(2003)blijft gelden. In deze POL-aanvulling staat dat een belangrijk deel van het gebied ten oosten van Eijsden is aangeduid als (toekomstig) kerngebied, onder meer ten behoeve van de uitbreiding van het woongebied Poelveld. Uit het POL 2006 volgt dat het in deze POL-aanvulling ten aanzien van Poelveld opgenomen beleid nog steeds geldt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het VORm-beleid niet van toepassing is op het gebied Poelveld. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan op onjuiste wijze heeft getoetst aan het provinciale beleid. Financiële en economische uitvoerbaarheid 2.
- Volgens Eijsden Groen en anderen dient de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan opnieuw te worden bezien nu het college gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden en een aanzienlijk aantal percelen in het plangebied nog niet is aangekocht. Bovendien kan gebruik van bestrijdingsmiddelen ter plaatse volgens Eijsden Groen en anderen slechts worden uitgesloten indien gronden worden onteigend, omdat het plan gefaseerd zal worden uitgevoerd en een deel van de gronden voorlopig nog agrarisch in gebruik zal blijven. Dit heeft eveneens invloed op de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan, aldus Eijsden Groen en anderen. 2.10.
- Het college stelt zich op het standpunt dat ten gevolge van de onthouding van goedkeuring aan een aantal plandelen met een woonbestemming ongeveer 30 van de 650 woningen niet kunnen worden gerealiseerd. Naar aanleiding van deze onthouding van goedkeuring zal de raad voor de plandelen waaraan goedkeuring is onthouden een nieuw plan opstellen. Gezien de planning van de realisatie is dit mogelijk en heeft dit ook geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van het plan, aldus het college. Ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op gronden die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer stelt het college dat de percelen grotendeels in handen zijn van de initiatiefnemer. Voorts zijn gronden in het plangebied eigendom van twee ontwikkelaars die wellicht zelf de in het plan opgenomen bestemmingen zullen realiseren. Met één particuliere eigenaar lopen nog onderhandelingen, aldus het college. Een klein gedeelte van het plangebied is in eigendom bij particulieren. 2.10.
- Nu slechts een klein deel van het totale aantal voorziene woningen als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het plan niet kan worden gerealiseerd en het plangebied grotendeels in eigendom is bij partijen die voornemens zijn het plangebied te ontwikkelen, geeft hetgeen Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan niet in redelijkheid financieel en economisch uitvoerbaar heeft kunnen achten. Flora- en faunawet 2.
- Met betrekking tot de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voeren Eijsden Groen en anderen onder meer aan dat niet naar alternatieve locaties voor woningbouw is gekeken, dat onvoldoende onderzoek naar de in het plangebied voorkomende soorten heeft plaatsgevonden, dat in geen enkele compensatie voor de das is voorzien en dat het college heeft miskend dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het foerageergebied van deze soort. 2.11.
- Het college stelt zich op het standpunt dat voorafgaand aan zijn besluit omtrent goedkeuring van het plan een ontheffing van de Ffw is verleend in verband met de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister), en dat de minister heeft gemotiveerd dat een ontheffing voor de groene specht niet nodig is. Het college stelt zich voorts met de raad op het standpunt dat de keuze voor Poelveld als uitbreidingslocatie voor woningen het resultaat is van een uitgebreid afwegingsproces waarin verschillende alternatieve locaties zijn onderzocht. 2.11.
- Naar de natuurwaarden in het plangebied is onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn onder meer neergelegd in het rapport "Actualisatie flora- en faunaonderzoek 2005 Poelveld, Gemeente Eijsden" (Groen-Planning Maastricht BV, 20 oktober 2005) en in het "Flora- en faunaonderzoek 2003-2006, Poelveld, Gemeente Eijsden" (Groen-Planning Maastricht BV, 1 juli 2006). Voor zover uit het verrichte onderzoek naar voren is gekomen dat in het plangebied soorten voorkomen waarvoor een ontheffing van de Ffw nodig is, is deze aangevraagd. 2.11.
