200708124/
- Datum uitspraak: 12 augustus 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 4], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 11], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 12], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 13], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 16], waarvan de maten zijn [appellant sub 8], [maat A] en [appellant sub 32], gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 18], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 20], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 21], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 23], gevestigd te [woonplaats],
- [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 31], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],
- de raad van de gemeente Uden,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Awic B.V., gevestigd te Odiliapeel, gemeente Uden,
- [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],
- de staatssecretaris van Defensie,
- [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 39], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2007, kenmerk 1277236/1337463, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) bij besluit van 15 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2006". Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11], [appellanten sub 12], [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16] (hierna: [appellante sub 16]), [appellant sub 17], [appellanten sub 18], [appellant sub 19], [appellanten sub 20], [appellanten sub 21], [appellant sub 22], [appellante sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 27], [appellant sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 30], [appellante sub 31], [appellant sub 32], de raad, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Awic B.V. (hierna: Awic B.V.), [appellant sub 35], [appellant sub 36], de staatssecretaris van Defensie, [appellant sub 8], en [appellant sub 39], beroep ingesteld. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 5], [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 13], [appellant sub 8], Awic B.V., [appellant sub 22], [appellanten sub 21], [appellant sub 28] en [appellant sub 9] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Er zijn nadere stukken ontvangen van een aantal partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. [belanghebbende A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellant sub 2]. [appellant sub 3] en de Stichting Toneelactiviteiten "Naat Piek" hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellanten sub 18]. [appellanten sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellant sub 30]. [appellant sub 30] heeft zijn beroep ingetrokken bij brief van 2 april
- De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25, 26 en 27 mei 2009, waar [appellant sub 14], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 35], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, Awic B.V., vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat te 's Hertogenbos, [appellant sub 29], vertegenwoordigd door mr. E.M. van der Molen, [appellant sub 28], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 27], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 26], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 25], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellanten sub 6], in persoon, [appellant sub 21 A], in persoon, [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 3] in persoon, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Ternaat, advocaat te Rosmalen, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 22], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, [appellanten sub 20], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellant sub 15] in persoon, de staatssecretaris van Defensie, vertegenwoordigd door H. Zilverberg en drs. P. Kleij, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 16] en [appellant sub 32], vertegenwoordigd door [appellant sub 8], [appellant sub 19], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellanten sub 18], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellant sub 17], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 31], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellante sub 23], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, en het college, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door E.A.J.M. Sipman en Th.J.I.M. Bouwmans, en [appellant sub 3] en [belanghebbende B] als partij gehoord. .
- Overwegingen Ontvankelijkheid 2.
- De staatssecretaris van Defensie komt in beroep tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.10.3, van de planvoorschriften. De constatering van het college in het besluit dat geen wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen voor wijziging van de op plankaart 3b aangeduide 50 dB(A) geluidscontour rond het vliegveld Volkel, had het college naar zijn stelling moeten leiden tot onthouding van goedkeuring aan dat voorschrift, nu dat voorschrift de voorwaarden bevat waaronder van die wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. In zijn zienswijze tegen het ontwerpplan heeft de staatssecretaris zich niet gericht tegen artikel 27, lid 27.10.3, van de planvoorschriften wegens het daarin ontbreken van een voorschrift met een bevoegdheid tot wijziging van de op plankaart 3b aangeduide 50 dB(A) geluidscontour rond het vliegveld Volkel. 2.1.
- [appellant sub 14] richt zich in zijn beroep tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.4.3.C, van de planvoorschriften. [appellant sub 14] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan ingediend bij de raad. 2.1.
- [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] richten zich in beroep tegen het plandeel betreffende het bosperceel Peelsche Heide en tegen de op plankaart 3b vermelde geluidscontour voor gronden nabij het perceel van het [aardappelverwerkingsbedrijf]. [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] hebben geen zienswijze ingediend tegen deze onderdelen van het plan. 2.
- Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. 2.
- De beroepen van respectievelijk de staatssecretaris van Defensie, van [appellant sub 14], van [appellante sub 16], van [appellant sub 32] en van [appellant sub 8] zijn in zoverre niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.
- Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Planbeschrijving 2.
- Het bestemmingsplan omvat het grondgebied van de gemeente Uden met uitzondering van de kernen Uden, Volkel en Odiliapeel en enkele gebieden waarvoor een zelfstandig bestemmingsplan geldt. Het plan vervangt het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983, onherroepelijk geworden met het Kb van 17 april 1990, en het bestemmingsplan "Buitengebied (1e partiële herziening)" van 1993, onherroepelijk geworden met het Kb van 27 september
- Op plankaart 1 zijn de gebiedsbestemmingen aangewezen. Op plankaart 2 de detailbestemmingen. Op plankaart 3a staan de ontwikkelingszones, waaronder de reconstructiezonering voor de intensieve veehouderij van het reconstructieplan Peel en Maas. Op plankaart 3b staan de belemmeringszones waarmee rekening gehouden moet worden bij wijziging of vrijstelling van het plan. Bosgebied -Bg- (artikel 4) Het beroep van [appellant sub 9] 2.
- [appellant sub 9] stelt dat ten onrechte aan zijn perceel aan de [locatie 1] geen recreatieve bestemming is toegekend. Hij betoogt dat sprake is van bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel en dat in strijd met het recht in dit plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het niet toekennen van een recreatieve bestemming is naar de stelling van [appellant sub 9] ook in strijd met de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd. Nu het gebruik al tientallen jaren bestaat en de raad op 2 februari 1995 uitdrukkelijk heeft besloten af te zien van sanering, is naar zijn stelling sprake van een bestaande functie die in redelijkheid niet meer te wraken/handhaven is dan wel te lang is gedoogd. In die situatie boden de uitgangspunten de mogelijkheid dat gebruik of die functie als zodanig in het plan te bestemmen. 2.6.
- De raad heeft de gronden op plankaart 1 aangewezen als "Bosgebied" zonder de aanduiding 'V, vakantiehuisje toegestaan'. 2.6.
- Het college heeft in het ontbreken van de recreatieve aanduiding geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan de toegekende bestemming. Hij heeft daarbij overwogen dat toekenning van zodanige aanduiding een in het streekplan verboden nieuwvestiging van een solitair gelegen recreatiewoning in de Groene Hoofdstructuur (natuur) zou betreffen. Bovendien is voor de bebouwing van het perceel geen vergunning verleend en heeft het gemeentebestuur te kennen gegeven actief handhavend te zullen optreden tegen de zonder vergunning gerealiseerde bebouwing. 2.6.
- De gronden, op plankaart 1, aangewezen voor "Bosgebied" zijn ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planvoorschriften bestemd voor de volgende doeleinden: a. instandhouding, herstel en ontwikkeling van bos en bosgroeiplaats met een daarop afgestemde bosbouw; b. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de in het bosgebied plaatselijk voorkomende niet beboste gedeelten, zoals bouw- of grasland, heide, moeras, vennen, vijvers, waterlopen; c. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, hydrologische en aardkundige waarden; d. watergangen met een waterhuishoudkundige functie in verband met de onder a t/m c genoemde doeleinden; e. instandhouding van onverharde wegen, paden en (on)verharde fietspaden; f. extensief recreatief medegebruik; g. voor verblijfsrecreatie in de vorm van een vakantiehuisje, uitsluitend ter plaatse van de aldus bestaande bebouwing conform het bepaalde in lid 4.2, onder b, van de voorschriften. De in artikel 4, lid 4.2, opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat de tot "Bosgebied" bestemde gronden, behoudens vrijstelling niet mogen worden bebouwd uitgezonderd - voor zover van belang - vakantiehuisjes, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid met 'V, vakantiehuisje toegestaan' en waarbij de bestaande oppervlakte, inhoud, goothoogte en hoogte als maximum gelden. 2.6.
- Het perceel ligt aan de rand van het bosgebied De Bedafse Bergen. Op het perceel staat sinds eind jaren '70 een stacaravan die, gelet op de bij het deskundigenbericht overgelegde foto's, gelijkenis vertoont met een vakantiewoning en die gezien vorm, omvang en constructie niet geschikt is om regelmatig te worden vervoerd. 2.6.
- In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 was het perceel - voor zover van belang - bestemd als "Natuurgebieden (LNG)". Ingevolge de bebouwingsbepalingen die golden voor die bestemming, mochten op de aldus bestemde gronden geen gebouwen of andere bouwwerken worden gebouwd. Ingevolge artikel 56 van dat plan mocht, in afwijking van de algemene overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden, het bestaande gebruik van onbebouwde gronden die op de inventarisatiekaart als zodanig waren aangegeven met "C", ten behoeve van staanplaatsen voor sta- en toercaravans, niet langer dan vijf jaar na het rechtskracht verkrijgen van het plan, worden voortgezet. Het perceel is op bedoelde inventarisatiekaart aangeduid als "C". Nu het plan, na gedeeltelijke goedkeuring bij Koninklijk besluit van 17 april 1990, op genoemde datum in werking is getreden, eindigde het recht op recreatief gebruik van het perceel voor verblijf in een stacaravan dat [appellant sub 9] aan het voorheen geldende plan kon ontlenen op 17 april
- Het betoog van [appellant sub 9] dat sprake is van bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel, faalt derhalve. 2.6.
- Voorts stelt het college zich terecht op het standpunt dat nu het perceel, naar niet is betwist, op de plankaart van het streekplan binnen de aanduiding GHS-natuur valt, het provinciale, ruimtelijke beleid voor gronden met die aanduiding een solitaire vestiging van een recreatiewoning niet toelaat. Voor afwijking van dat beleid behoefde het college geen aanleiding te zien, nu niet is betwist dat voor de plaatsing van de stacaravan/recreatiewoning geen bouwvergunning is verleend. 2.6.
- Voor zover [appellant sub 9] heeft betoogt dat het college van burgemeester en wethouders van Uden hem tot 1991 jaarlijks een ontheffing op grond van artikel 27, vierde lid, van de toenmalige Kampeerwet verleende voor die plaatsing, overweegt de Afdeling dat die ontheffingen aan het - destijds in artikel 47 van de Woningwet opgenomen - verbod om te bouwen zonder (bouw)vergunning van het college van burgemeester en wethouders geen afbreuk deden. Bovendien heeft dat college, uitvoering gevend aan zijn bij brief van 30 januari 1991 gedane aankondiging, in verband met het onherroepelijk worden van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", [appellant sub 9] vanaf 1995 niet langer een ontheffing op grond van artikel 27, vierde lid, van de toenmalige Kampeerwet verleend. 2.6.
- Het college stelt dan ook terecht dat het college van burgemeester en wethouders van Uden tegen de aanwezigheid van het object nog handhavend kan optreden. 2.6.
- Voor zover [appellant sub 9] heeft betoogd dat het niet toekennen van een recreatieve bestemming in strijd is met de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, faalt ook dit betoog, reeds omdat nog handhavend kan worden opgetreden tegen het object. 2.6.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca- (artikel 7) Het beroep van [appellant sub 25] 2.
