(12)van de Preambule, de sectorale en fragmentaire benadering van het recht van vrij verkeer en verblijf te verhelpen en de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken door middel van één nieuw wetgevingsbesluit waarbij voor burgers van de Unie omslachtige en onverantwoorde administratieve werkwijzen worden afgeschaft. Te dien einde bepaalt artikel 8 van de Richtlijn dat lidstaten voor verblijf langer dan drie maanden inschrijving door burgers van de Unie kunnen verlangen, waarna onmiddellijk een verklaring van inschrijving wordt afgegeven. De Richtlijn staat er anders dan de staatssecretaris kennelijk meent niet aan in de weg dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid in dat geval een verblijfskaart af te geven, indien daar door een burger van de Unie uitdrukkelijk om wordt verzocht. Aan de Richtlijn zelf kan een burger van de Unie echter geen aanspraak ontlenen om in plaats van een verklaring in het bezit te worden gesteld van een verblijfskaart. Een nationale regeling, zoals neergelegd in artikel 8.12, eerste lid aanhef en onder a, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met het vierde en zesde lid van dit artikel, op grond waarvan aan burgers van de Unie uitsluitend een verklaring en geen verblijfskaart wordt verstrekt, is dan ook niet in strijd met de Richtlijn. 2.2.
- Uit het vorenoverwogene volgt dat de staatssecretaris terecht heeft geweigerd de vreemdelingen in het bezit te stellen van een verblijfskaart. Hieraan doet niet af dat de vreemdelingen, naar zij stellen, met een verblijfskaart beter af zouden zijn geweest, aangezien deze bij financiële instellingen, overheids- en opsporingsdiensten beter bekend is. Het Vb 2000 is een algemeen verbindend voorschrift waaraan uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen daargelaten door de staatsecretaris onverkort toepassing dient te worden gegeven. Indien de staatssecretaris, zoals door de vreemdelingen wordt betoogd, aan anderen die zich in een vergelijkbare positie bevinden wel een verblijfskaart mocht hebben verstrekt, kan dit wat daarvan ook zij –, er niet toe leiden dat ook de vreemdelingen in het bezit van een verblijfskaart dienen te worden gesteld. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat de staatssecretaris op grond daarvan tot herhaalde onjuiste wetstoepassing gehouden zou zijn. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 16 april 2008 in zaken nrs. 07/38599 en 07/38458; III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond; IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Loon ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009 284/
- Verzonden:23 september 2009 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak