn behoefte is aan de extra ruimte en dat de uitwerkingsverplichting zoals die in het plan was opgenomen slechts betrekking heeft op inrichtingsvraagstukken. Het college heeft geen bezwaar tegen de uit te werken bedrijfsbestemming indien deze wordt voorzien van een adequate bestemmingsregeling. Daarom heeft het college goedkeuring onthouden aan het desbetreffende planvoorschrift. 2.12.
- De Afdeling stelt vast dat het college goedkeuring heeft onthouden aan artikel 8 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)". Het gevolg hiervan is dat, anders dan het college veronderstelt, het plandeel dat voorziet in deze bestemming betekenisloos is. Ingevolge artikel 10:29, eerste lid, van de Awb kan een besluit alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd, indien gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met de aard en de inhoud van het besluit. Door het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)" goed te keuren, heeft het college dan ook gehandeld in strijd met artikel 10:29, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 3] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)". 2.
- [appellant sub 1] en anderen betogen dat de woning aan de Hamelendijk 1 ten onrechte niet overeenkomstig het vorige bestemmingsplan een woonbestemming heeft behouden. Zij stellen dat de onderzoeksplicht naar de benodigde maatregelen om een aanvaardbaar geluidsniveau in de woning aan de Hamelendijk 1 te garanderen ten onrechte op hen wordt afgeschoven. Indien de bedrijfsbestemming die in het plan is opgenomen, blijft gehandhaafd, vrezen zij voor een gedwongen vertrek uit de woning. 2.13.
- Het college stelt zich op het standpunt dat door de aanleg van het in het plan voorziene bedrijventerrein en de voorziene ontsluitingsweg, bij de woning niet meer kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarden. Het gemeentebestuur heeft aangegeven dat het uitvoeren van de benodigde maatregelen om een aanvaardbaar geluidsniveau te behalen geen reële optie is vanwege de hoge kosten. Daarom is het handhaven van een woonbestemming op die locatie planologisch niet wenselijk. Voorts ligt het in de bedoeling het gebruik als burgerwoning binnen de planperiode te beëindigen. 2.13.
- De Afdeling stelt vast dat de woning zich bevindt op een perceel waaraan in het plan de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding "herontwikkelingskavels (III)" is toegekend. Uit het 'Akoestisch Onderzoek, Geluidwering Gevels Hamelendijk 1 te Reusel' blijkt dat voor alle verblijfsruimten van de woning het maximaal toegestane geluidsniveau van 35 dB(A) wordt overschreden. Derhalve dienen maatregelen te worden berekend om aan deze norm te kunnen voldoen. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de raad vermeld dat aan deze maatregelen zeer hoge kosten zijn verbonden, die de raad niet in verhouding acht tot de waarde van de woning. De raad zal deze maatregelen dan ook niet laten uitvoeren. Nu is gebleken dat [appellant sub 1] en anderen niet voornemens zijn deze maatregelen zelf te laten uitvoeren, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor deze woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat het behoud van een burgerwoning op deze locatie derhalve niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Over de voortzetting van het gebruik als burgerwoning, overweegt de Afdeling dat de raad naar voren heeft gebracht dat hij het gebruik als zodanig wil beëindigen. Hiertoe zal de raad proberen tot een minnelijke schikking te komen met [appellant sub 1] en anderen. Bij het onverhoopt mislukken van de onderhandelingen, die blijkens de stukken al zijn gestart, zal de woning van [appellant sub 1] en anderen worden onteigend. In dat geval zal schadeloosstelling plaatsvinden volgens het onteigeningsrecht. Gelet hierop is de vrees van [appellant sub 1] en anderen dat de woning zal moeten worden verlaten niet zonder grond. De Afdeling is echter van oordeel dat het college in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de maatschappelijke belangen die zijn gediend met de realisering van het bedrijventerrein die het plan mogelijk maakt dan aan de belangen van [appellant sub 1] en anderen. Niet is gebleken dat het college de belangen van [appellant sub 1] en anderen hierbij onvoldoende heeft meegewogen. Overigens heeft de raad ter zitting toegezegd dat [appellant sub 1], de huidige bewoonster, gezien haar hoge leeftijd niet zal worden gedwongen de woning te verlaten. Hierbij heeft de raad benadrukt dat deze toezegging ook geldt voor de situatie waarin de gemeente de eigendom van de woning zal hebben verkregen. 2.13.
- De conclusie is dat het college in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel Hamelendijk 1 goedkeuring te onthouden. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond. 2.
- [appellanten sub 4] stellen zich op het standpunt dat het college het plan voor zover dat voorziet in een andere bestemming ter plaatse van hun bedrijf aan de Kleine Hoeven 1, niet had mogen goedkeuren omdat op dat moment nog geen duidelijkheid bestond over de hervestiging van het bedrijf. 2.14.
- Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur zich zal inzetten om de desbetreffende gronden te verwerven, eventueel middels onteigening. Voorts bestaat geen aanleiding om op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden. 2.14.
- Het plan voorziet met betrekking tot het bedrijf van [appellanten sub 3] aan de [locatie] in de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'bedrijvenclusterkavels I'. Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellanten sub 4] niet binnen deze bestemming past. Zoals eerder is overwogen onder 2.7.
- is de Afdeling van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien voor het oordeel dat behoefte op de korte termijn, dus wat betreft de eerste fase, onvoldoende is aangetoond. Gelet hierop heeft het college bij zijn belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de maatschappelijke belangen die zijn gediend met de realisering van het bedrijventerrein dat het plan mogelijk maakt dan aan de belangen van [appellanten sub 4]. Niet is gebleken dat het college de belangen van [appellanten sub 4] hierbij onvoldoende heeft meegewogen. Daarbij merkt de Afdeling op dat de WRO noch enige andere rechtsregel het gemeentebestuur de verplichting oplegt reeds in een vroeg stadium van de bestemmingsplanprocedure volledige duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheden tot verplaatsing van bedrijven en woningen die vanwege een bestemmingswijziging niet kunnen worden gehandhaafd en de termijn waarbinnen de verplaatsing zal plaatsvinden. Overigens is de raad direct na de vaststelling van het plan begonnen met de eerste onderhandelingen. Van de raad kon niet worden verwacht dat reeds bij de vaststelling van het plan volledige duidelijkheid bestond over de mogelijkheden tot verplaatsing. Deze mogelijkheden zullen aan de orde kunnen komen in het minnelijk overleg dat vooraf dient te gaan aan een eventuele onteigeningsprocedure. Wanneer de onderhandelingen niet tot verkoop en overdracht zullen leiden, zullen de gronden van [appellanten sub 4] worden onteigend. In dat geval zal schadeloosstelling ingevolge de Onteigeningswet plaatsvinden. 2.14.
- De conclusie is dat het college in hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie] goedkeuring te onthouden. Het beroep van [appellanten sub 4] is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Ten aanzien van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'bedrijvenclusterkavels (I)' dat ziet op de gronden achter hun perceel; II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en van [appellanten sub 3] voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2007, nummer 1246430, voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijven(B)", de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" en de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)"; IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)"; V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder IV. genoemde plandeel in de plaats treedt van het besluit van 3 juli 2007; VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] geheel en de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] voor het overige, ongegrond; VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 861,02 (zegge: achthonderdeenenzestig euro en twee cent), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 87,88 (zegge: zevenentachtig euro en achtentachtig cent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VIII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 286,00 (zegge: tweehonderdzesentachtig euro) voor [appellanten sub 2] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008 12-545.