(2007)844, overweegt de Afdeling dat reeds omdat het hier een nog niet vastgestelde richtlijn betreft, aan dit betoog niet de door AZN gewenste betekenis kan worden toegekend. 2.
- Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, tweede lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten in ieder geval rekening, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft. Het BREF Afvalverbranding is in tabel 1 van de bijlage vermeld. 2.6.
- Voor zover AZN betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de inrichting met de emissiegrenswaarden van het Bva niet aan artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer wordt voldaan, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de hier van toepassing zijnde, in de A-tabellen van § 1 van de Bijlage behorend bij de artikelen 1, 6, 7, 8 en 10 van het Bva opgenomen, halfuurs- en daggemiddelde grenswaarden voor de componenten zoutzuur (HCI), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en stikstofoxiden (NOx) hoger zijn dan de desbetreffende prestatieranges van het BREF Afvalverbranding. De Afdeling overweegt dat de prestatieranges van het BREF Afvalverbranding de emissieniveaus weergeven die over het algemeen mogen worden verwacht bij de toepassing van de in dit BREF beschreven beste beschikbare technieken. Volgens AZN moeten de emissiegrenswaarden met het oog op ongewone en gewone fluctuaties in de bedrijfsvoering ruimer zijn dan deze emissieniveaus van het BREF en kan daarom van de grenswaarden van het Bva wel degelijk worden gesteld dat deze zijn gebaseerd op de toepassing van BBT. De Afdeling overweegt dat fluctuaties ten gevolge van onder meer onderhoud en calamiteiten bij de vaststelling van emissiegrenswaarden buiten beschouwing worden gelaten. Zo mogen ingevolge voorschrift 1.7, eerste lid, van het Bva de betrokken emissiegrenswaarden van de bijlage behorend bij de artikelen 1, 6, 7, 8 en 10 van het Bva worden overschreden in geval van technisch onvermijdelijke storingen, stilleggingen van de reinigings- of meetapparatuur of defecten aan de reinigings- of meetapparatuur. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de emissiegrenswaarden ruimer dienen te zijn dan de emissieniveaus van het BREF Afvalverbranding. Het gestelde in de paragrafen 3 en 4 van de notitie van CEFIC komt er op neer dat wanneer emissieniveaus zijn berekend als gemiddelde over een langere tijd (bijvoorbeeld een maand of een jaar), de instantane, halfuurgemiddelde of uurgemiddelde emissieniveaus, al naar gelang van het emissiepatroon, beduidend hoger kunnen liggen. Een adequate emissiegrenswaarde moet dan volgens CEFIC worden gesteld op een niveau dat de bovenste limiet van de emissies (waaronder CEFIC een niveau verstaat dat statistisch gezien in minder dan 5% of 1% van de tijd wordt overschreden) en een veiligheidsmarge omvat. Die emissiegrenswaarde kan volgens CEFIC gewoonlijk worden bepaald met de formule ELV = average + 3σ. Volgens CEFIC is het dan ook, om adequate emissiegrenswaarden te stellen, noodzakelijk kennis te hebben van de wijze waarop BREF-data zijn gegenereerd en de periode waarover de gemiddelde emissie is bepaald. Gewoonlijk worden met BBT geassocieerde emissieniveaus volgens CEFIC uitgedrukt als jaargemiddelde omdat op BREF-niveau het doel is om BBT op een algemene wijze te beschrijven en niet te worden beïnvloed door lokale en korte termijn omstandigheden. Dit impliceert volgens CEFIC dat met BBT geassocieerde emissieniveaus zeker niet direct als emissiegrenswaarden kunnen worden gebruikt. In het BREF Afvalverbranding, evenwel, zijn de prestatieranges reeds gemiddelde emissieniveaus over perioden van 24 uur en een half uur. In dit geval behoeven emissiegrenswaarden voor die perioden derhalve niet uit een maand- of jaargemiddeld emissieniveau te worden afgeleid. De berekeningsmethode van CEFIC, wat daar van zij, is in dit geval dan ook niet aan de orde. Evenmin is gebleken dat de door AZN bedoelde situaties met een variabele samenstelling van het afval niet reeds in de prestatieranges van het BREF Afvalverbranding in aanmerking zijn genomen. Derhalve bestaat geen aanleiding voor de aanname dat niet tevens in die situaties emissieniveaus binnen de bandbreedte van het BREF Afvalverbranding mogen worden verwacht bij toepassing van de daarin beschreven beste beschikbare technieken. In het licht van hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraken van 21 december 2007 (in zaken nrs. 200700981/1, r.o. 2.7.2, en 200701265/1, r.o. 2.10) kan, nu de betrokken emissiegrenswaarden van het Bva niet vallen binnen de prestatieranges van het BREF Afvalverbranding en hetgeen AZN heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat voor de inrichting met ruimere emissiegrenswaarden dan deze emissieniveaus kan worden volstaan, het Bva wat deze emissiegrenswaarden betreft voor de inrichting in redelijkheid niet worden beschouwd als uitvloeisel van toepassing van ten minste de beste beschikbare technieken. Gezien artikel 8.11, derde lid, in samenhang met artikel 8.44, tweede lid, (oud) van de Wet milieubeheer heeft het college het Bva in zoverre dan ook op goede gronden buiten toepassing gelaten en zich op goede gronden bevoegd geacht om in zoverre emissiegrenswaarden aan de vergunning te verbinden. 2.
