(2)sb)" aan de Westerdijk te Leimuiden, dat ter plaatse de bouw van een loods mogelijk maakt. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Daartoe voeren zij onder meer aan dat een onderzoek naar de flora en fauna ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen en dat de voorziene loods het open polderlandschap ter plaatse, de natuurwaarden en hun uitzicht ernstig zal aantasten. 2.
- Het college stelt zich op het standpunt dat voormeld plandeel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat een ernstige aantasting van het polderlandschap, de natuurwaarden en het woon- en leefklimaat van [verzoekers] zich niet zal voordoen. 2.
- Ten aanzien van het formele bezwaar van [verzoekers] dat voormeld onderzoek niet ter inzage heeft gelegen bij het ontwerp van het bestemmingsplan overweegt de voorzitter dat voorshands niet is gebleken dat dit onderzoek kan worden beschouwd als een op het bestemmingsplan betrekking hebbend stuk, aangezien dit onderzoek is opgesteld ten behoeve van een eerder verleende vrijstelling voor onder meer het verharden van een stuk grond bij de jachtwerf. 2.
- Voor zover [verzoekers] hebben betoogd dat als gevolg van de voorziene loods de natuurwaarden ter plaatse ernstig zullen worden aangetast, overweegt de voorzitter dat niet is gebleken dat de gronden waarop de loods is voorzien, hoge natuurwaarden hebben. Voor zover dergelijke waarden kunnen voorkomen in een sloot ter plaatse, is niet gebleken dat de loods de sloot zal aantasten. Voorts hebben [verzoekers] niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene loods ter plaatse een ernstige aantasting van het open polderlandschap met zich zal brengen. Daarbij betrekt de voorzitter dat de loods is voorzien op gronden die ingeklemd liggen tussen een jachtwerf en een betonfabriek en dat de omgeving langs de Oude Wetering wordt gekenmerkt door woon- en bedrijfsbebouwing. Ten aanzien van de aantasting van het uitzicht op de polder vanuit de woningen van [verzoekers], overweegt de voorzitter dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat gebleken is dat thans reeds geen onbelemmerd uitzicht meer op de polder bestaat als gevolg van de bebouwing in hun eigen achtertuinen. De loods zal in dit geval slechts in geringe mate bijdragen aan de aantasting van het uitzicht op de polder. 2.
- Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Kegge voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009 459.