200801932/1/R1. Datum uitspraak: 9 december 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Islandplant B.V., gevestigd te Vierpolders, gemeente Brielle, als rechtsopvolger van [naam], wonend te [woonplaats], 3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], 9. [appellanten sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], 12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats], 13. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats], 14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], 15. [appellante sub 15], gevestigd te Westvoorne, 16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellanten sub 17], wonend te [woonplaats], 18. [appellanten sub 18], gevestigd te [plaats], 19. [appellante sub 19], gevestigd te [plaats], 20. LTO Noord en LTO Noord, afdeling Voorne-Putten, gevestigd te Haarlem, 21. LTO Noord Glaskracht, gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, 22. [appellante sub 22], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], gevestigd te [plaats], 23. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], 25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], 26. [appellante sub 26], wonend te [woonplaats], 27. [appellante sub 27], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te [plaats], 28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats], 29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westvoorne (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne". Tegen dit besluit hebben [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 8], [appellant sub 25], LTO Noord en LTO Noord afdeling Voorne-Putten (hierna: LTO Noord), [appellante sub 3], [appellanten sub 9] (hierna: [appellant sub 9] in het enkelvoud), [appellant sub 29], [appellante sub 19], [appellant sub 4], [appellanten sub 17] (hierna: [appellant sub 17] in het enkelvoud), [appellant sub 7], [appellante sub 12], [appellante sub 22], [appellante sub 14] , [appellant sub 10], [appellante sub 1], LTO Noord Glaskracht, [naam], [appellant sub 28], [appellant sub 24], [appellante sub 13], [appellant sub 23], [appellanten sub 18] (hierna: hierna [appellant sub 18] in het enkelvoud), [appellante sub 26], [appellante sub 27], [appellanten sub 6] (hierna: [appellant sub 6] in het enkelvoud), [appellanten sub 5] (hierna: [appellant sub 5] in het enkelvoud), en [appellant sub 11] (hierna: [appellant sub 11]) beroep ingesteld. Bij brief van 17 juli 2009 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Islandplant B.V. (hierna: Islandplant B.V.) als rechtsopvolger onder bijzondere titel het beroep van [naam] overgenomen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft bij brief van 27 augustus 2008 een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroepschrift van [appellant sub 11]. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellant sub 4], [appellant sub 11], [appellant sub 25], [appellante sub 14], [appellante sub 27], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 10], hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Er zijn nadere stukken ontvangen van een aantal partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 en 28 juli 2009, waar [appellante sub 15] vertegenwoordigd door J. Noordermeer en bijgestaan door mr. P Rens advocaat te Rotterdam, [appellant sub 16], vertegenwoordigd door mr. R.C. Luttikhuizen, advocaat te 's Gravenhage, [appellant sub 8], in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 29], in persoon, [appellante sub 19], vertegenwoordigd door W.D. de Jong, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 17], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door G.C. Zwolle, [appellant sub 7], in persoon en bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, [appellante sub 12], vertegenwoordigd door ing. G.P.W. Olbertijn, [appellante sub 14], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 10], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, LTO Noord Glaskracht door ing. L.W.M. Claesssen, Islandplant B.V., vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 28], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 24], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 23], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 18], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 26], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellante sub 27], vertegenwoordigd door [vennoot A] en bijgestaan door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 11], in persoon, het college, vertegenwoordigd door drs. K.P. Spannenburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J. Koch en D. Sluijmers, zijn verschenen. [appellante sub 15] heeft haar beroep ter zitting ingetrokken. 