- [appellant sub 25] betwist voor zijn bouwland aan de Knokerdweg de juistheid van de toegekende bestemming en de noodzaak van het voor die gronden geldende aanlegvergunningstelsel. Naar zijn stelling zijn daar geen bijzondere waarden aanwezig. Het toetsingskader en de te volgen procedure zijn onduidelijk en het aanlegvergunningstelsel maakt de normale agrarische bedrijfsvoering onmogelijk. 2.7.
- De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden -Alca-". Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, zijn deze gronden daarmee bestemd voor a. agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie; b instandhouding van (beperkt) natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en aardkundige waarden; c. [..]; d. [..]. 2.7.
- Op de waardenkaart bij het plan zijn de gronden tevens aangeduid met het differentiatievlak 'aardkundig waardevol gebied'. Daarmee zijn die gronden ingevolge artikel 7, lid 7.1.2, in het bijzonder bestemd voor de instandhouding van aardkundige waarden. Op de bescherming van die aardkundige waarden is ingevolge artikel 7, lid 7.3, het in artikel 14 opgenomen aanlegvergunningstelsel van toepassing. 2.7.
- Het college acht de toegekende bestemming en aanduiding in overeenstemming met de in het streekplan aan de gronden toegekende aanduiding AHS-landschap en heeft die goedgekeurd. 2.7.
- [appellant sub 25] heeft zijn stelling dat van bijzondere waarden geen sprake is niet met gegevens gestaafd. Uit de plankaarten blijkt dat juist ten oosten van de landbouwgronden van [appellant sub 25] de zogenoemde Peelrandbreuk ligt. Die gronden zijn op de waardenkaart bij het plan aangeduid als 'wijstgronden', 'natte graslanden', 'struweel' en 'amfibieën'. Het samenspel tussen de hoger gelegen wijstgronden aan de oostzijde van de breuk en de lager gelegen gronden aan de westzijde - waaronder de gronden van [appellant sub 25] - wordt in het deskundigenbericht aangemerkt als aardkundig en landschappelijk waardevol. Gelet hierop heeft het college ervan uit kunnen gaan dat de landbouwgronden van [appellant sub 25] terecht zijn aangewezen als "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca-" en terecht zijn aangeduid als 'aardkundig waardevol gebied'. 2.7.
- [appellant sub 25] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het aanlegvergunningstelsel de gewone agrarische bedrijfsvoering ernstig zal belemmeren. In aardkundig waardevol gebied zijn ingevolge artikel 14, lid 14.1, gelezen in samenhang met de in artikel 14, lid 14.6, opgenomen 'Tabel aanlegvergunningen/strijdig gebruik' de volgende werken/werkzaamheden vergunningplichtig: - voor bodemopbouw en reliëf: het afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en woelen, egaliseren en indrijven van voorwerpen; - voor waterhuishouding: aanleg van drainage anders dan ter vervanging van bestaande drainage, aanbrengen van onderbemaling, aanleggen van dammen, stuwen, aanleggen verbreden of verbeteren van sloten en greppels, dempen van sloten en greppels, dempen van kleine geïsoleerde wateren en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; - voor infrastructuur: aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2, aanbrengen van ondergrondse leidingen, wijzigen van de perceelsindeling zoals die tot uiting komt in greppels, kavelsloten, steilranden, beplanting, kavelpaden, onverharde wegen en dergelijke; - voor teeltondersteunende voorzieningen: aanbrengen van lage teeltondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter c.q. containervelden, aanbrengen van hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter voor zover geen bouwwerk zijnde en het aanbrengen van overige teeltondersteunende voorzieningen. [appellant sub 25] heeft niet aannemelijk gemaakt dat genoemde werken en/of werkzaamheden zijn dagelijkse agrarische bedrijfsvoering betreffen. Bovendien zijn ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder b, werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer overeenkomstig de bestemming betreffen, van de vergunningplicht uitgezonderd. 2.7.
- [appellant sub 25] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat het toetsingskader van het aanlegvergunningstelsel onduidelijk is. Ingevolge artikel 14, lid 14.3, zijn de in 2.7.5 genoemde werken en/of werkzaamheden slechts toelaatbaar, indien: a. deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming of dubbelbestemming zijn toegekend; b. hierdoor, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de [..], aardkundige, [..] waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, dan wel de mogelijkheden voor ontwikkeling of herstel van die functies en waarden niet onevenredig verkleind worden. Artikel 14, lid 14.1, verplicht het college van burgemeester en wethouders alvorens te beslissen omtrent een vergunningaanvraag onderzoek te verrichten en de uitkomsten van dat onderzoek en de aan het besluit ten grondslag gelegde motieven bij zijn besluit kenbaar te maken. Daarmee wordt de besluitvorming voldoende inzichtelijk en kenbaar gemaakt, onder meer wat betreft de afweging van de bij de aanvraag betrokken belangen. 2.7.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel en -voorschrift niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Vliegbasis (artikel 10) Het beroep van de staatssecretaris van Defensie 2.
- De staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan delen van planvoorschrift 10 dat betrekking heeft op de gronden van de vliegbasis Volkel. Het heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen, deel 4, pagina
- Daardoor is naar de stelling van de staatssecretaris de motivering van het college, dat het grondgebied van de vliegbasis niet is bestemd in overeenstemming met het streekplanbeleid ten aanzien van de GHS, ondeugdelijk en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. 2.8.
- De raad heeft de gronden van de vliegbasis Volkel in het plan aangewezen voor "Vliegbasis -Vb-". Daarmee zijn deze gronden ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planvoorschriften bestemd voor de volgende doeleinden: a militaire vliegbasis met bijbehorende voorzieningen; b instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan, waarbij dit doeleind ondergeschikt is aan voornoemd doeleind onder a; c watergangen met een waterhuishoudkundige functie in verband met de onder a en b genoemde doeleinden. Voor zover de gronden zijn gelegen binnen een op de waardenkaart aangegeven differentiatievlak 'levensgemeenschap van bos' zijn deze gronden ingevolge artikel 10, lid 10.1.2, in het bijzonder bestemd voor de in het voorgaande lid onder b bepaalde doeleinden. 2.8.1.
- De tot "Vliegbasis -Vb-" bestemde gronden mogen ingevolge artikel 10, lid 10.2, van de planvoorschriften, onder nader in dat artikellid aangegeven beperkingen, uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de bestemming. Voor nader in artikel 14, lid 14.6, aangegeven werken en werkzaamheden, waaronder het rooien en aanplanten van houtgewas, het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2 en van ondergrondse leidingen geldt een aanlegvergunningstelsel. 2.8.
- Voor zover de aanduiding 'levensgemeenschap van bos' op de waardenkaart samenvalt met de gebiedsbestemming "Vliegbasis" op plankaart 1 heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 10, behoudens de zinsneden "de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Vliegbasis" zijn bestemd voor de volgende doeleinden" en "instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan". Daardoor is dat gedeelte van de gronden van de vliegbasis enkel bestemd voor: "instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan." Het college heeft het plandeel waarop de onthouding van goedkeuring betrekking heeft met rood omlijnd op de plankaart. 2.8.2.
- Het college heeft hiertoe besloten, omdat de waarden van dat deel van de gronden, die in het streekplan zijn aangeduid als GHS-natuur, onvoldoende worden beschermd. De instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden zijn, aldus het college, in de doeleindenomschrijving ondergeschikt gemaakt aan de militaire vliegbasis met bijbehorende voorzieningen. Door deze ondergeschiktheidverklaring zijn het verharden van oppervlak en het leggen van leidingen, waarvoor weliswaar een aanlegvergunningplicht geldt, zonder nadere afweging omtrent de aantasting van de GHS en zonder compensatie, mogelijk, omdat die werken en werkzaamheden verband houden met de doeleinden die aan de bestemming zijn toegekend. Deze wijze van bestemmen acht het college in strijd met het streekplan. 2.8.
- De gronden waarop de onthouding van goedkeuring betrekking heeft, zijn ingevolge lid 10.1.2 van het artikel door de aanduiding 'levensgemeenschap van bos' op de waardenkaart bij het plan in het bijzonder bestemd voor instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarde daarvan. Die gronden zijn op plankaart 3a (Ontwikkelingen) tevens aangeduid als "groene hoofdstructuur (GHS-natuur)". 2.8.
- Op de streekplankaart zijn die gronden aangeduid als "GHS-natuur". Het provinciale ruimtelijke beleid voor gebieden met die aanduiding is erop gericht de (potentiële) natuurwaarden en de hiermee samenhangende landschappelijke waarden planologisch te beschermen. Voor deze gronden - voor zover in het streekplan niet aangeduid als regionale natuur en landschapseenheden of natuurparels - geldt het 'nee, tenzij principe'. Hier is uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS en de AHS-landschap, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. In het geval van een dergelijke onontkoombaarheid moet, aldus het streekplan, verzekerd zijn dat de aantasting van de natuurwaarden en van de daarmee samenhangende landschapswaarden tot een minimum wordt beperkt en wordt gecompenseerd. Voor de verhouding tussen enerzijds de GHS en anderzijds militaire terreinen is in het streekplan specifiek beleid opgenomen. Uitgangspunt van dat beleid is dat de provincie meewerkt aan het ter beschikking stellen van ruimte voor militaire activiteiten die volgens het nationale defensiebeleid noodzakelijk zijn. Wel moet bij de locatiekeuze voor de uitoefening van militaire activiteiten zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de natuur- en landschapswaarden. Wat betreft deze waarden is het 'nee, tenzij-principe' van toepassing. De door de minister van Defensie gewenste aanleg, uitbreiding of intensivering van een militair terrein wordt echter in beginsel aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Ook ten aanzien van defensie-activiteiten streeft de provincie ernaar zo zuinig mogelijk met de ruimte om te gaan. Op bestaande militaire terreinen in het buitengebied buiten de stedelijke regio's streeft de provincie ernaar dat geen verdere uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt. 2.8.
- In de Nota Ruimte is gesteld dat het kabinet militaire activiteiten aanmerkt als een nationaal belang, dat zich niet leent voor een afweging door decentrale overheden. De ruimtebehoefte voor militaire activiteiten is vastgelegd in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen van 2 november
- Dit structuurschema bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor provincies en gemeenten. In deel 4 van dat structuurschema is aangegeven dat voor kazernes, werk- en opslagplaatsen groter dan 5 hectare die deels of geheel zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur, binnen het hekwerk geen beperkingen gelden aan veranderingen in de bebouwing en terreinverharding. Voor vliegbases en vliegkampen geldt deze vrijstelling in beginsel alleen voor het verharde en bebouwde gedeelte. 2.8.