- AZN betoogt dat het aanscherpen van de grenswaarde voor het daggemiddelde niet los kan worden gezien van de halfuurgemiddelde grenswaarden. Bij het bestreden besluit heeft het college emissiegrenswaarden gesteld voor het daggemiddelde die overeenstemmen met de hoogste waarde van de prestatierange voor het daggemiddelde van het BREF Afvalverbranding. Het college heeft niet tevens grenswaarden gesteld voor het halfuurgemiddelde. Het college gaat ervan uit dat aldus voor de inrichting wordt voldaan aan artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 maart 2008 in zaak nr. 200702141/1) is het, om te voldoen aan de beste beschikbare technieken, voldoende dat voor een van beide waarden een emissiegrenswaarde is voorgeschreven die valt binnen de prestatierange van het BREF Afvalverbranding. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de bij het bestreden besluit gestelde emissiegrenswaarden niet of niet zoals in voorschrift 2.3.1 is geschied had mogen het stellen zonder tevens grenswaarden voor het halfuurgemiddelde te stellen. 2.
- AZN betoogt voorts dat het college er ten onrechte van uitgaat dat AZN zonder nadere aanpassingen aan de gestelde grenswaarden voor CO, HCl en SO2 zal kunnen voldoen, althans zich hieromtrent zwalkend opstelt. Volgens AZN zullen ook normaal voorkomende fluctuaties leiden tot overschrijdingen van de desbetreffende waarden. Dit betekent dat ten aanzien van de vergunde, maar nog te voltooien vierde verbrandingslijn alsnog strengere ontwerpwaarden zullen moeten worden gehanteerd, hetgeen aanzienlijke kosten met zich brengt, terwijl de drie bestaande verbrandingslijnen zullen moeten worden gemodificeerd, hetgeen zo mogelijk nog moeilijker en kostbaarder is. Dit klemt temeer nu het college bij eerdere brieven het vertrouwen heeft gewekt dat de vergunning voldeed aan de IPPC-richtlijn, aldus AZN. AZN betoogt dat haar in elk geval een termijn had moeten worden gegund om haar inrichting in overeenstemming te brengen met de aangescherpte waarden. Daartoe is de bedrijfsstop in april 2009 volgens AZN de eerste gelegenheid. 2.8.
- Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat het zich heeft gebaseerd op door AZN in het verleden gerapporteerde emissies, waaruit blijkt dat AZN in de regel aan de aangescherpte normen kan voldoen. In het verweerschrift heeft het college betoogd bij nader inzien AZN te volgen in haar stelling dat aan de grenswaarden voor CO, HCl en SO2 niet kan worden voldaan. Bij nadere memorie van 7 november 2008 betoogt het college, onder verwijzing naar het deskundigenbericht van de StAB, dat de grenswaarden voor HCl en SO2 wel haalbaar zijn. Gelet op de betwisting door AZN van het deskundigenbericht in dit opzicht en op het ontbreken van concrete gegevens ter staving van het door het college ingenomen nadere standpunt van 7 november 2008 alsmede gelet op zijn nadere standpunt dat aan de grenswaarde voor CO niet kan worden voldaan, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. 2.
- Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, wat voorschrift 2.3.1 betreft, voor zover daarin emissiegrenswaarden zijn gesteld voor zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en zoutzuur (HCl). De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 december 2007, kenmerk 1356100, wat voorschrift 2.3.1 betreft, voor zover daarin emissiegrenswaarden zijn gesteld voor zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en zoutzuur (HCl); III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij N.V. Afvalverbranding Zuid-Nederland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.775,68 (zegge: zevenenveertighonderdvijfenzeventig euro en achtenzestig cent), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Noord-Brabant aan N.V. Afvalverbranding Zuid-Nederland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat provincie Noord-Brabant aan N.V. Afvalverbranding Zuid-Nederland het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Kuipers Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009 271-489.