(4). Het bouwplan zal echter eveneens voorzien in een theaterfunctie." Wat de theaterfunctie betreft overweegt de rechtbank vervolgens: "… Dat derde partij zich in dat licht zal houden aan zijn opgave van maximaal 150 zitplaatsen is voorshands niet voldoende aannemelijk. Bij een aantal zitplaatsen ten behoeve van theater van meer dan 187 kan niet meer worden volstaan met 75 parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat bij de realisatie van de uitbreiding ten behoeve van theater zal worden voldaan aan het vereiste van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering." 2.3.
- Gezien de hiervoor weergegeven passages uit de uitspraak van 6 februari 2007, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat het college bij de bepaling van de parkeerbehoefte van het bouwplan, behoudens de theaterfunctie, uit mag gaan van 6 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte. Nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld, moet van de juistheid van dat oordeel worden uitgegaan. Bij aan het college verzonden brief van 22 maart 2007 heeft [appellant sub 2] verklaard de theaterfunctie, als door de rechtbank beschreven in de uitspraak van 6 februari 2007, niet te zullen toepassen in de nieuw te verwezenlijken zaal. Nu de beoogde uitbreiding van het horecapand aldus enkel nog zal worden gebruikt ten behoeve van horeca en sociale activiteiten, heeft het college zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat het op grond van de uitspraak van 6 februari 2007 voor de bepaling van de parkeerbehoefte van het bouwplan mag uitgaan van een parkeernorm van 6 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte resulterend in een behoefte aan 75 parkeerplaatsen. Door te oordelen dat het college aan de hand van het feitelijk gebruik van het pand na realisatie van het bouwplan dient aan te geven hoeveel bezoekers redelijkerwijs te verwachten zijn, is de rechtbank voorbij gegaan aan het in die uitspraak gegeven oordeel. Het verweer van [wederpartijen] dat de rechtbank in die uitspraak niet is toegekomen aan een beoordeling van de parkeernorm voor bruiloften en partijen, zodat de aangevallen uitspraak juist is, mist feitelijke grondslag. Gezien de overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 6 februari 2007, heeft de rechtbank het college gevolgd in zijn standpunt dat deze activiteiten vallen onder de functie horeca. 2.
- Het betoog van het college dat de rechtbank, door te oordelen dat thans nog steeds onduidelijkheid bestaat over het aantal pareerplaatsen dat op het eigen terrein van [appellant sub 2] kan worden gerealiseerd, heeft miskend dat in de onherroepelijke uitspraak van 6 februari 2007 is vastgesteld dat dat terrein beschikt over 56 parkeerplaatsen, faalt. De passages uit die uitspraak waar het college zijn betoog op baseert, betreffen uitsluitend een korte omschrijving van het bouwplan en de weergave van het standpunt van het college en niet een uitdrukkelijk eigen oordeel van de rechtbank over het aantal beschikbare parkeerplaatsen. De stelling van het college dat uit die uitspraak volgt dat het moet aantonen dat maximaal 187 zitplaatsen ten behoeve van de theaterfunctie zullen worden gerealiseerd en dat daaruit kan worden afgeleid dat de rechtbank heeft vastgesteld dat ter plaatse 56 parkeerplaatsen beschikbaar zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Het aantal van 187 zitplaatsen is gebaseerd op het aantal parkeerplaatsen dat volgens het college bij toepassing van een parkeernorm van 0.4 parkeerplaats per bezoeker benodigd is, namelijk
- Dit zegt evenwel nog niets over het aantal parkeerplaatsen dat daadwerkelijk op het terrein van [appellant sub 2] beschikbaar is. Over dat aantal heeft de rechtbank niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven. 2.
- [appellant sub 2] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in een nieuw te nemen besluit dient aan te geven hoeveel parkeerplaatsen redelijkerwijs gerealiseerd kunnen worden op het perceel en hoeveel parkeerplaatsen daarbuiten redelijkerwijs ter beschikking van hem staan. Volgens [appellant sub 2] heeft hij reeds aannemelijk gemaakt dat op het perceel de benodigde 75 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. 2.5.
- Uit de stukken van het dossier kan niet eenduidig worden afgeleid hoeveel parkeerplaatsen ten behoeve van het bouwplan met inachtneming van het geldende bestemmingsplan en het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening op het perceel kunnen worden gerealiseerd. Ook ter zitting zijn partijen er niet in geslaagd hierover de benodigde duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het besluit op bezwaar op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering en dat het college die in een nieuw te nemen besluit alsnog dient te geven. Het betoog faalt. 2.
- De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar dient te nemen. In dat besluit zal het college met inachtneming van de gronden van het bezwaar, waaronder de grond dat de door [appellant sub 2] voorziene parkeerplaatsen in strijd zijn met de ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse geldende bestemming, moeten beoordelen of op het perceel 75 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Indien het college tot het oordeel komt dat dit niet mogelijk is, zal het moeten besluiten of het wederom ontheffing krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening wil verlenen. Daarbij zal het college in acht moeten nemen dat, zo is ter zitting gebleken, op de openbare weg Noordeinde geen parkeerverbod geldt, dat bij de nabijgelegen kerk 32 openbare parkeerplaatsen liggen en dat [appellant sub 2], naar hij stelt, een overeenkomst heeft gesloten om gebruik te kunnen maken van de op het terrein van de kerk gelegen parkeerplaatsen. Verder dient het college de door [appellant sub 2] overgelegde nadere rapporten in zijn besluitvorming te betrekken. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de hoger beroepen gegrond; II. bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Van Roessel voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2009 457.