- Ter zitting heeft het college verklaard enkel bezwaar te hebben tegen verdere verharding van die delen van de gronden voor het doeleind 'vliegbasis' en tegen de ondergeschiktheidverklaring van de bescherming van de natuurwaarden aan dat doeleind, voor zover het voorschrift er niet toe dwingt dat een aantasting van de natuurwaarden als gevolg van verharding niet wordt gecompenseerd. Dat acht het college in strijd met het streekplanbeleid. 2.8.
- Het college stelt zich, gelet op hetgeen is overwogen in 2.8.
- en 2.8.5., terecht op het standpunt dat de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen van 2 november 2005 de eis van compensatie in geval van aantasting van natuurwaarden in de GHS niet opzij zet. In zoverre het planvoorschrift niet voorziet in zodanige eis tot compensatie, heeft het college dat voorschrift voor die delen van de gronden van de vliegbasis die in het streekplan zijn aangeduid als GHS-natuur, terecht in strijd geacht met het streekplanbeleid. Het betoog van de staatssecretaris dat de onthouding van goedkeuring in strijd is met de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen faalt derhalve. 2.8.
- De conclusie is dat hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft de op plankaart 1 met rood omlijnde delen betreffende de vliegbasis Volkel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.8.
- Het beroep van de staatssecretaris is voor het overige ongegrond. Agrarische bedrijven (artikel 15) Het beroep van [appellanten sub 1]) 2.
- [appellanten sub 1] stellen in beroep dat de bij de planvaststelling toegekende vergroting van het bouwblok [locatie 2] niet is verwerkt op de plankaart. Vorm en omvang van het bouwblok zijn op de plankaart niet veranderd ten opzichte van het ontwerpplan. 2.9.
- Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwblok naar aanleiding van de zienswijze aan de achterzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing is aangepast en dat de plankaart in overeenstemming is met het raadsbesluit tot vaststelling van het plan. Het heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.9.
- Vergelijking van het bestemmingsvlak zoals dat in het ontwerpplan was getekend met het bestemmingsvlak in het vastgestelde en goedgekeurde plan, laat zien dat de grens van het bestemmingsvlak ten opzichte van de bestaande schuur in het vastgestelde en goedgekeurde plan verder naar het noorden ligt dan in het ontwerpplan. Daarmee staat voldoende vast dat het bestemmingsvlak is vergroot ten opzichte van het ontwerpplan. Het betoog van [appellanten sub 1] dat de bij de planvaststelling toegekende vergroting van het bouwblok niet in het plan is verwerkt, mist derhalve feitelijke grondslag. 2.9.
- De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 6] 2.
- [appellanten sub 6] stellen in beroep dat de omvang van het agrarische bouwblok voor de percelen [locatie 3 en 4] te klein is vastgesteld. Ten tijde van de planvaststelling was bij de gemeente een concreet initiatief voor de bouw van een nieuwe rundveestal en een sleufsilo ingediend. Daarmee is bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden. Vergroting van het bouwblok achten zij voorts nodig voor de bouw van een garage bij de woning [locatie 3]. 2.10.
- De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellanten sub 6] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen in het plan met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar uitbreidingsplan in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.10.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15% van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.10.
- [appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan voor een nieuwe rundveestal en sleufsilo bij de gemeente hadden ingediend. Een schets van een bouwplan of een situatieschets bij de aanvraag om een milieuvergunning is terecht niet als een concreet uitvoerbaar bouwplan aangemerkt. Die aanvraag om milieuvergunning en de nadien op 19 oktober 2007 ingediende aanvraag om bouwvergunning zijn overigens, naar ter zitting is gebleken, buiten behandeling gesteld wegens het niet indienen van de benodigde gegevens. Het bouwblok is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten toegekend. 2.10.
- Verder blijkt uit de stukken waaronder het deskundigenbericht dat binnen het bouwblok ruimte is voor de bouw van een sleufsilo en een garage bij de woning [locatie 3]. Weliswaar kan de garage dan niet overeenkomstig de wens van [appellanten sub 6] aan de westzijde van de woning worden gebouwd, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat een direct toezicht op de oprit naar die garage is vereist. Verder meldt het deskundigenbericht dat, ook indien de garage aan de oostzijde van de woning wordt gebouwd, de oprit naar de woning kan worden gehandhaafd. Voor de bouw van een nieuwe stal, achter de huidige zoals [appellanten sub 6] wensen, zal blijkens het deskundigenbericht de vorm van het bouwblok moeten worden aangepast. Daarvoor is echter een wijzigingsbevoegdheid in het plan opgenomen. 2.10.
- De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10] 2.
- [appellant sub 10] stelt dat in afwijking van de uitgangspunten aan zijn perceel [locatie 5] een te klein bouwblok is toegekend. Ook is zijn inrit vanaf de Egelweg niet in het bouwblok opgenomen. 2.11.
- De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 10] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.11.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Aan een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 5]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dit bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). Tot het erf worden in ieder geval gerekend bedrijfswoning(en), tuin, alle bebouwing zoals stal/loods/opslagruimte, permanente kassen/tunnels, (toren)silo's, mestsilo's/-platen, waterbassins, aan- en afvoerwegen (particulier en op het erf), ruimte voor kleinschalig kamperen en groenvoorzieningen/erfbeplanting. 2.11.
- De Afdeling stelt vast dat de aan- en afvoerwegen naar een perceel alleen in het bouwblok zijn opgenomen voor zover die binnen het erf liggen. De inrit naar het perceel vanaf de Egelweg, voor zover die buiten het erf ligt, is derhalve in overeenstemming met de gehanteerde uitgangspunten niet binnen het bouwblok opgenomen. 2.11.
- [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan tot uitbreiding van zijn bedrijfsruimte had ingediend. De aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunten gaven hem derhalve in beginsel aanspraak op een bouwblok waarin was voorzien in een uitbreiding van ongeveer 15% van het bestaande, in gebruik zijnde erf. 2.11.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat het in het plan opgenomen bouwblok ten opzichte van het bouwblok zoals dat in 2002 onder de gelding van het vorige plan was vastgesteld, met ongeveer 0,2 ha is verkleind tot ongeveer 0.7 ha. Het omvat uitsluitend het bestaande, in gebruik zijnde bruto erf en 0.05 ha, die in gebruik is als jeu de boule baan. Het deskundigenbericht bevestigt het standpunt van [appellant sub 10] dat een uitbreidingsruimte van ongeveer 15% binnen het bouwblok thans niet aanwezig is. 2.11.
- Het standpunt van het college en de gemeenteraad ter zitting dat wel een uitbreidingsruimte van 15% aanwezig is, omdat de binnen het bouwblok aanwezige sportkantine en jeu de boule baan illegaal aanwezig zijn en als uitbreidingsruimte kunnen worden aangewend, wijkt af van hun standpunt in het besluit tot goedkeuring respectievelijk vaststelling van dit plandeel. Daarin wordt niet gerept van de illegale aanwezigheid van een sportkantine en een jeu de boule baan binnen het bouwblok en van het meetellen van die gebruiksruimte bij de uitbreidingsruimte voor de komende planperiode. Voorts blijkt uit een brief van 6 december 1999 dat het college van burgemeester en wethouders toestemming heeft verleend voor de bouw van de sportkantine op het agrarische bouwperceel. De stelling van het college en de gemeenteraad dat die kantine illegaal aanwezig is, dient dan ook nader te worden gemotiveerd. Ook is niet duidelijk geworden waarom het bouwblok na bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2002 - ondanks de aanwezigheid van de sportkantine - met ongeveer 0,2 ha te zijn vergroot, bij dit plan met ongeveer 0,2 ha is verkleind. 2.11.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel [locatie 5]. De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Het beroep van [appellant sub 25] 2.
- [appellant sub 25] stelt dat het bouwblok voor zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 6] in strijd met het provinciale beleid, met name het reconstructieplan Peel en Maas, is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan en nu onvoldoende uitbreidingsmogelijkheid biedt. Ook is er bij de toekenning van het bouwblok geen rekening mee gehouden dat zijn bedrijf bestaat uit een melkrundveehouderij en een intensieve veehouderij (varkens). Die omstandigheid dwingt tot een groter bouwblok. Een zuivere toepassing van het provinciale beleid betekent naar zijn stelling dat voor zowel de varkenshouderij als voor de rundveehouderij een bouwblok had moeten worden opgenomen in het plan. 2.12.
- De raad heeft een zogenoemd bouwblok op maat vastgesteld met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%. De al wel vergunde, maar ten tijde van de planvaststelling nog niet gerealiseerde bedrijfsbebouwing is in het bouwblok opgenomen. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.12.
- Het betoog van [appellant sub 25] dat het bouwblok voor zijn agrarische bedrijf in strijd met het provinciale beleid, met name het reconstructieplan Peel en Maas, is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan Buitengebied van 1983, mist feitelijke grondslag. Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, staat voldoende vast dat het toegekende bouwblok zowel aan de oost- als aan de westzijde is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bouwblok. 2.12.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen (waaronder begrepen gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak) ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 6]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15% van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.12.
- Anders dan [appellant sub 25] stelt, geeft het beleid hem geen aanspraak op een bouwblok op maat voor zijn grondgebonden agrarische activiteiten (akkerbouw en rundveehouderij) naast een bouwblok op maat voor zijn intensieve veehouderij-activiteiten. Het beleid voorziet in één bouwblok op maat voor alle agrarische activiteiten op een perceel. 2.12.
- Het betoog van [appellant sub 25] dat het toegekende bouwblok onvoldoende uitbreidingsmogelijkheid biedt, faalt. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt dat de bedrijfsbebouwing en voorzieningen binnen het bouwblok liggen en dat nog voldoende, benutbare uitbreidingsruimte aanwezig is. De gronden die betrekking hebben op het oostelijke deel van het bestemmingsvlak kunnen, aldus het deskundigenbericht, nog worden bebouwd ten behoeve van zowel de rundveehouderij als ten behoeve van de varkenshouderij. [appellant sub 25] heeft dit onvoldoende betwist. 2.12.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ook in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 26] 2.
- [appellant sub 26] heeft ter zitting zijn betoog dat het agrarische bouwblok aan de [locatie 7] ten onrechte is gekoppeld aan het agrarische bouwblok aan de [locatie 8] ingetrokken. Hij betwist thans nog in beroep dat het voor die percelen toegekende, gekoppelde bouwblok is toegekend volgens het beleidsuitgangspunt 'bouwblok op maat'. Naar zijn stelling is geen rekening gehouden met zijn concrete uitbreidingsplannen, biedt het bouwblok geen reële uitbreidingsmogelijkheid en is het ten onrechte verkleind ten opzichte van het voorheen geldende bouwblok. 2.13.
- De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 26] op de gekoppelde percelen [locatie 7] en 17 een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.13.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Een intensieve veehouderij op gronden die (zoals de percelen [locatie 7] en 17) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.13.
- Het betoog van [appellant sub 26] dat hij voor beide percelen een concreet plan heeft ingediend voor uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, faalt. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt dat hij weliswaar een voornemen kenbaar heeft gemaakt tot uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op beide percelen, maar dat hij die voornemens niet heeft geconcretiseerd in een uitvoerbaar bouwplan. 2.13.
