(4). The generation of electricity only may provide the most energy efficient option for the recovery of the energy from the waste in specific cases where local factors prevent heat/steam recovery." 2.10.
- Vaststaat dat de aangevraagde verbrandingslijnen 4 en 5 als gpbv-installatie zijn aan te merken, zodat ingevolge artikel 1, eerste en tweede lid, van de Regeling en tabel 1 van de bijlage bij de Regeling het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in ieder geval rekening dient te houden met het BREF Afvalverbranding. In dit geval heeft het college de weigering om vergunning te verlenen voor de verbrandingslijnen 4 en 5 onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat volgens het college niet wordt voldaan aan BBT-
- Naar het oordeel van de Afdeling brengt BBT-28 evenwel niet met zich dat als er ten tijde van het nemen van een besluit geen afzetmogelijkheden zijn voor de benutting van restwarmte en deze zich volgens het bevoegd gezag ook niet in de toekomst zullen voordoen, de vergunning geweigerd moet worden omdat zonder de benutting van restwarmte niet ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Dat de weigering van het college in zoverre berust op een verkeerde interpretatie van BBT-28, kan onder meer worden afgeleid uit de laatste volzin van BBT-
- Uit die volzin blijkt dat de omstandigheid dat plaatselijke factoren in de weg staan aan de benutting van restwarmte met zich kan brengen dat het enkel opwekken van elektriciteit als de meest efficiënte keuze voor het winnen van energie uit afval moet worden aangemerkt. Voor zover het college de weigering om vergunning te verlenen voor de verbrandingslijnen 4 en 5 heeft gebaseerd op BBT-28 in paragraaf 5.1 van het BREF Afvalverbranding, berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. Het beroep slaagt in zoverre. 2.
- Essent stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte betoogt dat het BREF Afvalverbranding ten aanzien van het te behalen rendement niet langer de stand der techniek weergeeft. Volgens Essent is het BREF Afvalverbranding op dit punt niet achterhaald en is er ook geen herziening of actualisatie van het BREF Afvalverbranding in voorbereiding. De omstandigheid dat er, zoals het college stelt, inrichtingen zijn met een hoger rendement dan 38%, betekent volgens Essent niet dat er aanleiding bestaat aan te nemen dat een vermeden extern rendement van 38% niet langer overeen zou komen met toepassing van de beste beschikbare technieken. 2.11.
- Het college heeft de weigering om vergunning te verlenen voor de verbrandingslijnen 4 en 5 mede gebaseerd op de grond dat het rendement van deze verbrandingslijnen lager ligt dan het rendement dat met toepassing van de beste beschikbare technieken gehaald kan worden. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het rendement van de aangevraagde verbrandingslijnen strikt genomen voldoet aan de rendementseis die wordt gesteld in het in paragraaf 5.2 van het BREF Afvalverbranding opgenomen BBT-61 (hierna: BBT-61), maar dat de daarin opgenomen rendementseis als verouderd moet worden aangemerkt, nu volgens het college in tabel 3.39 van het BREF Afvalverbranding bij de omrekening van het rendement, uitgedrukt in MWhe, naar rendement, uitgedrukt in MWh, ten onrechte wordt uitgegaan van een vermeden extern rendement van 38%. Volgens het college dient, gelet op de rendementen die door andere grote stookinstallaties worden behaald, van een groter vermeden extern rendement te worden uitgegaan. Het BREF Afvalverbranding is volgens het college op dit punt verouderd; het wijst er in dit verband op dat de onderzoeksgegevens waarop het BREF Afvalverbranding is gebaseerd, uit het jaar 2001 stammen. Als van een vermeden extern rendement groter dan 38% wordt uitgegaan, voldoen de aangevraagde verbrandingslijnen volgens het college niet aan de rendementseis die in BBT-61 is gesteld. Daarbij merkt het college nog op dat deze rendementseis, gelet op de verwijzing naar tabel 3.42 van het BREF Afvalverbranding, eigenlijk moet worden gelezen als "1,96 MWh/tonne of MSW". 2.11.