- De vragen of voor de uitvoering van een plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zo ver het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Bij besluit van 24 juli 2007, kenmerk FF/75C/2007/0101, heeft de minister een ontheffing op grond van de Ffw verleend vanwege de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied. In dit besluit heeft de minister voorts het standpunt ingenomen dat een ontheffing op grond van de Ffw in verband met de aanwezigheid van de groene specht in het plangebied, niet nodig is. Verder is voldoende aangetoond dat geen andere bevredigende oplossing voor het project voorhanden is, aldus de minister. Hetgeen Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Dat Eijsden Groen en anderen, zoals zij stellen, bewust verkeerd zijn geïnformeerd over de noodzaak van een ontheffing van de Ffw vanwege de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied, is niet gebleken. In het voornoemde rapport van 1 juli 2006 is vermeld dat het plan hoogstens een marginale invloed heeft op het leefgebied van de das, omdat deze het plangebied betrekkelijk weinig bezoekt, vanwege de barrièrewerking van de A2 tussen de dassenburchtlocaties en het plangebied. Eijsden Groen en anderen hebben met hun niet nader onderbouwde stelling dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de in het gebied voorkomende soorten en dat de uitgebrachte rapportage niet onafhankelijk zou zijn omdat de opdrachtgever tot het onderzoek belang zou hebben bij de resultaten van het onderzoek, niet aannemelijk gemaakt dat aan de opgestelde rapporten zodanige gebreken kleven dat het college het bestreden besluit niet in redelijkheid mede op deze rapporten heeft kunnen baseren. Ook overigens hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat het college de onderzoeken met betrekking tot de natuurwaarden niet in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Het enkele feit dat de rapporten zijn uitgebracht in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden brengt niet mee dat daarom aan de onafhankelijkheid van de opstellers van het rapport getwijfeld moet worden. Voor zover de stichting aanvoert dat twee in het verleden in het plangebied aanwezige Torenvalkkasten zonder ontheffing op grond van de Ffw zijn verwijderd, betreft dit een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Gezien het vorenstaande geeft hetgeen Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college goedkeuring aan het plan had moeten onthouden omdat de Ffw op voorhand in de weg zou staan aan de uitvoerbaarheid van het plan. Akoestisch onderzoek 2.
- Voorts betogen Eijsden Groen en anderen dat de gegevens die ten grondslag liggen aan het akoestisch onderzoek, die op hun beurt weer ten grondslag liggen aan de vaststelling van de hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder, zodanig gemanipuleerd zijn dat de uitkomst vooraf reeds vaststond. Bovendien is volgens hen, anders dan in het luchtkwaliteitsonderzoek, ten onrechte bij het akoestisch onderzoek niet uitgegaan van een zogenoemd "worst-case-scenario". Voorts kunnen zij zich niet verenigen met het ontlenen van gegevens aan de gebruikte geluidskaart, gelet op de wijziging van de Wet geluidhinder per 1 januari
- 2.12.
- Het college stelt zich op het standpunt dat Eijsden Groen en anderen, nu zij geen onderzoek tegenover de door hen bestreden onderzoeken hebben gesteld en slechts betogen dat de verrichte onderzoeken onvoldoende zouden zijn, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verrichte onderzoeken niet adequaat zouden zijn. 2.12.
- Voor zover Eijsden Groen en anderen hebben betoogd dat de verkeersgegevens die ontleend zijn aan de gemeentelijke geluidniveaukaart, niet ten grondslag konden worden gelegd aan het akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling dat met de inwerkingtreding van de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) op 1 januari 2007, voor zover hier van belang, de bepalingen betrekking hebbende op de vaststelling van een geluidniveaukaart zijn komen te vervallen. Eijsden Groen en anderen hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat ook aan de feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de geluidniveaukaart de betekenis is ontvallen. De resultaten van het ten behoeve van het plan verrichte akoestisch onderzoek zijn onder meer neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai bestemmingsplan "Poelveld" te Eijsden" (Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., 16 juni 2006). Volgens dit rapport brengt de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de A2 geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan met zich. Ook ten aanzien van de geluidsbelasting als gevolg van railverkeerslawaai legt de Wet geluidhinder volgens dit rapport geen restricties op. De geluidsbelasting door wegverkeer op de rijksweg N592 leidt volgens het rapport op een aantal punten tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Om de geluidsbelasting terug te brengen kunnen volgens het rapport verschillende maatregelen worden getroffen en kan eventueel een verzoek worden gedaan tot het vaststellen van hogere grenswaarden. Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Eijsden om ten aanzien van geluidhinder hogere grenswaarden vast te stellen ten behoeve van in het plangebied te realiseren woningen, ingewilligd. Eijsden Groen en anderen verwijzen ten aanzien van het akoestisch onderzoek naar stukken die zij in eerdere instanties hebben aangevoerd. De raad is in reactie op de zienswijze van Eijsden Groen uitvoerig ingegaan op de bezwaren tegen het verrichte akoestisch onderzoek. Het college heeft zich bij deze reactie aangesloten. Eijsden Groen en anderen hebben overigens niet aannemelijk gemaakt dat de gebruikte invoergegevens onjuist zijn, noch dat het verrichte akoestisch onderzoek zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat het college dit niet in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Voor zover Eijsden Groen en anderen betogen dat de geluidsbelasting die het extra verkeer van en naar het plangebied met zich brengt, leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, bestaat, mede gelet op de uitkomsten van het verrichte akoestisch onderzoek, geen aanleiding voor het oordeel dat de te verwachten toename van de geluidsbelasting ter plaatse zodanig zal zijn dat het college hieraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Luchtkwaliteit 2.