- Wel slaagt het betoog dat het gekoppelde bouwblok geen uitbreidingsruimte biedt. Ter zitting is gebleken dat het perceel [locatie 7] het oorspronkelijke bedrijfsperceel is en dat [appellant sub 26] het perceel [locatie 8] destijds heeft gekocht voor uitbreiding van zijn bedrijfsactiviteiten. Onweersproken is gesteld dat inmiddels op het perceel [locatie 8] in verband met nabij staande woningen geen uitbreidingsmogelijkheid voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 26] aanwezig is. Voor het antwoord op de vraag of op het perceel [locatie 7] een uitbreidingsmogelijkheid kan worden gecreëerd moet, volgens mededeling van de gemeenteraad ter zitting, eerst worden vastgesteld of sprake is van een duurzame locatie voor een intensieve veehouderij. 2.13.
- Het college is evenwel bij zijn besluit tot goedkeuring van het plandeel betreffende dit gekoppelde bouwblok in navolging van de gemeenteraad er vanuit gegaan dat de locatie duurzaam is en dat op het perceel [locatie 8] meer dan 15% uitbreidingsruimte aanwezig is. Het college en de gemeenteraad zijn bij hun besluitvorming derhalve uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie. 2.13.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor de gekoppelde percelen [locatie 7 en 8]. De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Het beroep van [appellant sub 27] 2.
- [appellant sub 27] maakt bezwaar tegen de omvang van het bouwblok voor zijn varkenshouderij aan de [locatie 9]. De omvang van dit bouwblok is in strijd met het provinciale beleid, met name met reconstructieplan Peel en Maas, verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan. Daardoor is er naar zijn stelling te weinig uitbreidingsmogelijkheid. 2.14.
- De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 27] een zogenoemd bouwblok op maat met een uitbreidingsmogelijkheid van 15% opgenomen, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.14.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Aan een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 9]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'landbouwontwikkelingsgebied', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.14.
- Het toegekende bouwblok (circa 7.603 m2) is blijkens de stukken waaronder het deskundigenbericht - en nader toegelicht ter zitting - enigszins verruimd aan de zijde van de Beukenlaan en achter de bestaande stallen, maar is aan de zuidzijde met een strook van ongeveer 10 m versmald. Er resteert echter nog ongeveer 1.288 m2 aan gronden die benut kunnen worden voor uitbreiding. Anders dan [appellant sub 27] stelt is derhalve een bouwblok op maat toegekend overeenkomstig de gehanteerde uitgangspunten. 2.14.
- [appellant sub 27] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat toekenning van een bouwblok op maat dat aan de zuidzijde kleiner is dan het voorheen geldende bouwblok in strijd is met het provinciale beleid, met name met reconstructieplan Peel en Maas. Het bouwblok zoals dat in het voorheen geldende plan Buitengebied 1983 was opgenomen, is toegekend vóór de inwerkingtreding van het streekplan 1992 en het streekplan 2002 en daarin is een zuinig ruimtegebruik als uitgangspunt van beleid opgenomen. Ook het reconstructieplan Peel en Maas gaat bij de toekenning van bouwblokken uit van een bouwblok op maat. 2.14.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 29] 2.
- [appellant sub 29] stelt dat voor zijn melkrundveehouderij aan de [locatie 10] een te klein bouwblok is toegekend. De bestaande bedrijfsbebouwing is niet volledig in het bouwblok ingetekend en er is vanwege de aanwezigheid van de woning [locatie 11], geen benutbare uitbreidingsruimte. De gronden aan de oostzijde van zijn bouwblok, die behoren bij die woning en waarvan hij geen eigenaar meer is, zijn naar zijn stelling ook ten onrechte in zijn bouwblok opgenomen. 2.15.
- De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellant sub 29] een zogenoemd bouwblok op maat vastgesteld met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%. De al wel vergunde, maar ten tijde van de planvaststelling nog niet gerealiseerde uitbreiding van de rundveestal is in het bouwblok opgenomen. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.15.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.15.
- Anders dan [appellant sub 29] heeft betoogd, is ter zitting vast komen te staan dat de bestaande en de vergunde bedrijfsbebouwing binnen het bouwblok valt. 2.15.
- Ook faalt het betoog van [appellant sub 29] dat de gronden aan de oostzijde van het bouwblok, waarop de woning [locatie 11] staat, ten onrechte in zijn bouwblok zijn opgenomen, omdat hij die woning met bijbehorende gronden als burgerwoning heeft verkocht. Ter zitting is gebleken dat die verkoop tot stand is gekomen na het besluit omtrent goedkeuring van het plan. Het college heeft daarmee geen rekening kunnen houden. 2.15.
- Voorts is voldoende vast komen te staan dat de woning [locatie 11] ten tijde van het besluit tot vaststelling van het plan en het besluit omtrent goedkeuring daarvan planologisch de tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf van [appellant sub 29] was. Die woning vormde op dat moment dan ook geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden binnen het agrarische bouwblok. 2.15.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 29] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 29] is ongegrond. Het beroep van Awic B.V. 2.
- Awic B.V. stelt dat het college - gelet op de gehanteerde overwegingen en de daarop gebaseerde conclusie - niet slechts goedkeuring had moeten onthouden aan het bouwblok voor haar perceel Hemelrijkstraat 11 zoals dat bij het besluit tot vaststelling in het plan is opgenomen, maar aan een groter deel van de plankaart zodanig dat het bouwblok zoals dat gold onder het voorheen geldende plan kan worden hersteld. Alleen dan is er voldoende ruimte voor realisering van de reeds vergunde vergroting van twee pluimveestallen en de bouw van een loods achter die pluimveestallen alsmede voor de bouw van een bedrijfswoning. 2.16.
- Het college heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel Hemelrijkstraat 11, omdat de erfbeplanting, in ieder geval aan de westzijde van het bedrijf, niet in het bouwblok is opgenomen. Het college acht dit in strijd met het gehanteerde uitgangspunt dat alle tot een bedrijf behorende onderdelen in het toegekende agrarische bouwblok dienen te zijn vervat. Het deel van de bedenking waarin is betoogd dat het bouwblok geen ruimte biedt voor het oprichten van een bedrijfswoning heeft het college onbesproken gelaten, omdat de raad dit bij de planherziening naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring dient te betrekken. 2.16.
- Het betoog van Awic B.V. dat het college aan een groter deel van de plankaart goedkeuring had moeten onthouden, faalt. Het college heeft, onder gegrondverklaring van de bedenkingen van Awic B.V., op plankaart 2 goedkeuring onthouden aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel Hemelrijkstraat
- Daardoor is op plankaart 2, waarop de detailbestemmingen zijn aangewezen, geen bouwblok van kracht geworden voor het perceel Hemelrijkstraat 11 en geldt voor die gronden alleen de op plankaart 1 aangewezen gebiedsbestemming. Tot een onthouding van goedkeuring aan een groter deel van de plankaart had het college, nu de bedenkingen van Awic B.V. waren gericht tegen de (omvang van de) detailbestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor haar perceel op plankaart 2, niet behoeven te besluiten. 2.16.
- Voor zover Awics stelt dat het college aan zijn onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag had moeten leggen dat het nieuwe bouwblok ruimte moet bieden aan de reeds vergunde vergroting van twee pluimveestallen en de bouw van een loods achter die pluimveestallen alsmede voor de bouw van een bedrijfswoning, overweegt de Afdeling het volgende. Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van Awics zijn gericht, is in zoverre aan haar beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan. Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld. De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan. Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van Awics B.V. aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro. 2.16.
- De conclusie is dat hetgeen Awics. B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 35] 2.
- [appellant sub 35] stelt in beroep dat ten onrechte geen agrarisch bouwblok is toegekend aan zijn perceel [locatie 12]. Hij heeft op dat perceel een reëel akkerbouw- en rundveehouderijbedrijf. Hij betwist dat sprake is van met het streekplan strijdige nieuwvestiging. Naar zijn stelling is voor toekenning van een agrarisch bouwblok voldoende dat een reëel agrarisch bedrijf aanwezig is. Voorts doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu aan het perceel [locatie 13] wel een agrarisch bouwblok is toegekend. [appellant sub 35] stelt in beroep verder dat met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) de op zijn perceel staande agrarische bedrijfsgebouwen niet als zodanig zijn bestemd. 2.17.
- De raad heeft het perceel [locatie 12] op plankaart 1 bestemd als "Agrarisch gebied" met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) op plankaart
- Daarmee zijn de gronden - voor zover van belang - bestemd voor de agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van agrarische bodemexploitatie en mogen deze gronden, behoudens vrijstelling, - voor zover van belang - uitsluitend worden bebouwd met kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren, waarbij de bestaande oppervlakte, goothoogte en hoogte als maximum gelden. Het in het vorige bestemmingsplan opgenomen bouwblok voor het perceel [locatie 12] dat was gekoppeld aan het bouwblok op het perceel [locatie 13] ten teken dat het met dat bouwblok één geheel vormde, is bij het vaststellingsbesluit niet in het plan opgenomen. 2.17.
- Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Toekenning van een bouwblok voor dit perceel merkt het college aan als een met het streekplan in strijd zijnde nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, omdat eind 2004 een deel van het bedrijf is verkocht. Voorts, en naar zijn mening ten overvloede, acht het college ook geen reëel agrarisch bedrijf aanwezig. Met de aanduiding 'G' wordt naar de stelling van het college de legaal opgerichte bebouwing voldoende gerespecteerd. 2.17.
- Het streekplan verstaat blijkens de op blz.157 vermelde begripsbepaling onder "nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf": de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok. Onder bouwblok verstaat het streekplan de in een bestemmingsplan vastgelegde ruimtelijke eenheid waarbinnen de bebouwing ten behoeve van een bestemming dient te worden geconcentreerd. Het bouwblok voor het perceel [locatie 13] was, naar ter zitting is bevestigd, in het voorheen geldende plan, gelet op de grootte en de omvang aan bedrijfsbebouwing, het hoofdbouwperceel dat als zodanig een zelfstandig bouwblok vormde. Het bouwperceel [locatie 12] was daaraan gekoppeld, omdat dit op zichzelf te klein van omvang was. Nu het bouwblok op het perceel [locatie 12] in het voorheen geldende plan was gekoppeld aan het bouwblok op het perceel [locatie 13] ten teken dat het met dat bouwblok één geheel vormde, was op het perceel [locatie 12] geen zelfstandig bouwblok in de zin van het streekplan geprojecteerd. Het college stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat met de verkoop van het perceel [locatie 13] het deel van het bouwblok dat was geprojecteerd op het perceel [locatie 12] geen betekenis meer heeft. Het college heeft daaruit terecht geconcludeerd dat toekenning van een zelfstandig bouwblok voor het perceel [locatie 12] in dit plan dient te worden aangemerkt als een, met het streekplanbeleid in strijd zijnde, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. In de bedenking van [appellant sub 35] behoefde het college geen aanleiding te vinden van dat beleid af te wijken. Het betoog van [appellant sub 35] faalt. 2.17.
