(2003)waarbinnen intensivering van bebouwing en bebouwingsverdichting is toegestaan. Verder is uiteengezet dat het bouwplan past binnen het gemeentelijke beleid. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. 2.
- [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan zal leiden tot een ernstige aantasting van hun privacy, nu vanuit vier van de zes in het bouwplan voorziene appartementen direct uitzicht bestaat op hun tuinen. 2.5.
- Het verlenen van vrijstelling is een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij door de rechter slechts beoordeeld kan worden of het college bij een afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid al dan niet gebruik te maken. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van de privacy van [appellanten] niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat, nu de bestaande planologische mogelijkheden ook tot aantasting van hun privacy kunnen leiden. 2.
- [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet op grond van het advies van Stichting Dorp, Stad en Land (hierna: de welstandscommissie) van 22 augustus 2008 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij aan dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat uit dit advies kan worden afgeleid dat de welstandscommissie liever niet akkoord was gegaan met het bouwplan. 2.6.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende. Aan het besluit op bezwaar heeft het college het advies van de welstandscommissie van 22 augustus 2006 ten grondslag gelegd. Dat in dit advies is vermeld "node akkoord", doet er niet aan af dat dit advies positief is. [appellanten] hebben geen advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit advies niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Nu [appellanten] voorts niet gemotiveerd hebben aangevoerd dat dit advies in strijd is met de volgens de gemeentelijke welstandsnota geldende criteria, heeft het college het advies van 22 augustus 2006 aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mogen leggen. Het betoog faalt. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Graaff-Haasnoot voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009 531.