2. Overwegingen Toetsingskader 2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Planbeschrijving 2.2. Het plangebied omvat het landelijk gebied van de gemeente Westvoorne, met uitzondering van een gedeelte van het gebied Stuifakker, het recreatiegebied Kruiningergors, het strand langs de Noordzee en de gronden waarop het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte" ziet. Doel van het plan is het uniformeren van de regelgeving in het buitengebied van de voormalige gemeenten Oostvoorne en Rockanje en het actualiseren van het planologisch-juridisch kader, met name om te voorkomen dat nieuwe kassen worden gebouwd op verspreide locaties. Ontvankelijkheid 2.3. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 11] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien is verzuimd om een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren te brengen. 2.3.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO in samenhang bezien met afdeling 3.4 van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij de raad. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 21 december 2006 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 31 januari 2007. [appellant sub 11] heeft binnen deze termijn bij brief van 29 januari 2007, bij de gemeente ingekomen op 30 januari 2007, aangegeven bezwaren te hebben tegen het (ontwerp)plan. Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn zienswijze was ingediend ter sauvering van de termijn. In zijn zienswijze heeft hij gevraagd hem een termijn te geven waarbinnen hij zijn bezwaren diende te motiveren. Het kenbaar maken van het hebben van niet nader aangeduide bezwaren is onvoldoende om een zienswijze in te brengen. In de term "zienswijze" ligt immers een zekere motiveringseis besloten. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 11] om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren en overweegt daartoe het volgende. 2.3.2. Indien een bestemmingsplan met de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid, zoals in het onderhavige geval, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich dat de indiener van de binnen de wettelijke termijn ingebrachte, niet nader aangeduide bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien. Voor zover een termijn van niet langer dan twee weken wordt gegund om de niet nader aangeduide bezwaren van gronden te voorzien, is er geen gevaar dat de in artikel 25 van de WRO neergelegde beslistermijn voor de vaststelling van een bestemmingsplan in gedrang komt. De raad heeft het voorgaande niet onderkend en heeft [appellant sub 11] niet onverwijld in de gelegenheid gesteld om de door hem bij brief van 29 januari 2007 niet nader aangeduide bezwaren binnen twee weken van gronden te voorzien. Gelet hierop kan [appellant sub 11] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingebracht. Het beroep is dan ook ontvankelijk. 2.3.3. Uit de beantwoording van de zienswijze volgt en ter zitting is bevestigd dat het perceel [locatie 1] te [plaats], waar [appellant sub 11] een varkenshouderij heeft, niet in dit plan is opgenomen , maar wel grenst aan de gronden waarop dit plan betrekking heeft. [appellant sub 11] stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Natuurgebied -N-" die in dit plan is toegekend aan gronden langs het Waterbospad en de Duinrand, op ongeveer 200 meter van zijn bedrijfsgronden, de uitbreidingsmogelijkheden van zijn varkenshouderij belemmeren. Niet gebleken is en ter zitting is dit ook door de raad bevestigd dat de raad dit belang van [appellant sub 11] niet heeft betrokken bij zijn besluit tot vaststelling van dit plandeel. Gelet hierop is dit plandeel in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel vastgesteld. Door niettemin goedkeuring te verlenen aan dit plandeel heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 11] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -N-" voor gronden langs het Waterbospad. De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Glastuinbouw 2.4. LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 1], Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18] en [appellante sub 22], hebben beroepsgronden aangevoerd tegen onderdelen van de planregeling voor glastuinbouw als zodanig. Die beroepsgronden hebben betrekking op - de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven; - de maximale bouwhoogte voor kassen en - de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] hebben ook een beroepsgrond aangevoerd tegen de in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen adviesverplichting voor het college van burgemeester en wethouders voor de afgifte van bouwvergunningen en besluiten tot het verlenen van vrijstelling. 2.4.1. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied aangevoerd dat het plan geen mogelijkheid biedt voor een duurzame ontwikkeling van bestaande glastuinbouwbedrijven en op dit punt in strijd is met het provinciale beleid. Zij stelt dat dit in tegenspraak is met de vrijstellingen die in voorgaande jaren zijn verleend voor bedrijfsontwikkelingen die niet pasten binnen het voorheen geldende bestemmingsplan. Ook zijn naar haar stelling vanwege bedrijfstechnische noodzaak al herhaaldelijk grotere bouwhoogten voor kassen toegestaan. Islandplant B.V. heeft aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de thans gebruikelijke maatvoering van kassen van 6 meter goothoogte en 9 meter bouwhoogte. Deze hoogten dienen naar haar stelling bij recht te worden toegestaan om te kunnen voldoen aan de eisen inzake lichthinder en vermindering van warmte-emissie en voor het realiseren van een goed kasklimaat. Zij wijst erop dat het glasintensiveringsgebied bedrijven ontwikkelingsmogelijkheden dient te bieden. Zij acht de regeling in strijd met het provinciale beleid. Dat een grotere bouwhoogte in dit gebied bij vrijstelling wel is toegestaan, miskent naar haar stelling dat van die vrijstellingsmogelijkheid alleen gebruik kan worden gemaakt indien dat noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering, maar niet om bijvoorbeeld milieutechnische reden. Zij acht het argument dat de hoogte van kassen vanwege landschappelijke waarden moet worden beperkt, vergezocht. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat een bouwhoogte van 5 meter geen recht doet aan het beleid dat in het intensiveringsgebied glastuinbouw bedrijven de mogelijkheid moet worden geboden in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Zij wijst op de tendens om hogere kassen tot 10 meter te kunnen bouwen. [appellant sub 6] stelt dat bij een bouwhoogte van 5 meter geen verduisteringsschermen kunnen worden aangebracht en dat er tevens problemen ontstaan met de brandveiligheid en met de klimaatregeling. Dit wringt temeer nu de in dit plan opgenomen eisen ten aanzien van lichtafscherming strenger zijn dan landelijk overeengekomen. Dit dwingt hem in een spagaat die zijn bedrijf onevenredige schade oplevert. [appellant sub 6] wenst een goothoogte bij recht van 7 meter, voor welke hoogte hem in het verleden al bouwvergunningen zijn verleend. Hij betwist het standpunt van het college dat het beperken bij recht van de bouwhoogte de verplaatsing naar het intensiveringsgebied bevordert. Die verplaatsingsmogelijkheid biedt het plan niet, aldus [appellant sub 6]. [appellant sub 8] stelt dat een maximale bouwhoogte voor kassen van 5 meter vanwege bedrijfstechnische aspecten te laag is. [appellante sub 13] en [appellant sub 18] stellen dat een bouwhoogte voor kassen bij recht tot 5 meter en tot 9 meter bij vrijstellingsregeling in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne. Zij wensen een bouwhoogte bij recht van 9 meter met een goothoogte van 6 meter. Technische voorzieningen voor een goed kasklimaat en het beperken van licht- en warmte-uitstraling rechtvaardigen naar haar stelling die grotere hoogten. Zij betwisten dat de vrijstellingsregeling alleen aanvaardbaar is indien een grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Ook andere belangen kunnen dit rechtvaardigen. De bescherming van de landschappelijke waarden en van omwonende burgers is naar hun stelling overtrokken. 2.4.2. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat het plan ten onrechte de maximale glasopstand in het intensiveringsgebied beperkt tot 3 hectare. Zij heeft al een glasopstand van 3 hectare. Derhalve biedt het plan haar geen uitbreidingsmogelijkheid en daarmee geen ontwikkelingsmogelijkheid. Zij acht dat in strijd met de streekplanuitwerking Voorne, waarin is aangegeven dat binnen het intensiveringsgebied van het maximum van 3 hectare kan worden afgeweken. [appellant sub 6] stelt dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheid tot 3 hectare in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne. Daarin staat dat het intensiveringsgebied een gebied is waar glastuinders zich duurzaam kunnen vestigen en waar de 3 hectare grens per bedrijf moet kunnen worden losgelaten. Hij acht het standpunt van het college dat die uitbreidingsmogelijkheid in de komende planherzieningen op basis van een nog op te stellen gemeentelijke visie zal worden hersteld, in strijd met de rechtszekerheid. 2.4.3. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de maximale hoogte van kassen buiten het intensiveringsgebied aangevoerd, dat die een verdere bedrijfsontwikkeling in de weg staat. Een grotere bouwhoogte is naar haar stelling nodig omdat steeds meer schermen en andere voorzieningen aangebracht moeten worden ter voorkoming van lichthinder, warmte-uitstoot of vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Dat vergt een grotere goothoogte om het kasklimaat zo gunstig mogelijk te houden. De toegestane, maximale hoogte van 5 meter maakt het ondernemers ook nagenoeg onmogelijk om verdergaand te investeren in maatregelen ter beperking van lichthinder en staat ook op die manier een verdere bedrijfsontwikkeling in de weg. Ondernemers worden gedwongen hun huidige bedrijfsvoering, met de thans aanwezige assimilatieverlichting, zolang mogelijk voort te zetten. Zij acht de voorschriften inzake bouwhoogte en lichtafscherming met elkaar in tegenspraak. [appellante sub 1] en [appellante sub 22] stellen dat een bouwhoogte van 5 meter onmogelijk is met de eisen die maatschappelijk, economisch, verzekerings- en klimaattechnisch aan kassen worden gesteld. Om te voldoen aan de gestelde eisen achten zij een bouwhoogte van 6 meter noodzakelijk. Weliswaar biedt het plan, aldus deze appellanten, een overgangsregeling tot 2013, maar niet is voorzien in een regeling na 2013 indien geen hogere nieuwbouw kan plaatsvinden. De uit het voorheen geldende plan overgenomen bouwhoogte dateert naar hun stelling uit de tijd dat nog geen eisen werden gesteld aan voorkoming van lichthinder. Ook zij achten de voorschriften inzake bouwhoogte en lichtafscherming met elkaar in tegenspraak. [appellant sub 5] stelt dat een bouwhoogte bij recht voor kassen van maximaal 5 meter in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne en met de bouwhoogten die in de aangrenzende gemeente Brielle gelden. Die hoogte is naar zijn stelling onvoldoende voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf, zeker indien voldaan moet worden aan de eisen die het plan stelt ter voorkoming van lichthinder. [appellant sub 5] wenst een bouwhoogte bij recht van 7 meter, voor welke hoogte hem in het verleden al bouwvergunningen zijn verleend. Hij betwist het standpunt van het college dat het beperken bij recht van de bouwhoogte de verplaatsing naar het intensiveringsgebied bevordert. Die verplaatsingsmogelijkheid biedt het plan niet, aldus [appellant sub 5]. Naar zijn stelling dient daarom het belang bij uitbreiding van zijn bedrijf zwaarder te wegen dan het belang de open en vrije ruimte niet aan te tasten. 2.4.4. [appellante sub 1] en [appellante sub 22] hebben ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied aangevoerd dat het plan aan ondernemers in dat gebied geen toekomstperspectief biedt. Het plan maakt moderniseren onmogelijk en biedt ten onrechte geen mogelijkheid tot verruiming van de maximale bedrijfsoppervlakte aan kassen tot 3 hectare. Ook bevat het plan ten onrechte geen financiële paragraaf voor bedrijven die moeten stoppen met hun bedrijfsvoering. [appellant sub 5] stelt dat de uitbreidingsmogelijkheid voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied ten onrechte is beperkt tot 2 hectare. Nu in het plan geen saneringsregeling is opgenomen voor die glastuinbouwbedrijven, dient naar zijn stelling ook in dat opzicht aan het belang van de ondernemers tot uitbreiding van hun bedrijf doorslaggevende betekenis te worden toegekend. 2.4.5. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting aangevoerd, dat de gevolgen van deze voorschriften niet nader zijn onderzocht en dat evenmin is gekeken naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze voorschriften. Zij wijst erop dat deze voorschriften afwijken van het Besluit Glastuinbouw waarin de landelijke afspraken ten aanzien van de beperking van lichthinder zijn geregeld. Daarin is het aspect van de handhaafbaarheid uitdrukkelijk betrokken. Ook zijn de betrokken belangen naar haar stelling niet gedegen afgewogen. Ten aanzien van de voorschriften inzake cyclische belichting heeft LTO Noord Glaskracht daaraan nog toegevoegd dat het plaatsen van (boven)schermen bedrijfstechnisch en financieel niet haalbaar is. Bovendien sorteert het niet of nauwelijks effect. Daartoe heeft zij gewezen op het Convenant "Maatschappelijk verantwoorde belichting en afscherming in de glastuinbouw" van 5 oktober 2004 van de Stichting Natuur en Milieu en LTO Nederland en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken. Deze hebben er, aldus LTO Noord Glaskracht, toe geleid dat in het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Glastuinbouw, zoals dat ten tijde van het instellen van het beroep ter inzage lag, geen nadere eisen worden gesteld aan beperking van lichthinder bij gebruik van cyclische belichting. Ten aanzien van de verwijzing van het college naar het rapport Praktijkonderzoek Plant & Omgeving inzake schermtoepassing bij belichte teelten stelt LTO Noord Glaskracht dat dit rapport geen enkele uitspraak doet over cyclische belichting, maar alleen ingaat op het gebruik