- Voor zover [appellant sub 35] met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft betoogd dat aan het perceel [locatie 13] in dit plan dan ten onrechte wel een zelfstandig bouwblok is toegekend, faalt ook dit betoog. Het bouwblok voor het perceel [locatie 13] was - in tegenstelling tot het perceel [locatie 12] - in het voorheen geldende plan, gelet op de grootte en de omvang aan bedrijfsbebouwing, een hoofdbouwperceel dat als zodanig een zelfstandig bouwblok vormde. 2.17.
- Voorts stelt het college zich terecht op het standpunt dat met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) de legaal opgerichte agrarische bedrijfsgebouwen voldoende zijn bestemd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de gronden waarop deze gebouwen staan in het plan zijn aangewezen als "Agrarisch gebied" en daarmee zijn bestemd voor agrarische bodemexploitatie en dat de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) in samenhang met die gebiedsbestemming moet worden gelezen. Ook dit betoog van [appellant sub 35] faalt derhalve. 2.17.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel en deze aanduiding niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 36] 2.
- [appellant sub 36] stelt dat een te klein bouwblok is vastgesteld voor zijn perceel Hoge Randweg
- Alleen de bestaande situatie is in het bouwblok opgenomen en niet een mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe stal buiten de grens van 50 m van de woningen van derden. 2.18.
- De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellant sub 36] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.18.
- Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). 2.18.
- [appellant sub 36] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan voor een nieuwe rundveestal bij de gemeente had ingediend. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt, dat het in gebruik zijnde bruto erfoppervlak ongeveer 0.7 ha bedraagt en dat in het plan een bouwblok is opgenomen van ongeveer 0.8 ha. Het bouwblok is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten ongeveer 15% groter dan het in gebruik zijnde bruto erfoppervlak. Voorts volgt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat binnen het bouwblok ruimte is voor de bouw van een stal op een afstand van 50 m van geurgevoelige objecten. Deze gronden zijn mogelijk in de bestaande situatie vanwege de aanwezigheid van kuilplaten aan de westzijde van het perceel slecht bereikbaar over de gronden van het bouwblok, maar aannemelijk is gemaakt dat dit bij een andere indeling van het bouwperceel wel mogelijk wordt. Bovendien bevat het plan een wijzigingsbevoegdheid indien voor benutting van de uitbreidingsruimte vormverandering van het bouwblok noodzakelijk is. Het betoog van [appellant sub 36] faalt derhalve. 2.18.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 39] 2.
- [appellant sub 39] herhaalt in beroep hetgeen zij in haar bedenkingen bij het college heeft aangevoerd. Daarin stelt zij dat een te klein bouwblok is toegekend voor haar champignonkwekerij aan de [locatie 14]. Dat bouwblok biedt te weinig uitbreidingsmogelijkheid voor een meer doelmatige bedrijfsvoering en biedt ook geen mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ter vervanging van de inpandige bedrijfswoning. [appellant sub 39] betwist dat van een concreet initiatief geen sprake is. Reeds in 2002 is een verzoek gedaan voor vervanging van de bedrijfswoning. 2.19.
- Het college heeft, onder gegrondverklaring van de bedenkingen van [appellant sub 39], goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven"(bouwblok) voor het perceel [locatie 14]. Het college heeft daarbij overwogen dat het concrete initiatief tot vervanging van de aanwezige, inpandige bedrijfswoning ten onrechte niet is betrokken bij de vaststelling van het bouwblok. Het deel van de bedenking waarin is betoogd dat het bouwblok onvoldoende uitbreidingsruimte biedt voor een meer doelmatige bedrijfsvoering heeft het college onbesproken gelaten. 2.19.
- De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant sub 39] aldus dat zij met haar beroep beoogt te bereiken dat het college aan zijn onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag had moeten leggen dat het bouwblok ruimte moet bieden voor een meer doelmatige bedrijfsvoering. 2.19.
- Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 39] zijn gericht, is in zoverre aan haar beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan. Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld. De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan. Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 39] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro. 2.19.
- Het beroep van [appellant sub 39] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 14] 2.
- [appellant sub 14] stelt in beroep dat zijn perceel [locatie 15] niet juist is bestemd, nu op de plankaart een onleesbare aanduiding staat, waarvan hij vermoedt dat die aanduiding staat voor de - door hem gewenste - aanduiding 'glastuinbouw'. 2.20.
- Voor de gronden van de aardbeienkwekerij van [appellant sub 14] aan de [locatie 15] staat op de plankaart een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) met een aanduidingsrondje met daarin een zwarte stip. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. 2.20.
- Niet in geschil is dat op de kaart bij het ontwerpplan voor de aardbeienkwekerij van [appellant sub 14] aan de [locatie 15] een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) met de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijf) was opgenomen. Voorts staat vast dat de gemeenteraad bij zijn besluit tot vaststelling van het plan niet heeft besloten tot gewijzigde vaststelling van het plan. Onweersproken is gesteld dat bij het drukproces van de vastgestelde plankaart de inkt van de aanduiding 'g' op de plankaart is dichtgelopen. Daardoor is de aanduiding slecht leesbaar geworden. Het college is er bij zijn besluit omtrent goedkeuring echter van uitgegaan dat de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijf) aan het plandeel was toegekend. 2.20.
- De conclusie is dat het aanduidingsrondje met daarin een zwarte stip binnen het bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel [locatie 15] de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijven) betreft. Het plandeel is derhalve bestemd in overeenstemming met de wens van [appellant sub 14]. Het beroep van [appellant sub 14] mist in zoverre feitelijke grondslag en is mitsdien in zoverre ongegrond. De Afdeling ziet aanleiding hierna de raad van de gemeente Uden te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 14] en tot vergoeding aan [appellant sub 14] van het door hem betaalde griffierecht. Het beroep van [appellanten sub 21] 2.
- [appellanten sub 21] voeren in beroep aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor de gronden [locatie 16/17] te [plaats] zonder dat hun woning [locatie 17] in het plan is aangemerkt als bedrijfswoning. 2.21.
- De raad heeft voor het agrarische bedrijfsperceel één bedrijfswoning toereikend geacht. Tegen de aanwezigheid op het perceel van een tweede bedrijfswoning kan naar de stelling van de raad nog handhavend worden opgetreden, zodat die tweede bedrijfswoning niet als zodanig in het plan is opgenomen. 2.21.
- Het college heeft het plandeel goedgekeurd. Het stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning niet is aangetoond. De destijds toegestane, tijdelijke bewoning van een bedrijfsruimte om de overname van het bedrijf mogelijk te maken, omdat de ouders bleven wonen in de bedrijfswoning, vormt voor het college geen bijzondere omstandigheid, nu het gemeentebestuur heeft aangegeven handhavend te zullen optreden om de bewoningssituatie te beëindigen. 2.21.
- Op plankaart 2 is voor de gronden [locatie 16/17] één bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) opgenomen zonder nadere aanduiding (van het aantal toegestane woningen). Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden en voor woondoeleinden in de vorm van bedrijfswoningen. Nu geen aanduiding op de plankaart is opgenomen, mag ingevolge artikel 15, lid 15.2, van de planvoorschriften het aantal bedrijfswoningen niet meer bedragen dan
- 2.21.
- In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 waren de gronden bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bebouwingsvlak. Daarmee waren de gronden ingevolge artikel 4 van de voorschriften bij dat plan (eveneens) bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering en mocht niet meer dan één agrarische bedrijfswoning worden gebouwd voor zover niet reeds een woning aanwezig was. 2.21.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat in 1952 de woning [locatie 16] als bedrijfswoning is gebouwd ter vervanging van een - op de plek van de in geding zijnde woning [locatie 17] staande - bedrijfswoning annex veestal. Die was in verval geraakt. 2.21.
- Bij besluit van 30 september 1980 is [appellant sub 21 B] bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een schuur ter plaatse van de in geding zijnde woning [locatie 17]. Uit het bij die vergunning behorende bouwplan volgt dat naast het vernieuwen van een bedrijfsruimte voor het houden van mestkalveren de bouwvergunning ook is verleend voor het realiseren van een woonruimte in deze schuur. Weliswaar valt, zoals de gemeenteraad en het college stellen, uit de titel van de bouwtekening af te leiden dat het bouwplan een tijdelijke woonruimte zou betreffen, maar het besluit tot verlening van die bouwvergunning vermeldt niet dat de vergunning is verleend met toepassing van het toenmalige artikel 17 van de WRO tot vrijstelling voor een bepaalde termijn van het bestemmingsplan en was evenmin - in overeenstemming met het toenmalige artikel 49 van de Woningwet 1962 - een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het gebouwde niet langer in stand mocht worden gehouden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bouwvergunning is verleend met toepassing van het toenmalige artikel 47 van de Woningwet
- Voorts bevestigt het deskundigenbericht dat het bouwplan voorzag in een volwaardige, permanente woonruimte. 2.21.
- Nu de woning [locatie 17] is gebouwd met gebruikmaking van een bouwvergunning waaraan geen beperking was gesteld wat betreft de instandhoudingstermijn, stelt het college zich, in navolging van de raad, ten onrechte op het standpunt dat tegen de bewoning van die woning handhavend kan worden opgetreden. Nu bovendien [appellanten sub 21] niet te kennen hebben gegeven het voornemen te hebben de bewoning vrijwillig binnen de planperiode te beëindigen, is de woning [locatie 17] ten onrechte niet in het plan opgenomen. 2.21.
- De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor de gronden [locatie 16/17] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht. Hieruit volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het dit plandeel betreft dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Paardenhouderijen (artikel 16) Het beroep van [appellant sub 22] 2.
- [appellant sub 22] wil voor zijn paardenstal aan de [locatie 18] de bestemming "Paardenhouderijen" in plaats van de toegekende aanduiding 'G' als onderdeel van de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca". Die aanduiding is naar zijn stelling geen in de planvoorschriften verankerde detailbestemming, maar enkel een in het renvooi van de plankaart verklaarde aanduiding. Daardoor is zijn paardenstal niet als zodanig bestemd. Hij bestrijdt dat een bestemming "Paardenhouderij" alleen is toegekend aan volwaardige bedrijven. Hij stelt dat hij een nevenberoepbedrijf heeft. 2.22.
- Het college stelt zich op het standpunt dat toekenning van de bestemming "Paardenhouderijen" geen recht doet aan de feitelijke situatie ter plaatse. Op het perceel worden paarden gehouden, maar van een volwaardige paardenhouderij is geen sprake. Paardenhouderijen zijn in het plan als zodanig bestemd voor zover het een volwaardig bedrijf betreft. Aan die bedrijven is een bouwblok op maat toegekend waarbinnen een rijhal van maximaal 1.000 m2 kan worden gerealiseerd. 2.22.
