(1997)(hierna: de Wegenverordening) is het verboden naar een weg uit te wegen. Ingevolge artikel 13, voor zover thans van belang, kunnen gedeputeerde staten van het verbod, vervat in artikel 8 ambtshalve dan wel op aanvraag, ontheffing verlenen. Ingevolge artikel 14, eerste lid, mag en moet een ontheffing alleen worden geweigerd in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg en van de instandhouding en bruikbaarheid van de weg. 2.
- Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 februari 2008 heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanleg van een uitweg op de beoogde locatie gelet op de verkeersveiligheid ongewenst is. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat uitwegen naar een gebiedsontsluitingsweg in principe ongewenst is, dat het aantal uitwegen zoveel mogelijk gelijk zal moeten blijven en dat het perceel reeds door twee andere uitwegen is ontsloten. 2.
- [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verkeersveiligheid wordt gediend met het verlenen van een ontheffing voor de gevraagde uitweg omdat deze veiliger is dan de twee bestaande uitwegen. Zij stelt dat de bestaande uitweg via een brug verkeersgevaarlijk is. De andere bestaande uitweg naar de Wilhelminakade te Waddinxveen zal gelet op de te verwachten toename van het verkeer door het realiseren van een nieuwe woonwijk leiden tot verkeersonveilige situaties op de Wilhelminakade. Bij de vraag of de gevraagde ontheffing terecht is afgewezen dienen volgens [appellante] de verkeersveiligheid op de Kanaaldijk, de veiligheid van de bezoekers van het bedrijventerrein en het economisch verantwoord en in overeenstemming met de bestemming kunnen gebruiken van het perceel eveneens te worden meegewogen. 2.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de ontheffing voor een uitweg terecht heeft geweigerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het provinciale verkeersveiligheidsbeleid "Duurzaam Veilig" het belang van de verkeersveiligheid uitgangspunt is, dat het aantal uitwegen naar een gebiedsontsluitingsweg zoveel mogelijk gelijk dient te blijven en dat dit belang zich verzet tegen de gevraagde uitweg. Evenals de rechtbank acht de Afdeling dit beleid niet onredelijk. Met de gevraagde uitweg zou een extra uitweg naar de Kanaaldijk worden gecreëerd hetgeen in strijd is met voornoemd beleid. Het betoog van [appellante] dat met de gevraagde uitweg het belang van de verkeersveiligheid wordt gediend omdat deze veiliger zou zijn dan de bestaande uitweg via een brug, gaat voorbij aan het feit dat deze uitweg blijft bestaan. Het betoog dat het gebruik van de uitweg naar de Wilhelminakade in de toekomst tot verkeersonveilige situaties zal leiden, gelet op de te realiseren woonwijk in de nabijheid van de Wilhelminakade, kan niet leiden tot het beoogde doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat verdere ontsluiting van het gebied in breder planologisch kader zal moeten worden afgewogen. Een ontheffing van het verbod om naar een weg uit te wegen mag en moet alleen worden geweigerd, indien een van de weigeringsgronden genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wegenverordening zich voordoet. Het betoog van [appellante] dat het college het economisch verantwoord en in overeenstemming met de bestemming kunnen gebruiken van het perceel in zijn afweging had moeten betrekken, kan reeds daarom niet slagen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat. w.g. Van Altena w.g. Graat lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009 307-591.