- Eijsden Groen en anderen voeren aan dat de concentraties fijn stof in het Maasdal niet berekend kunnen worden met het CAR II-model, maar dat de concentraties moeten worden gemeten. Ook kunnen Eijsden Groen en anderen zich er niet mee verenigen dat de St. Jozefstraat niet in de luchtkwaliteitsberekeningen is meegenomen. 2.13.
- Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), voor zover thans van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht. In het tweede lid van dit artikel is onder meer het besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan aangewezen als bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden: a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie; b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. 2.13.
- Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd dat uit het conceptrapport "Fijn stof metingen gemeente Eijsden September-November 2007" (bureau HMAO, december 2007) blijkt dat van de 54 dagen waarop de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) is bepaald, op zeven dagen boven de toegestane waarde is uitgekomen. Uit deze uitkomst valt volgens Eijsden Groen en anderen een jaarlijks te verwachten aantal overschrijdingen van 47 af te leiden. Nu deze uitkomsten afwijken van de uitkomsten die gebruikmaking van het CAR II-model oplevert, blijkt dat dit model niet kan worden toegepast, zo betogen Eijsden Groen en anderen. Volgens het door Eijsden Groen en anderen aangehaalde conceptrapport is luchtkwaliteitonderzoek verricht om een indicatief beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in Eijsden. Uit het conceptrapport blijkt dat hiertoe gedurende een periode van twee maanden de concentratie zwevende deeltjes (PM10) is gemeten, eerst aan de Cramignonstraat, vervolgens aan de Groenstraat en tot slot aan de De la Margellelaan. De Cramignonstraat en de De la Margellelaan zijn dusdanig ver verwijderd van het plangebied dat de resultaten van de hier verrichte metingen niet aannemelijk maken dat het CAR II-model niet had mogen worden toegepast bij het bepalen van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De metingen aan de Groenstraat, welke straat direct ten noorden van het plangebied ligt, hebben volgens het conceptrapport plaatsgevonden van 20 oktober 2007 tot 9 november
- Van de 21 daggemiddelde waarden die in die periode zijn bepaald aan de Groenstraat, was er één groter dan 50 microgram per m3, aldus het conceptrapport. Dit resultaat verschilt wezenlijk van de resultaten van de verrichte metingen aan de Cramignonstraat en de De la Margellelaan. Met de resultaten van de verrichte metingen aan de Groenstraat hebben Eijsden Groen en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de ten behoeve van het plan uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoeken niet representatief kunnen worden geacht voor de te verwachten gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat de gegevens van het CAR II-model zo zeer afwijken van de werkelijke situatie, dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit hierop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. 2.13.
- Ter zitting hebben Eijsden Groen en anderen het bezwaar dat de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit in de omgeving van de St. Jozefstraat ten onrechte niet zijn bezien, in die zin aangevuld dat volgens hen onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit in de gehele gemeente Eijsden. Ten aanzien van dit betoog is van belang dat geen onderzoek naar de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit is vereist, voor zover een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit redelijkerwijs is uit te sluiten. De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit zijn neergelegd in het rapport "Rapportage luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingplan Poelveld te Eijsden" (Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., 30 juni 2005). In het rapport staat dat aan de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2001 wordt voldaan. Voorts staat in het rapport dat voor de directe ontsluitingswegen van het plan, de Groenstraat en de Boomkensstraat, rekening is gehouden met een toename van de verkeersintensiteit door verkeer komende van en gaande naar de woningen en de brede school. De overige wegen in of rond het plan hebben een lokale functie met een lage intensiteit en worden als niet significant beschouwd, zo is vermeld in het rapport. Op 31 oktober 2005 heeft het onderzoeksbureau Cauberg-Huygen een aanvullende notitie opgesteld over de gevolgen van het in werking treden van het Besluit luchtkwaliteit
- Daarin wordt geconcludeerd dat ook aan de normen van dit Besluit wordt voldaan. Eijsden Groen en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan ertoe zal kunnen leiden dat ter plaatse van de St. Jozefstraat, op een afstand van ongeveer 900 meter van het plangebied, een voor de luchtkwaliteit relevante verslechtering van de luchtkwaliteit zal optreden, zodat onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit op die locatie niet achterwege had mogen blijven. Zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat op andere locaties binnen de gemeente Eijsden ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. 2.
- De conclusie is dat hetgeen Eijsden Groen en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Eijsden Groen en anderen is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009 12-528.