- Het plan verstaat blijkens de in artikel 1 opgenomen begripsbepaling onder paardenhouderij: een bedrijf in hoofdzaak gericht op het houden, fokken, africhten, trainen, stallen, verzorgen, sportbeoefening, rijlessen, verhuur of anderszins verschaffen van diensten en faciliteiten met/voor paarden, met een beperkte publieksaantrekkende werking en waarbij een rijhal van maximaal 100 m2 aanwezig mag zijn. 2.22.
- De gronden van de paardenstal waren in het voorheen geldende plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB) zonder bouwblok. Tot ongeveer 15 jaar geleden gebruikte [appellant sub 22] de stal als huisvesting voor 5 paarden die hijzelf bereed en ook gebruikte voor fokdoeleinden en paardrijlessen. Vanwege zijn gevorderde leeftijd (80 jaar) heeft hij die activiteiten gestaakt. Momenteel verhuurt [appellant sub 22] de stal aan 5 personen voor de huisvesting van 10 paarden. De huurders hebben de omliggende weiden en de paardenbak die aan de schuur grenst ook in gebruik. 2.22.
- Het enkel verhuren van de stal voor de huisvesting van paarden heeft het college, gelet op de onder 2.23.
- vermelde begripsbepaling, terecht niet aangemerkt als het bedrijfsmatig uitoefenen van een paardenhouderij. Toekenning van de bestemming "Paardenhouderijen" was dan ook niet aangewezen. 2.22.
- Het betoog van [appellant sub 22] dat de aanduiding 'G' geen in de planvoorschriften verankerde detailbestemming is, mist feitelijke grondslag. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca" en op plankaart 2 aangeduid met 'G'. Ingevolge artikel 17, lid 7.1.1, van de planvoorschriften zijn die gronden daarmee bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie en deze gronden mogen ingevolge artikel 17, lid 7.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften worden bebouwd met kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid als 'G', gebouwen toegestaan. Daarbij gelden de bestaande oppervlakte, goothoogte en hoogte als maximum. Anders dan [appellant sub 22] stelt, is de - blijkens de stukken legaal aanwezige - paardenstal, daarmee als zodanig bestemd en niet onder het overgangsrecht gebracht. 2.22.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Niet-agrarische bedrijven/functies (artikel 17) Het beroep van [appellant sub 2] 2.
- [appellant sub 2] wil een hondenkennel annex fokkerij op een perceel aan de Nieuwedijk oprichten. Zij stelt in beroep dat het college ten onrechte enkel uitgaat van het geldende streekplan en ten onrechte voorbij gaat aan gedane toezeggingen en fouten van het gemeentebestuur van Uden. Haar bouwplannen waren in 1998 en ten tijde van de aanvraag in 2002 in overeenstemming met het toenmalige streekplan. Die aanvraag is echter blijven liggen. Eerst in december 2003 is ontdekt dat een vrijstelling van het bestemmingsplan nodig was. Het college heeft, naar haar stelling, ten onrechte geen reden gezien voor afwijking van het streekplan. Een voormalige agrarische bedrijfslocatie (VAB) die [appellant sub 2] kan benutten, is niet aanwezig. Het naburige bouwblok voor de varkenshouderij van [belanghebbende A] is naar haar stelling zonder grondige afweging tot stand gekomen. Uitbreiding was niet nodig en had overigens beter aan de andere zijde kunnen plaatsvinden. 2.23.
- De raad heeft bij zijn besluit tot vaststelling van het plan geen bouwblok opgenomen voor het oprichten van een hondenkennel annex fokkerij op het perceel van [appellant sub 2] aan de Nieuwedijk. Het opnemen van een bouwblok acht de raad in strijd met het reconstructieplan Peel en Maas en met het streekplan
- Het bouwblok van het naastgelegen agrarische bedrijf heeft de raad naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] niet gewijzigd vastgesteld. 2.23.
- Het college heeft beide plandelen goedgekeurd. Daarbij heeft het college het streekplan 2002, zoals partieel herzien in 2004, als maatstaf gehanteerd, omdat de in 1998 en 2003 in procedure gebrachte plannen tot wijziging van het bestemmingsplan dan wel tot afgifte van een bouwvergunning de vestiging van een hondenkennel- annex fokkerij op dit perceel niet mogelijk hebben gemaakt. Nieuwvestiging van een hondenkennel- annex fokkerij acht het college zowel in strijd met streekplan als met het reconstructieplan Peel en Maas. Voor afwijking van het streekplan ziet het college geen aanleiding. Het betreft geen bestaand bedrijf, geen verplaatsing, of iets dergelijks. De omvang van het agrarische bouwblok op het naastgelegen perceel acht het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht. 2.23.
- Het perceel is blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, in gebruik als bouwland. In het voorheen geldende plan was het bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" zonder bouwblok. Tussen partijen is niet in geschil dat toekenning van een bouwblok op deze gronden nieuwvestiging zou betreffen die in strijd is met het streekplan. Het betoog van [appellant sub 2] dat het college in de voorgeschiedenis, de gedane toezeggingen en fouten van het gemeentebestuur van Uden, aanleiding had moeten zien om de afwijkingsprocedure van het streekplan te volgen, faalt. In haar uitspraak van 9 augustus 2008, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200509061/1&verdict_id=14646&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200509061/1&utm_term=200509061/1">200509061/1</a>, betreffende de weigering tot vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" voor het oprichten van een woonhuis met kennel op het perceel, heeft de Afdeling geoordeeld dat onverkorte toepassing van de beleidslijn uit het streekplan in het geval van [appellant sub 2] geen gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidslijn te dienen doelen. In genoemde uitspraak heeft de Afdeling ook het gedane beroep van [appellant sub 2] op het vertrouwensbeginsel verworpen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, waaronder ook het niet voorhanden zijn van een voormalige agrarische bedrijfslocatie die [appellant sub 2] zou kunnen benutten, geen aanleiding thans anders te oordelen. 2.23.
- Ook faalt het betoog van [appellant sub 2] dat de uitbreiding van het agrarische bouwblok op het naburige perceel, [locatie 19], waar [belanghebbende A] een varkenshouderij heeft, ten onrechte is goedgekeurd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat het een zogenoemd bouwblok op maat betreft als bedoeld in het streekplan en dat is vastgesteld in overeenstemming met de uitgangspunten die bij de toekenning van de agrarische bouwblokken zijn gehanteerd, onjuist is. Voorts blijkt uit de stukken waaronder het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen dat de plaats van de uitbreiding van het bouwblok een logisch gevolg is van de situering van de overige bebouwing op het bouwperceel van [belanghebbende A]. 2.23.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 2] bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 4] 2.
- [appellante sub 4] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bebouwingsvlak voor haar, aan de [locatie 20] gevestigde, groothandelsbedrijf (woninginrichting, textiel en vloerbedekking). Dat bebouwingsvlak bevat, in strijd met de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten, geen uitbreidingsmogelijkheid van 15%. [appellante sub 4] heeft, anders dan het college stelt, wel uitbreidingsplannen. De concentratie van bebouwing rondom de bedrijfslocatie rechtvaardigt overigens naar haar stelling de aanduiding bebouwingsconcentratie zoals genoemd in het gemeentelijke en provinciale beleid, zodat een uitbreidingsmogelijkheid van 15% ook om die reden was aangewezen. Het uitsluiten in het plan van uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak door middel van het aanbrengen van een verdiepingsvloer heeft het college naar de stelling van [appellante sub 4] ten onrechte niet in strijd geacht met het streekplan, nu het niet gaat om uitbreiding van het bebouwingsoppervlak in verband met het tegengaan van verstening. De in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen begripsbepaling van bedrijfsvloeroppervlak, die deze beperking bevat, is naar haar stelling dan ook ten onrechte goedgekeurd. 2.24.
- De raad heeft voor het perceel een bestemmingsvlak "Niet agrarische bedrijven/functies" opgenomen zonder uitbreidingsmogelijkheid. De raad is hiertoe overgegaan, omdat het perceel in de voorheen geldende bestemmingsplannen niet als zodanig was bestemd. Bij de toekenning van de maximale bedrijfsvloeroppervlakte is de raad uitgegaan van legaal aanwezige bebouwing, de bestaande woning niet inbegrepen. 2.24.
- Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Het niet opnemen van een uitbreidingsmogelijkheid van 15% acht het college niet in strijd met het streekplan. De raad mag zijn eigen afweging maken. In dat verband acht het college van belang dat het bedrijf in het voorheen geldende plan niet als zodanig was bestemd. Een concreet uitbreidingsplan heeft [appellante sub 4] overigens niet kenbaar gemaakt aan het college. Het bedrijf is dan ook, aldus het college, op een juiste wijze bestemd in het plan. Dat de omgeving van het bedrijf niet is aangemerkt als bebouwingscluster, acht het college niet in strijd met het streekplan. De raad heeft de vrijheid de grenzen van bebouwingsconcentraties te bepalen. De in het plan opgenomen, nader begrensde bebouwingsconcentraties acht het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Het uitsluiten in het plan van uitbreiding door middel van het aanbrengen van een verdiepingsvloer, acht het college in overeenstemming met het streekplan. Hoofdlijn van beleid daarin is dat niet-agrarische bedrijven uit het buitengebied worden geweerd. In dat verband stelt het streekplan niet alleen beperkingen aan de uitbreiding van het bebouwingsoppervlak, maar ook aan de uitbreiding van voorzieningen en functies. 2.24.
- De raad heeft bij de planvaststelling als uitgangspunt gehanteerd dat niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid in beginsel moet worden geweerd uit het buitengebied. Bedrijven/functies waarvan de mogelijkheden en rechten al in het geldende bestemmingsplan zijn vervat in de vorm van een specifieke bestemming, zijn in dit plan gerespecteerd en in aangepaste vorm overgenomen. In de afgelopen decennia illegaal/oneigenlijk ontstane of gevestigde bedrijven/functies waartegen praktisch gezien niet meer handhavend kan worden opgetreden, zijn geïnventariseerd. Beoordeeld is of en zo ja tot welke omvang, daaraan (alsnog) een passende bestemming moest/kon worden gegeven. Daarbij is in relatie tot het geldende bestemmingsplan een viertal situaties onderkend, waaronder de situatie dat voorheen een agrarisch bedrijf (al dan niet met een niet-agrarische neventak) aanwezig was en voormalige bedrijfsruimten, veelal geleidelijk aan, in gebruik zijn genomen voor een niet-agrarisch bedrijf of functie. Deze situaties zijn zo mogelijk positief bestemd als "Niet-agrarische bedrijven/functies". Daarbij is als uitgangspunt genomen dat geen uitbreiding wordt toegestaan. Enkel onder kwalitatieve voorwaarden of bij ligging in een nader aangewezen bebouwingsconcentratie zijn er beperkte uitbreidingsmogelijkheden toegekend via de flexibiliteitsbepalingen die het plan kent. 2.24.
