200901303/1/M1. Datum uitspraak: 22 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te Lisse, en het college van burgemeester en wethouders van Lisse, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf op het perceel [locatie] te Lisse. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Door [appellante] zijn nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door ing. R. Terlouw en R. Schoon, en het college, vertegenwoordigd door D.A. Baars, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.2. [appellante] betoogt dat voorschrift C.3.1, inhoudende dat huishoudelijk afvalwater en niet-verontreinigd hemelwater niet via de zuiveringstechnische voorzieningen mogen worden geloosd, ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Daartoe beroept [appellante] zich op het vertrouwensbeginsel en wordt door [appellante] aangevoerd dat aan dit voorschrift geen termijn is verbonden om de huidige situatie te wijzigen, dat het milieurendement van de wijziging zeer gering is, dat de met de door te voeren wijziging gepaard gaande investeringen onacceptabel hoog zijn en dat in de bestaande situatie geen negatieve gevolgen zijn opgetreden. [appellante] verzoekt om in plaats van het betreffende voorschrift de verplichting in de vergunning op te nemen om onderzoek te doen naar het afkoppelen van hemelwaterafvoeren. 2.2.1. Het college stelt dat geen toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan [appellante] erop kon vertrouwen dat geen voorschrift met een strekking als die van voorschrift C.3.1 aan de vergunning zou worden verbonden. Het verbinden van een termijn aan betreffend voorschrift acht het college niet nodig, nu reeds ingevolge het besluit van 20 juli 1999 huishoudelijk afvalwater en niet-verontreinigd hemelwater niet via de zuiveringstechnische voorzieningen mochten worden geloosd. Het college acht de investering in relatie tot het te behalen milieurendement niet te hoog. Dat in de bestaande situatie geen negatieve gevolgen in de vorm van vetafzetting in het gemeentelijk riool zijn geconstateerd komt volgens het college juist door het spoelen van de zuiveringsvoorziening en het riool bij regenbuien. Het opnemen van een onderzoeksverplichting in plaats van betreffend voorschrift acht het college ten slotte te vrijblijvend. 2.2.2. Voor zover [appellante] een beroep doet op toezeggingen overweegt de Afdeling dat de aanvraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Het honoreren van door mededelingen of toezeggingen gewekte verwachtingen kan dan ook slechts plaatsvinden voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het in deze artikelen neergelegde beoordelingskader. Van toezeggingen omtrent het niet aan de vergunning verbinden van een voorschrift met een strekking als die van voorschrift C.3.1 is evenwel niet gebleken. De beroepsgrond faalt in zoverre. 2.2.3. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift C.3.1 mogen het afvalwater van huishoudelijke aard en niet-verontreinigd hemelwater de zuiveringstechnische voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.