(2000)1127 het EPD heeft goedgekeurd. Voorts staat in de toelichting dat aan Nederland gelden uit het Europees Sociaal Fonds zijn toegewezen, in een omvang als in het EPD bepaald, ter financiering van maatregelen op het gebied van de arbeidsmarkt en het (beroeps)onderwijs welke voldoen aan de ter zake in het EPD gestelde eisen. Ook blijkt uit de toelichting dat de Subsidieregeling ESF-3 de regels bevat die noodzakelijk zijn voor het ter beschikking stellen van subsidie ten behoeve van de uitvoering van projecten die passen binnen het EPD. Gelet op de nauwe samenhang tussen de Subsidieregeling ESF-3 en het EPD kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de minister het EPD terecht bij de besluitvorming heeft betrokken in het kader van de uitleg van de Subsidieregeling ESF-
- Dit betoog faalt. 2.
- Verder betoogt de stichting, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat uit de Subsidieregeling ESF-3 noch uit het ESF-3-Beleidskader volgt dat het bij scholing van werkenden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Subsidieregeling ESF-3 dient te gaan om personen die ten tijde van het starten van de opleiding reeds enige tijd in dienst zijn van de desbetreffende organisatie en waarbij de hoofdverplichting het verrichten van arbeid is. Voor zover die eisen wel uit de van toepassing zijnde regelgeving voortvloeien, voert de stichting aan, samengevat weergegeven, dat hieraan is voldaan, nu een groot gedeelte van de deelnemers ten tijde van het aanvangen van de opleiding reeds geruime tijd in dienst is en zij tijdens de opleiding luchtverkeersleidingactiviteiten verrichten. 2.5.
- In de Subsidieregeling ESF-3 wordt onderscheid gemaakt tussen werkzoekenden en werkenden. De beschikbare middelen worden binnen het EPD verdeeld over een aantal nader aangegeven prioriteiten. Binnen de thans van belang zijnde prioriteit 2 ondersteunt het ESF via het investeren in scholing activiteiten die de instroom in ziekte/arbeidsongeschiktheid of WW van werknemers kunnen voorkomen. Deze activiteiten dragen bij aan een blijvende inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Ook richt deze prioriteit zich op het wegnemen van belemmeringen die een combinatie van arbeid en zorg bemoeilijken. Daarnaast is het doel van deze prioriteit om de inzetbaarheid van kwetsbare werknemers zo te verbeteren dat deze personen tijdens een laagconjunctuur hun baan weten te behouden. De in het kader van deze prioriteit voorgenomen maatregel C heeft betrekking op scholing van werkenden. Het doel van deze maatregel is onder meer de opscholing van werknemers met een middelbare beroepsopleiding. Op het niveau van deze opleiding is in bepaalde sectoren sprake van tekorten op de arbeidsmarkt. Om doorstromen te vergroten zal ESF-3 ook kunnen worden ingezet ten behoeve van de opscholing van werknemers naar hogere niveaus binnen het middelbaar beroepsonderwijs. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de activiteiten van de stichting niet voldoen aan de in artikel 2, derde lid, onder a, b sub 1e, c, d, e en f, van het ESF-3-Beleidskader vervatte eisen. Bij de in geding zijnde opleiding, waarbij een havo- of vwo-diploma is vereist, vindt geen scholing tot op startkwalificatieniveau plaats. Evenmin is sprake van een bedrijfstakoverschrijdende opleiding, nu de opleiding slechts ziet op luchtverkeersleiders. Ook is geen sprake van een cursus Nederlands, van activiteiten ter versteviging van het personeelsbeleid en van outplacement. Een verdere scholing tot en met een hbo-opleiding als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b sub 2e, is, naar ter zitting is gebleken, in het voorliggende geval wel aan de orde. Daargelaten of deze bepaling in overeenstemming is met het hiervoor aangehaalde gedeelte van het EPD ten aanzien van de opscholing van werknemers met een middelbare beroepsopleiding, gaat het bij de opleiding tot luchtverkeersleiders echter niet om de inzetbaarheid van kwetsbare werknemers, zoals hiervoor bij prioriteit 2 van het EPD is omschreven, maar om een reguliere opleiding. In dit verband is mede van belang dat de staatssecretaris ter zitting heeft verklaard dat de opleiding tot luchtverkeersleider die is gegeven tot aan de periode waarop het thans in geschil zijnde verzoek om subsidie betrekking heeft en wordt gegeven na deze periode, identiek is aan de opleiding die is gegeven in de periode waarop het verzoek om subsidie betrekking heeft. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het project niet ziet op scholing van werkenden in de zin van artikel 3 eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling ESF-3, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het ESF-3-Beleidskader. Het betoog faalt reeds hierom. Het betoog van de stichting dat de staatssecretaris bij het nemen van het besluit op bezwaar de betrokken belangen ten onrechte niet tegen elkaar heeft afgewogen, kan op die grond onbesproken blijven. 2.
- Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de herziene aanvraag van 29 december 2006, slechts inhoudende een aanpassing van de begroting, niet hoefde te betrekken in het besluit op bezwaar, behoeft dit geen bespreking, reeds omdat niet de hoogte van het subsidiebedrag in geding is, maar slechts de vraag of de subsidie op inhoudelijke gronden terecht is geweigerd. Voor de beantwoording van deze vraag, die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bevestigend is, is de aanpassing van de begroting niet van belang. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009 164.