(1999)" van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: de richtlijn). Volgens het dagelijks bestuur kan via de ontwikkelde grenswaarden op geobjectiveerde wijze worden bepaald of al dan niet sprake is van lichthinder. Als de lichtmasten voldoen aan de gestelde lichtnorm is er voor het dagelijks bestuur geen aanleiding aanvullende voorzieningen te eisen. De omgeving van de tennisbaan, die als stedelijk gebied wordt aangemerkt, is volgens het dagelijks bestuur niet bij verordening, bestemmingsplan of beleidsregel aangewezen als een tegen lichthinder te beschermen landschap. Het dagelijks bestuur betoogt dat voor de nachtperiode geen lichtnorm gesteld hoeft te worden, omdat in die periode ingevolge artikel 4.113 van het Activiteitenbesluit de verlichting niet ingeschakeld mag zijn, tenzij sprake is van een van de in dat artikel genoemde uitzonderingen. 2.3.
- Het dagelijks bestuur heeft bij het beoordelen van de lichthinder de richtlijn als toetsingskader gehanteerd. In de richtlijn is niet vermeld dat deze niet van toepassing is als de afstand tussen de lichtbron en het punt waarop moet worden gemeten kleiner is dan een bepaalde afstand. In zoverre is er dus geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de richtlijn in dit geval niet als uitgangspunt voor de beoordeling van lichthinder heeft mogen hanteren. 2.3.
- In de richtlijn worden grenswaarden aanbevolen voor lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor sportaccommodaties ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een dag- en avondperiode, een nachtperiode en in vier soorten omgevingzones, te weten "E1 natuurgebied", "E2 landelijk gebied", "E3 stedelijk gebied" en "E4 stadscentrum/industriegebied". Uit bijlage 3 van de richtlijn blijkt dat deze grenswaarden niet gelden op ieder punt buiten de inrichting maar enkel ter plaatse van gevels. 2.3.
- Het dagelijks bestuur heeft het gebied rondom de tennisbaan aangemerkt als stedelijk gebied, ofwel zone E3, als bedoeld in de richtlijn. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet juist is. Nu de grenswaarden in maatwerkvoorschrift 3.1.1 overeenkomen met de in de richtlijn aanbevolen grenswaarden voor een stedelijk gebied in de dag- en avondperiode, heeft het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het maatwerkvoorschrift een toereikend beschermingsniveau biedt wat lichthinder aangaat. Voor zover het beroep van [appellanten] inhoudt dat de maatwerkvoorschriften een hoger niveau van bescherming zouden moeten bieden, faalt dit dan ook. 2.3.
- Ten aanzien van de nachtperiode overweegt de Afdeling dat de buitenverlichting ingevolge artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in die periode moet zijn uitgeschakeld. Het tweede lid van dit artikel maakt daarop enkele uitzonderingen mogelijk, onder meer voor door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten in de inrichting, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar. Gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling het aannemelijk dat met name door de geringe afstand van de lichtmasten tot woningen van derden het moeten voldoen aan een grenswaarde van 2 lux met zich zal brengen dat van de tennisbanen geen gebruik kan worden gemaakt in de nachtperiode. Het opleggen van een dergelijke grenswaarde voor de nachtperiode, zoals door [appellanten] gewenst, zal er dan ook op neer komen dat van de in artikel 4.113, tweede lid, van het Activiteitenbesluit gecreëerde mogelijkheid om incidenteel ook in de nachtperiode activiteiten in de inrichting toe te staan, geen gebruik kan worden gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft zich gezien het vorenstaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van het stellen van een grenswaarde van 2 lux voor de nachtperiode. Het beroep faalt ook in zoverre. 2.3.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Lap lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009 288.