(1978)een achtergevel aanwezig was met dezelfde afmetingen als die thans is gebouwd. De ten behoeve van de recreatiewoning verleende bouwvergunningen geven geen steun voor het standpunt van [appellant] dat de recreatiewoning op dit punt niet afwijkt van de oude situatie. Evenmin blijkt dit uit de overgelegde foto's. Verder vormt het betoog van [appellant] dat de recreatiewoning in een herziening van het bestemmingsplan mogelijk positief zal worden bestemd, onvoldoende basis voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie. Ten tijde van het besluit van 4 september 2007 was, naar niet is weersproken, geen planherziening van die strekking in voorbereiding. Voorts is niet betwist dat de op 6 april 2001 vastgestelde "Beleidsnota Toepassing Artikel 19 WRO" in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling voor de vernieuwde recreatiewoning. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 4 september 2007 geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. 2.3.
- Voorts heeft het college kunnen oordelen dat de afwijkingen niet dermate gering zijn, dat handhavend optreden daartegen, gelet op de hoge kosten die zijn gemoeid met het in overeenstemming brengen met de bouwvergunning, onevenredig zou zijn. Gelet op de samenhang tussen de geconstateerde afwijkingen van de bouwvergunning, heeft het college daarbij kunnen uitgaan van de totale vergroting van de recreatiewoning, zoals die is ontstaan door het naar voren plaatsen van de voorgevel en het verlengen van achtergevel. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen. 2.3.
- Weliswaar was het college al sinds augustus 2005 op de hoogte van de afwijkingen en heeft deze geruime tijd ongemoeid gelaten, doch daaraan heeft [appellant] niet het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat handhavend optreden zou uitblijven. Evenmin brengt het tijdsverloop mee dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving. Uit de stukken blijkt dat [appellant] reeds bij aanvang van de werkzaamheden bewust en zonder instemming van het college heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning en, na deze afwijkingen bij het college te hebben gemeld, de bouw zonder zodanige instemming heeft voltooid. De gevolgen van die handelwijze dienen voor zijn rekening en risico te blijven. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Van der Maesen de Sombreff lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009 190-412