- Het perceel is op plankaart 2, gelezen in samenhang met artikel 17 van de planvoorschriften en de daarin opgenomen 'staat van niet-agrarische bedrijven of functies' bestemd als 'groothandel in woning-textiel en vloerbedekking. Daarbij is het maximale oppervlak aan bedrijfsbebouwing bepaald op 1.020 m2 en is geen uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak toegekend. Onder bedrijfsvloeroppervlak verstaat het plan blijkens de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen begripsbepaling: de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsruimten, op de begane grond, op verdiepingen, ondergronds en onder overkappingen, die wordt gebruikt voor de bedrijfsuitoefening [..]. 2.24.
- [appellante sub 4] is sinds 1983 gevestigd op het perceel. Voordien was daar een kippenhouderij aanwezig. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 30 juni 1983 was aan de gronden deels de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (ALW)" toegekend en deels de bestemming "Woondoeleinden (W)". Bij besluit van 7 januari 1986 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden [appellante sub 4] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte van 250 m2 op het perceel, onder de voorwaarde dat alle aanwezige bedrijfsbebouwing moest worden gesloopt, uiterlijk binnen 1 maand na het gereedkomen van de nieuwbouw. [appellante sub 4] heeft evenwel zonder de daartoe benodigde bouwvergunning haar bedrijfsbebouwing uitgebreid tot 1.364 m
- 2.24.
- Nu [appellante sub 4] in 1986 bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte, is het college in navolging van de raad er vanuit gegaan dat van een illegaal dan wel oneigenlijk ontstane situatie als bedoeld in de onder 2.24.
- vermelde gemeentelijke beleidsuitgangspunten, geen sprake is. Zij is daarom behandeld als een bedrijf waarvan de mogelijkheden en rechten al in het voorheen geldende plan waren vervat en met een specifieke bestemming in het plan opgenomen. 2.24.
- Voor het antwoord op de vraag of [appellante sub 4] in dit plan een uitbreidingsmogelijkheid diende te krijgen, behoefde het college in navolging van de raad geen rekening te houden met de feitelijk aanwezige bedrijfsbebouwing die [appellante sub 4] zonder bouwvergunning heeft gerealiseerd. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan toegekende maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 1.020 m2 zonder uitbreidingsmogelijkheid niet in strijd is met het provinciale beleid. Immers bij de planvaststelling heeft de raad het oppervlak aan bedrijfsbebouwing waarvoor in 1986 bouwvergunning is verleend in het plan opgenomen vermeerderd met een gedeelte van de zonder bouwvergunning tot stand gekomen bedrijfsbebouwing, tot 1.020 m
- Dat is meer dan 15% uitbreidingsruimte van de met bouwvergunning gerealiseerde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Bovendien kan - en zal - het college van burgemeester en wethouders van Uden, naar ter zitting is bevestigd, tegen de resterende, zonder bouwvergunning opgerichte bedrijfsbebouwing die niet in dit plan als zodanig is bestemd, nog handhavend optreden. 2.24.
- Ook faalt het betoog van [appellante sub 4] dat het college in navolging van de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van het perceel nabij diverse andere bedrijven aan de Nistelrodeseweg. De gemeenteraad heeft ter zitting verklaard dat hij is teruggekomen van zijn aanvankelijke voornemen nabij de Nistelrodeseweg een bedrijventerrein te ontwikkelen. De raad was dan ook niet gehouden die omgeving vanwege de door [appellante sub 4] aangevoerde reden als "nader begrensde bebouwingsconcentratie' waarbinnen ruimere bebouwingsmogelijkheden kunnen worden toegestaan, aan te wijzen. 2.24.
- Anders dan [appellante sub 4] heeft betoogd is de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen - en onder 2.24.
- vermelde - begripsbepaling van bedrijfsvloeroppervlak niet in strijd met het streekplanbeleid. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat beleid niet alleen beperkingen stelt aan de uitbreiding van een bebouwingsoppervlak, maar ook aan uitbreiding van voorzieningen en functies. 2.24.
- De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het op haar perceel betrekking hebbende plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 4] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.
- [appellant sub 8] maakt bezwaar tegen het niet als zodanig bestemmen van de opslagactiviteiten op het perceel [locatie 21] en van de woning [locatie 22] op het perceel [locatie 23, 24, 22]. Hij bestrijdt het standpunt van het college dat voor de - reeds aanwezige - opslagactiviteiten een vrijstelling als bedoeld in artikel 27, leden 27.3.2 en 27.3.3, van de planvoorschriften kan worden verleend. Naar zijn stelling wordt niet voldaan aan de gestelde criteria. De woning [locatie 22] is naar zijn stelling in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet als zodanig bestemd. Bij de planvaststelling is in een zo groot aantal gevallen afgeweken van de gehanteerde matrix voor de beoordeling/planologische regeling van de bestaande woningen in het buitengebied dat daardoor sprake is van gewijzigd beleid, op grond waarvan de woning als zodanig had moeten worden bestemd. 2.25.
- De raad heeft voor de niet-agrarische opslag in twee loodsen op het perceel [locatie 21] niet voorzien in de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies", omdat voor opslag als nevenfunctie vrijstelling als bedoeld in artikel 27, lid 27.3.2 dan wel lid 27.3.3 van de planvoorschriften kan worden verleend. Aan het perceel [locatie 23, 24, 22] heeft de raad de aanduiding 'W2' toegekend en daarmee geen derde woning toegestaan. 2.25.
- Het college heeft deze plandelen goedgekeurd. Ten aanzien van de opslag op het perceel [locatie 21] heeft het college overwogen dat die opslag - die groter is dan 1.000 m2 - als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt en dat, nu de planvoorschriften een vrijstellingsmogelijkheid zonder maximale maat kennen voor het toestaan van opslag als nevenactiviteit op een agrarisch bouwperceel, de toegekende bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht. Het niet opnemen in het plan van een derde woningbouwmogelijkheid voor het perceel [locatie 23, 24, 22] heeft het college in overeenstemming geacht met het restrictieve provinciale beleid en met het recht, nu bij de beoordeling gebruik is gemaakt van een in de plantoelichting opgenomen matrix en de raad bij zijn afweging heeft betrokken dat tegen het wonen op dit perceel handhavend kan worden opgetreden. [locatie 21] 2.25.
- [appellant sub 8] betoogt met recht dat de raad ten onrechte het bestaande gebruik voor opslag van twee loodsen op het perceel niet als zodanig in het plan heeft opgenomen, maar heeft verwezen naar de vrijstellingsmogelijkheid die het plan biedt. Niet in geschil is dat de raad het gebruik voor opslag aan [appellant sub 8] wil toestaan en dat daarbij geen belangen van derden in het geding zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in onder meer de uitspraak van 19 oktober 2005, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200500382&verdict_id=11859&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200500382/1&utm_term=200500382">200500382</a>, Schijndel, dient bestaand gebruik dat de planwetgever wil toestaan, met een op dat gebruik gerichte bestemming of gebruiksbepaling in het plan te worden opgenomen. Het mag niet afhankelijk worden gesteld van een, in het plan opgenomen bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Het gaat immers om een bevoegdheid van het vrijstellingverlenend orgaan en niet om een verplichting. 2.25.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" voor het perceel [locatie 21] dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plandeel betreffende [locatie 21]. [locatie 22] 2.25.
- De gronden betreffende het perceel [locatie 23, 24, 22] zijn op plankaart 2 aangewezen als "Woningen" met de aanduiding 'W2'. Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften - voor zover van belang - bestemd voor woondoeleinden. De in artikel 18, lid 18.2, opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat per bouwblok niet meer dan 1 vrijstaande woning is toegestaan, tenzij op plankaart 2 een ander maximum aantal is aangegeven, waarbij die woningen dan uitsluitend aan(een)gebouwd mogen worden. Op het perceel staan de woning [locatie 23] en de - door splitsing tot stand gekomen - woning [locatie 24]. Deze woningen zijn aaneengebouwd. Niet in geschil is dat de aanduiding 'W2' op deze woningen ziet. Op het perceel staat verder een pand met huisnummer 60b met aan de achterzijde een garage. De bij een woning behorende voorzieningen, zoals keuken en badkamer, zijn niet aanwezig in het pand. 2.25.
- In het voorheen geldende plan van 1983 was voor het perceel evenmin een derde woningbouwmogelijkheid opgenomen. De gronden waren in dat plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bouwblok. Op gronden met die bestemming was binnen het bouwblok één agrarische bedrijfswoning toegestaan. Dat was de woning [locatie 23]. 2.25.
- Uit de stukken als nader toegelicht ter zitting is komen vast te staan dat ter plaatse van het pand [locatie 22] in 1975 met bouwvergunning een dubbele garage is gebouwd. Die garage is in 1996 en 1999 met bouwvergunning verbouwd. Voor een verbouwing tot woning is geen bouwvergunning verleend. Het college van burgemeester en wethouders heeft in 1975, derhalve vóór de datum van inwerkingtreding van het voorheen geldende plan (op 17 april 1990) het strijdige gebruik als woning gewraakt door met aanzegging van bestuursdwang te gelasten de in de garage aangebrachte voorzieningen te verwijderen. Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant sub 8] onder oplegging van dwangsommen gelast de bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden, alsmede de inboedel daaruit te verwijderen en die woning terug te brengen tot garage, meer in het bijzonder door de keuken, woonkamer, slaapkamers en douchegelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden. Deze last onder dwangsom is in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraken van de Afdeling van 18 oktober 2006, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200510440/1&verdict_id=15274&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200510440/1&utm_term=200510440/1">200510440/1</a>, en van 11 juli 2007, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200608893/1&verdict_id=17629&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200608893/1&utm_term=200608893/1">200608893/1</a>. 2.25.
- [appellant sub 8] kan derhalve aan het voorheen geldende plan geen recht ontlenen op een woonbestemming voor het pand [locatie 22]. Aan de matrix die de raad bij de planvaststelling heeft gehanteerd om te komen tot een beoordeling en planologische regeling voor bestaande (burger)woningen en daaraan verwante bewoningssituaties in het buitengebied en waarin de voorheen geldende bestemming is afgezet tegen het type woning of de woonsituatie in planologische opzicht, kan [appellant sub 8] evenmin recht ontlenen op een woonbestemming. Ten tijde van de planvaststelling was het pand niet in gebruik als woning en waren ook de bouwkundige voorzieningen die het pand tot een woning zouden maken niet aanwezig, zodat van een bestaande woning/woonsituatie geen sprake was. Bovendien bood de matrix [appellant sub 8] alleen soulaas in geval de bewoning te lang was gedoogd dan wel in redelijkheid niet meer te wraken en/of te handhaven was. Daarvan is gelet op hetgeen hiervoor onder 2.25.7 is overwogen evenmin sprake. 2.25.