- Zoals hiervoor reeds is overwogen dient het college ingevolge artikel 1, eerste en tweede lid, van de Regeling en tabel 1 van de bijlage bij de Regeling bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in ieder geval rekening te houden met het BREF Afvalverbranding. Het college is voor de beoordeling of het bereikte rendement overeenkomt met toepassing van de beste beschikbare technieken in dit geval zowel afgeweken van de rendementseis in BBT-61 als van de omrekentabel 3.39 van het BREF Afvalverbranding, voor zover het de omrekenfactor van MWhe naar MWh betreft. Met betrekking tot de eerstgenoemde afwijking overweegt de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, dat in BBT-61 is gekozen voor een waarde van 1,9 MWh/ton en dat de enkele verwijzing in BBT-61 naar tabel 3.42, mede gelet op de aard van de in die tabel vermelde cijfers, onvoldoende rechtvaardiging vormt om in plaats van de in BBT-61 vermelde 1,9 Mwh/ton een waarde van 1,96 Mwh/ton aan te houden. Ten aanzien van de tweede afwijking overweegt de Afdeling dat de door het college aangehaalde omstandigheid dat inrichtingen in binnen- en buitenland zijn aan te wijzen waar hogere rendementen worden gehaald dan 38% - wat daar ook van moge zijn - , niet per definitie betekent dat in inrichtingen waar een rendement van 38% wordt gehaald niet langer sprake is van toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarom kan niet enkel op grond van een verwijzing naar dergelijke inrichtingen worden gesteld dat de omrekenfactor van MWhe naar MWh in tabel 3.39 van het BREF Afvalverbranding achterhaald is omdat deze uitgaat van een vermeden extern rendement dat niet langer een uitvloeisel is van de toepassing van de beste beschikbare technieken. Ook de omstandigheid dat de onderzoeksgegevens waarop het BREF Afvalverbranding is gebaseerd, in 2001 zijn vergaard, betekent niet dat dit in 2006 tot stand gekomen document op dit punt niet langer een weergave geeft van de beste beschikbare technieken. Het bestreden besluit berust ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. Het beroep slaagt in zoverre. 2.
- Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 26 augustus 2008 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het betreft het begrip terugverdientijd in de begrippenlijst, de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.4.1, 1.6.3, onder e, 1.7.1, voor zover het de tweede volzin betreft, 2.1.1, voor zover het de in de tabel bij dat voorschrift opgenomen jaargemiddelde grenswaarden voor kwik en voor dioxinen en dibenzofuranen betreft, 2.4.1, 2.4.12, voor zover het de laatste twee volzinnen betreft, 3.1.1, voor zover daarbij een grenswaarde wordt gesteld aan de geuremissie van de rookgassen van de bestaande verbrandingslijnen, 3.2.4, 3.3.1, 6.1.1, voor zover het de daarin vermelde maximaal vergunde verwerkingscapaciteit van de voorscheidingsinstallatie GAVI betreft, 6.1.11, 6.4.1, 7.1.4, onder c, 9.2.1, voor zover het de onderdelen f en g en de laatste twee volzinnen betreft, 9.2.2, 9.3.1, 10.1.1, 10.1.3, 10.2.2, 10.3.1, voor zover het de laatste twee volzinnen betreft, 13.1.3, 14.7.1, voor zover het de tweede volzin betreft, en 14.8.5 en voor zover bij dat besluit vergunning is geweigerd voor een nieuwe verbrandingsinstallatie bestaande uit twee verbrandingslijnen (GAVI 4 en 5). Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het beroep is voor het overige ongegrond. 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 26 augustus 2008, kenmerk 5.1/2008000975, voor zover voor zover het betreft het begrip terugverdientijd in de begrippenlijst, de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.4.1, 1.6.3, onder e, 1.7.1, voor zover het de tweede volzin betreft, 2.1.1, voor zover het de in de tabel bij dat voorschrift opgenomen jaargemiddelde grenswaarden voor kwik en voor dioxinen en dibenzofuranen betreft, 2.4.1, 2.4.12, voor zover het de laatste twee volzinnen betreft, 3.1.1, voor zover daarbij een grenswaarde wordt gesteld aan de geuremissie van de rookgassen van de bestaande verbrandingslijnen, 3.2.4, 3.3.1, 6.1.1, voor zover het de daarin vermelde maximaal vergunde verwerkingscapaciteit van de voorscheidingsinstallatie GAVI betreft, 6.1.11, 6.4.1, 7.1.4, onder c, 9.2.1, voor zover het de onderdelen f en g en de laatste twee volzinnen betreft, 9.2.2, 9.3.1, 10.1.1, 10.1.3, 10.2.2, 10.3.1, voor zover het de laatste twee volzinnen betreft, 13.1.3, 14.7.1, voor zover het de tweede volzin betreft, en 14.8.5 en voor zover bij dat besluit vergunning is geweigerd voor een nieuwe verbrandingsinstallatie bestaande uit twee verbrandingslijnen (GAVI 4 en 5); III. draagt het college van gedeputeerde staten van Drenthe op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het begrip terugverdientijd in de begrippenlijst, de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.4.12, 3.2.4, 6.1.1, 6.1.11, 6.4.1, 7.1.4, 9.2.1, enkel voor zover het de onderdelen f en g betreft, 10.1.1, 10.1.3, 10.2.2, 13.1.3 en 14.8.5, en de aangevraagde nieuwe verbrandingsinstallatie bestaande uit twee verbrandingslijnen (GAVI 4 en 5) en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van bij Essent Milieu Noord B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Drenthe aan Essent Milieu Noord B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Lap voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009 288.