(2)de implementatie van deze techniek in de bestaande mosselproductiecyclus. Bij brief van 14 november 2002 heeft TNO namens [belanghebbende] een vergunning ingevolge de Wet beheer rijkswateren aangevraagd voor het plaatsen van een installatie voor mosselzaadinvang bestaande uit 25 netten van elk 300 meter lang en drie meter diep, voorzien van ankers en drijflichamen in de westelijke Waddenzee tussen het gat van de Stier en Malzwin. Deze vergunning is door de minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 8 mei 2003 aan [belanghebbende] voor onbepaalde tijd verleend. [belanghebbende] en TNO hebben op 7 februari 2003 een overeenkomst gesloten met een looptijd van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2012, met als doelstelling de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling en evaluatie van mosselzaadkweek zoals vastgelegd in het Programma productie en opkweek mosselzaad. In dat programma is vermeld dat het doel daarvan is het realiseren van een installatie met een productiecapaciteit van 25.000 mosseltonnen mosselzaad per jaar tegen een acceptabele kostprijs. In het projectplan is vermeld dat het deel van het project dat zich richt op de invang en opkweek van mosselzaad tot uitzaaibare grootte, in uitvoering is geweest in het seizoen 2003 en
- Na deze twee seizoenen is geconcludeerd dat een verbetering van de efficiëntie mogelijk en in verband met de kostprijs noodzakelijk is. Om het tweede deel van het project, de opkweek van het off-bottom geproduceerde mosselzaad op de mosselpercelen, goed te kunnen uitvoeren is een substantiële hoeveelheid mosselzaad nodig, waarvoor de op dat moment bestaande installatie echter te klein is. Bij een grotere installatie kan voorts meer onderzoek worden gedaan naar de te gebruiken soort netten en de wijze en het moment van oogsten van het mosselzaad. De subsidie is dan ook aangevraagd voor een uitbreiding van de bestaande mosselzaadinvanginstallatie en het verrichten van onderzoek naar het reduceren van het afvallen van mosselzaad door het optimaliseren van het oogstmoment en het gebruik van andersoortige netten. [belanghebbende] en TNO hebben op 27 mei 2005 een nadere overeenkomst gesloten voor de uitvoering van het project waarvoor de subsidie is aangevraagd. 2.4.
- Gelet op hetgeen in het als bijlage bij de overeenkomst van 7 februari 2003 gevoegde Programma productie en opkweek van mosselzaad is vermeld, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat [belanghebbende] met het sluiten van die overeenkomst verplichtingen is aangegaan gericht op uitvoering van het project waarvoor de subsidie is aangevraagd. Uit dat programma blijkt immers dat de samenwerking tussen [belanghebbende] gericht was op de ontwikkeling van een mosselzaadinvanginstallatie met een voldoende productiecapaciteit tegen een acceptabele kostprijs. Hetgeen met het project werd beoogd, moet, mede gelet op de lange looptijd van de overeenkomst, worden geacht in de overeengekomen samenwerking te zijn begrepen. Dat na bevestiging van de ontvangst van de subsidieaanvraag een afzonderlijke overeenkomst tussen [belanghebbende] en TNO is gesloten waarin de samenwerking verder is uitgewerkt, leidt niet tot de daaraan door de minister verbonden conclusie. Het betoog faalt. Het hoger beroep van de minister is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd. 2.
- Nu artikel 12c, eerste lid, van de Regeling dwingend is geformuleerd, kan de subsidieaanvraag slechts worden afgewezen. De Afdeling zal daar met het oog op een finale beslechting van het geschil dan ook toe overgaan door het besluit van de minister van 30 november 2004 te herroepen, de aanvraag van [belanghebbende] om verlening van subsidie voor het project af te wijzen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van de minister van 24 september
- 2.
- Gelet op het vorenstaande heeft West 6 geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep. De Afdeling zal dat daarom niet-ontvankelijk verklaren. 2.
- De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten van West 6 te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in het hoger beroep van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangevochten; II. herroept het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2004, kenmerk Goedkeuring; III. wijst de aanvraag van [belanghebbende] om verlening van subsidie op grond van de Subsidieregeling capaciteitsvermindering IJsselmeervisserij en innovatie aquacultuur voor het project "Alternatieve winning mosselzaad" af; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 september 2007, kenmerk 05.1.0014/JV; V. verklaart het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid West 6 B.V. niet-ontvankelijk; VI. veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid West 6 B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid West 6 B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VII. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat. w.g. Van Dijk w.g. Rop voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009 417.