(33)niet toeneemt, zodat aan de eerste daar genoemde voorwaarde is voldaan. Niet aannemelijk is dat ten gevolge van de uitbreiding waarop de vrijstelling ziet het woon- en leefmilieu op de aangrenzende gronden onevenredig zal worden aangetast. Nu in het kader van de vrijstelling het bouwplan uitsluitend ter beoordeling staat voor zover dit voorziet in uitbreiding van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bebouwde oppervlakte, faalt reeds hierom hetgeen door [wederpartij] en [appellant] ten aanzien van de omvang en het gebruik van de reeds bestaande feestzaal en ten aanzien van de voorziene wijzigingen in de bestaande zijgevel van die feestzaal is aangevoerd. Ook de gestelde geluidoverlast als gevolg van het gebruik van de feestzaal maakt om die reden geen onderdeel uit van het thans voorliggende geschil. Het ligt niet in de rede dat als gevolg van het gebruik van de in de uitbreiding voorziene nieuwe hotelentree, die via een tochtportaal toegang biedt tot de nieuwe lounge, onaanvaardbare geluidoverlast zal ontstaan. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan, voor zover met vrijstelling mogelijk gemaakt, leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy op de aangrenzende percelen, mede in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan ter plekke reeds bebouwing met een (nok)hoogte van 9 meter mogelijk maakt. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat vanuit de voorziene dakkapellen op de eerste verdieping aan de rechterzijgevel voornamelijk zicht op het achterste gedeelte van de tuin van [wederpartij]. Het bouwplan voldoet voorts aan de in het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven afstand van minimaal 2 meter tussen de ramen en de grens met het naburige perceel waarop deze ramen uitzicht hebben. Gelet op het vorenstaande heeft het college in de door [wederpartij] en [appellant] gestelde belangen in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien vrijstelling voor het bouwplan te weigeren. 2.
- Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Oldenzaalse bouwverordening 2006 (hierna: de bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende terrein. 2.9.
- Bij de berekening van de parkeerbehoefte van het bouwplan heeft het college de algemeen aanvaarde kencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) als richtsnoer gebruikt. Volgens deze kencijfers is het aantal hotelkamers en het horecavloeroppervlak, gerekend per eenheid van 100 m2 bepalend voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Nu het gewijzigde bouwplan uitsluitend voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de hotelfunctie zonder dat het aantal hotelkamers toeneemt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van een onjuiste parkeernorm is uitgegaan. Aangezien het bouwplan voorziet in elf extra parkeerplaatsen heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit opzicht in ruim voldoende mate in de parkeerbehoefte wordt voorzien, zodat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.5.30 van de bouwverordening. 2.
- De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen; II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 17 februari 2009, kenmerk INT-09-00140, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Hanrath voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009 392.