- [appellant sub 8] doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat bij de planvaststelling in een zo groot aantal gevallen is afgeweken van de matrix dat daardoor sprake is van gewijzigd beleid. In dat verband heeft hij gewezen op de woningen [locatie 25], [locatie 26], [locatie 27] en [locatie 38], [locatie 28 en 29], [locatie 30], [locatie 31], [locatie 32], [locatie 33], [locatie 34], [locatie 35], [locatie 36] en [locatie 37]. 2.25.
- Ten aanzien van de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met de woningen [locatie 25], [locatie 26], [locatie 27] en [locatie 38], [locatie 28 en 29], [locatie 30], [locatie 31], [locatie 32], [locatie 33], [locatie 34], [locatie 35] en [locatie 36] wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie reeds omdat die woningen, anders dan de woning [locatie 22], ten tijde van de planvaststelling werden bewoond en geschikt waren om te worden bewoond. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat die situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Anders oordeelt de Afdeling ten aanzien van de door [appellant sub 8] genoemde woning [locatie 37]. Het college en de raad hebben noch in een verweerschrift noch ter zitting het betoog van [appellant sub 8] weerlegd dat ten aanzien van de bewoning van die woning het college van burgemeester en wethouders van Uden ook een besluit tot handhaving heeft genomen dat tot in hoger beroep bij de Afdeling in stand is gebleven en dat daarna de bewoning is beëindigd, maar dat desondanks bij de planvaststelling een bestemming "Woningen" met de bouwmogelijkheid voor een woning is toegekend. In zoverre slaagt het betoog van [appellant sub 8]. 2.25.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woningen" met de aanduiding 'W2' betreffende het perceel [locatie 23, 24, 22] wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 17] 2.
- [appellant sub 17] wenst voor zijn perceel [locatie 39] de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies" in plaats van de toegekende bestemming "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie). De toegekende bestemming maakt naar zijn mening voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten op het perceel onmogelijk. Hij stelt dat de bedrijfsmatige niet-agrarische activiteiten op het perceel door het overgangsrecht van het voorheen geldende plan worden beschermd, zodat die in dit plan als zodanig hadden moeten worden bestemd. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200604991&verdict_id=17428&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200604991/1&utm_term=200604991">200604991</a>, Nieuwkoop. Ook aan de uitgangspunten voor beoordeling van de planologische regeling van niet-agrarische bedrijven die zijn gehanteerd bij de planvaststelling meent hij een recht op de gevraagde bestemming te kunnen ontlenen, nu de activiteiten niet meer te wraken en te handhaven zijn omdat ze te lang zijn gedoogd. Verder wijst [appellant sub 17] erop dat in de nabije omgeving zeven niet-agrarische bedrijven liggen die als zodanig zijn bestemd in het plan, ongeveer 40 burgerwoningen en maar vier agrarische bedrijven. [appellant sub 17] verbindt hieraan de conclusie dat van een agrarisch gebied geen sprake meer is en dat zijn bedrijf goed inpasbaar is in die omgeving. Ten slotte stelt [appellant sub 17] dat de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd niet de eis van volwaardigheid stellen, zodat het college reeds om die reden goedkeuring had moeten onthouden aan de toegekende bestemming. 2.26.
- De raad heeft voor het perceel niet voorzien in de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies", omdat de bedrijfsactiviteiten op het perceel niet een volwaardig bedrijf betreffen als bedoeld in de omschrijving en voorwaarden voor de niet-agrarische bedrijven in de staat van inrichtingen. 2.26.
- Het college heeft de aan het perceel toegekende bestemming "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) goedgekeurd. Het college stelt zich op het standpunt dat toekenning van de gevraagde bestemming een in het streekplan verboden nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied zou betreffen, nu de bedrijfsmatige activiteiten van [appellant sub 17] (verhuur van bouwmaterialen en opslag) in het voorheen geldende plan niet als zodanig waren bestemd en evenmin een planologische procedure tot vestiging van het bedrijf is gevoerd. Bovendien is het college gebleken dat het gemeentebestuur handhavend wil optreden ten aanzien van de in geding zijnde activiteiten op het perceel, omdat de situatie getoetst aan de "Beoordeling/planologische regeling van de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied" niet heeft geleid tot het toekennen van de gevraagde bestemming. 2.26.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat op het perceel tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend. Sinds 1989 heeft [appellant sub 17] een verhuurbedrijf van bouwmateriaal op het perceel. Hij verhuurt ter plaatse bouwmaterialen en machines voor de bouwsector zoals handgereedschappen, bouwmachines, steigermateriaal en bouwliften. Zelf voert hij in een werkplaats op het perceel het onderhoud en reparaties aan zijn machines uit. In een deel van de bebouwing vindt opslag van diverse goederen plaats. Een ander deel van de bedrijfsbebouwing verhuurt [appellant sub 17] aan derden voor opslag dan wel voor voorbereidende werkzaamheden voor een aannemings- en/of expertisebedrijf. In totaal is ongeveer 1.750 m2 van de aanwezige bebouwing in gebruik. [appellant sub 17] verkrijgt zijn inkomsten volledig uit de bedrijfsvoering ter plaatse. 2.26.
- De gronden waren in het voorheen geldende plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bebouwingsvlak. Ingevolge de in artikel 56, lid B, van dat plan opgenomen overgangsbepaling mocht het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van dat plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet. 2.26.
- In het voorliggende plan is het perceel op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie). Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften bestemd voor: a. woondoeleinden; b. aan huis verbonden beroepen of dienstverlening; c. [..] d. [..]. De in artikel 18, lid 18.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat ten aanzien van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen en overkappingen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte per woning niet meer mag bedragen dan 100 m
- 2.26.
- Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de voorschriften bij dit plan is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden. Ingevolge artikel 30, lid 30.2, van de voorschriften mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede het gebruik van zich op die gronden bevinden bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 29, lid 29.1, bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen worden voortgezet. Het bepaalde in artikel 30, lid 30.2, is ingevolge lid 30.3, onder b, van dat artikel niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of rechtens alsnog kan worden opgetreden. 2.26.
- [appellant sub 17] betoogt met recht dat zijn bedrijfsactiviteiten niet passen binnen de toegekende bestemming. De doeleindenomschrijving bij de bestemming "Woningen" en de omvang aan bijgebouwen die voor de niet-agrarische activiteiten in gebruik zijn, staan daaraan in de weg. Niet is betwist dat de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten een met het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1983 strijdig gebruik betreffen. Nu echter ter zitting is bevestigd dat dit gebruik reeds plaatsvond vóór 17 april 1990, de datum waarop het voorheen geldende plan "Buitengebied" onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, betoogt [appellant sub 17] met vrucht dat dit gebruik ingevolge artikel 30, lid 30.2, van het voorliggende plan gelezen in samenhang met artikel 56, lid B, van het voorheen geldende plan mag worden voortgezet. Voorts is niet aannemelijk geworden dat [appellant sub 17] vrijwillig het strijdige gebruik van het perceel voor zijn niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zal beëindigen. De raad is onder deze omstandigheden terecht nagegaan of het mogelijk is die bedrijfsactiviteiten als zodanig in het plan te bestemmen. Het standpunt van de raad dat hij hiertoe niet kon overgaan, omdat de bedrijfsactiviteiten niet een volwaardig bedrijf betreffen als bedoeld in de omschrijving en voorwaarde voor de niet agrarische bedrijven in de staat van inrichtingen, is niet voldoende draagkrachtig om die beslissing te dragen, reeds omdat uit het deskundigenbericht volgt dat het bedrijf een arbeidsbehoefte en -omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht met een daarbij passend jaarinkomen. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze stelling in het deskundigenbericht onjuist zou zijn. Het college heeft weliswaar dit standpunt van de raad niet kenbaar overgenomen en aan zijn besluit omtrent goedkeuring ten grondslag gelegd, maar zich op het standpunt gesteld dat is gebleken dat het gemeentebestuur handhavend kan en wil optreden ten aanzien van de in geding zijnde activiteiten op het perceel. Uit het voorgaande volgt dat dit standpunt rechtens onjuist is. 2.26.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) voor het perceel [locatie 39]. Het beroep van [appellanten sub 18] 2.
- [appellanten sub 18] maken bezwaar tegen de functie 'theater en cultureel centrum' die de toegekende bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" mogelijk maakt voor een terrein aan de Pnemstraat in de nabijheid van hun woning [locatie 40]. Die functie zal de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden van het gebied ontoelaatbaar aantasten. Het betreft een gebied waar de flora en fauna - vanwege de vele te beschermen zeldzame planten- en diersoorten - bescherming behoeft. Een onderzoek naar die waarden is in strijd met de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 ten onrechte achterwege gebleven, aldus [appellanten sub 18]. De onrust aantrekkende theater- en cultureel centrum- activiteiten tasten niet alleen die natuurwaarden aan, maar ook de waardevolle, cultuurhistorische Pnemstraat, met name het [pand] met haar monumentale aanzicht. De activiteiten hadden naar hun stelling verplaatst moeten worden naar het centrum van Uden. Zij achten het achterwege laten van een onderzoek naar alternatieven in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betwisten de behoefte aan een theater en cultureel centrum op dit perceel. Naar de stelling van [appellanten sub 18] had handhavend moeten worden opgetreden tegen hetgeen illegaal aanwezig is, in plaats van nieuwe mogelijkheden te bieden voor onwenselijke uitbreiding van het ruimtebeslag. In elk geval hadden de bouw- en gebruiksmogelijkheden nauw begrensd moeten worden in het plan. Nu vrezen zij een toename van het aantal voorstellingen in de stille avond- en/of nachtelijke uren, hetgeen een toename van geluids- en verkeersoverlast zal meebrengen. Verder is naar hun stelling ten onrechte geen aandacht besteed aan de ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen ter plaatse. Aanvullend bodem- en grondwateronderzoek is ten onrechte achterwege gebleven. Ten slotte betwisten zij het standpunt van het college dat dit plandeel niet meer toelaat dan een in het verleden verleende verklaring van geen bezwaar (voor het verlenen van een vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan) mogelijk maakte. Dat standpunt is naar hun stelling ten onrechte niet gemotiveerd en toegelicht in het besluit omtrent goedkeuring. Bovendien is de omvang van die verklaring van geen bezwaar onduidelijk en hebben zij tegen die verklaring beroep ingesteld. 2.27.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming recht doet aan de bestaande situatie en niet leidt tot uitbreiding van de bestaande bebouwing. Wel kan een aantal noodzakelijke voorzieningen worden aangebracht, zoals aanleg van paden en terreinverhardingen. Ook kunnen het toiletgebouw en het aantal zitplaatsen van het (openlucht)theater worden uitgebreid en kan de regiekamer worden vernieuwd. De toegekende bestemming in relatie tot de bestaande bebouwing doet naar de mening van de raad geen afbreuk aan de bestaande waarden van de omgeving. 2.27.
- Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. De toegekende bestemming acht het college een vertaling van de verklaring van geen bezwaar die hij bij besluit van 22 maart 2005, nr. 987007, heeft verleend ten behoeve van h
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.