van assimilatiebelichting. [appellant sub 5] betoogt dat de gestelde eis dat geen enkele vorm van lichtuitstraling mag plaatsvinden, niet is te realiseren. [appellant sub 8] stelt dat hij alleen cyclische belichting gebruikt, die weinig uren in gebruik is en met een belichting van slechts 9 watt/m2 geen lichthinder tot gevolg heeft, nu de landelijke norm voor lichthinder bij 20 watt/m2 begint. Hij betoogt dat de planvoorschriften voor zover die ook voor cyclische belichting voorschrijven dat de binnenzijde van kassen voor 95% dient te worden afgeschermd voor uitstraling te vergaand zijn en niet dienen te gelden voor cyclische belichting. Hij stelt dat om die reden in het Besluit Glastuinbouw voor cyclische belichting ook geen afschermende maatregelen zijn voorgeschreven. Hij betoogt dat in het besluit niet is ingegaan op het verschil tussen cyclische belichting en assimilatiebelichting. Het aanbrengen van extra schermen tegen lichtuitstraling acht hij bedrijfstechnisch en financieel niet haalbaar. Ook de in artikel 6.2.2. opgenomen uitstelregeling tot 2013 voor bedrijven die beschikken over kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter biedt naar zijn stelling geen oplossing, omdat hij voor zijn teelt een poothoogte van 4,25 meter heeft. Hij dient thans reeds aan de gestelde eis te voldoen. [appellante sub 22] stelt dat hij enkel cyclische belichting gebruikt die geen lichthinder veroorzaakt (15 watt/m2). Hij acht de eis om zijn kas voor 95% af te schermen tegen lichthinder overtrokken. 2.4.6. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] richten zich in beroep bovendien tegen de in lid 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of een ingediend bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig bedrijf noodzakelijk is. Zij achten dat voorschrift rechtsonzeker omdat een aantal toetsingspunten is opgenomen die niet objectief begrensd kunnen worden en onnodig beperkend zijn voor bestaande bedrijven omdat een volwaardig bedrijf voor ieder bouwplan, ook indien het gaat om vervanging van bestaande gebouwen, zijn volwaardigheid opnieuw dient aan te tonen. Zij betogen dat die toetsing op basis van het plan moet kunnen geschieden. 2.4.7. De Afdeling zal deze beroepsgronden voorafgaande aan de behandeling van de individuele beroepen bespreken. 2.4.8. Volwaardige glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan binnen de gebiedsbestemmingen "Agrarisch gebied -A-" en "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al". Die bestemmingen worden geregeld in respectievelijk de artikelen 7 en 8 van de voorschriften bij het plan. 2.4.9. Ingevolge artikel 7, lid 1.1 - voor zover thans van belang - zijn de voor agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch gebruik; [..] c. ter plaatse van de aanduiding "II" voor volwaardige glastuinbouwbedrijven [..], met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder l4, uit de kassen mag plaatsvinden; [..], met de daarbij behorende voorzieningen. 2.4.10. Onder 'lichtuitstraling' dient ingevolge artikel 1, onder l4 te worden verstaan: horizontale of verticale uitstraling van licht uit kassen tussen zonsondergang en zonsopgang, als gevolg van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting, waarbij de kassen (gevels en dak) niet voor minimaal 95% aan de binnenzijde zijn afgeschermd tegen deze lichtuitstraling. 2.4.11. De in lid 2.1 opgenomen bouwbepalingen bij deze bestemming vermelden dat op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering [..] mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: [..] f. nieuwe bebouwing uitsluitend is toegestaan indien deze - mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf - noodzakelijk en doelmatig is voor een volwaardig bedrijf; g. de gezamenlijke oppervlakte van kassen per bouwvlak ten hoogste mag bedragen: [..] 2. voor bedrijven gelegen binnen de bouwvlakken met aanduiding II: 3 hectare; [..] h. kassen (gevels en dak) dienen aan de binnenzijde voor 95% te worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting; [..] j. de overige maatvoering van de bebouwing dient te voldoen aan de volgende vereisten: [..] - de bouwhoogte van kassen mag niet meer bedragen dan 5 meter; k. indien ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan de maatvoering van bestaande bouwwerken, die met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet zijn gebouwd, afwijkt van het bovenstaande, geldt de bestaande maatvoering als maximum. In geval van herbouw geldt de bestaande maatvoering uitsluitend als maximum indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 2.4.12. Het college van burgemeester en wethouders is ingevolge lid 3.1 van artikel 7 bevoegd vrijstelling te verlenen van: [..] b. het bepaalde in lid 2.1 onder j voor een maximale goothoogte en bouwhoogte van respectievelijk 7 meter en 9 meter ten behoeve van kassen gelegen binnen het intensiveringsgebied glastuinbouw, mits dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is en mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting. 2.4.13. Alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, dient het college van burgemeester en wethouders ingevolge lid 5.1 van artikel 7 schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig agrarische bedrijf noodzakelijk is, een en ander gelet op: - de volwaardigheid van het bedrijf; - de aard en de inrichting van het bedrijf; - de mate van mechanisatie van het bedrijf; - de omvang van het bedrijf naar oppervlakte en Nederlandse Grootte Eenheden (NGE's); - de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden; - de continuïteit van het bedrijf, mede gelet op de leeftijd van de aanvrager en/of de opvolgingssituatie; - het beroep van de aanvrager en het al dan niet hebben van een volledige dagtaak in het betreffende bedrijf; - de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf. Dit advies behoeft ingevolge het tweede lid van dit artikel - voor zover thans van belang - niet te worden ingewonnen voor de oprichting of vergroting van [..] bedrijfsgebouwen met een oppervlak van 200 m2 of minder. 2.4.14. Lid 6.2.1 van artikel 7 merkt het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting tussen zonsondergang en zonsopgang, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen uitdrukkelijk aan als strijdig gebruik in de zin van artikel 25 van de planvoorschriften, tenzij de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling. In afwijking van het bepaalde in lid 6.2.1 geldt dat: - voor kassen die vóór 1 juni 2007 reeds voor minimaal 85% aan de binnenzijde (gevels en dak) werden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, tot 1 januari 2013 mag worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming; - voor kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter en het aanbrengen van extra technische installaties voor extra lichtafscherming niet mogelijk is, tot 31 december 2013 mag worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming, mits vóór 1 mei 2007 aantoonbaar is geïnvesteerd in afschermingsvoorzieningen. 2.4.15. Voor glastuinbouwbedrijven op gronden die op de plankaart zijn aangewezen als agrarisch gebied met landschappelijke waarde met de aanduiding 'II' geldt gelet op artikel 8 van de planvoorschriften eenzelfde doeleindenomschrijving als voor glastuinbouwbedrijven op gronden met de bestemming agrarische doeleinden met de aanduiding II. De bouwbepalingen verschillen in die zin dat ingevolge lid 2.1, onder g, de gezamenlijke oppervlakte van kassen per bouwvlak ten hoogste 2 hectare mag bedragen. Een vrijstellingsbevoegdheid voor vergroting van de maximale goothoogte en bouwhoogte ontbreekt. De in artikel 7, lid 5.1, opgenomen adviesverplichting geldt ingevolge artikel 8, lid 5.1, ook voor het verlenen van bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw op gronden met de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Het in artikel 7, lid 6.2.1 opgenomen gebruiksverbod van groeibevorderende of conditionerende belichting tussen zonsondergang en zonsopgang, geldt ingevolge artikel 8, lid 7.4.1 ook voor glastuinbouwbedrijven op gronden met de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Ook geldt ingevolge lid 7.4.2 eenzelfde overgangsregeling als vervat in lid 6.2.1 van artikel 7 (hiervoor vermeld in 2.4.14.). 2.4.16. De gronden van glastuinbouwbedrijven binnen de aanduiding op de plankaart 'grens intensiveringsgebied Tinte' zijn in het plan bestemd als "Agrarisch gebied -A-". De gronden van de glastuinbouwbedrijven buiten die aanduiding (zogenoemd 'verspreid liggend glas') zijn veelal bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al". 2.4.17. De raad beoogt blijkens de plantoelichting met dit plan een eerste aanzet te geven ter uitvoering van zijn beleid om de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven in het gebied te voorkomen en het zogenoemde 'verspreid liggende glas' te saneren. Omdat de financiële middelen van de gemeente niet toereikend zijn voor verwezenlijking van zijn beleidsdoelstelling op korte termijn, heeft de raad prioriteitsgebieden aangewezen. De kwetsbaarheid van het landschap gecombineerd met de financiële ruimte zijn daarbij leidend geweest. De zogenoemde 'papieren glaslocaties' (locaties waar geen glastuinbouwbedrijf wordt uitgeoefend of aanwezig is, maar op grond van het voorheen geldende plan wel mogelijk was) zijn aangemerkt als eerste prioriteit en de glastuinbouwbedrijven in de open polder als tweede prioriteit. Met inachtneming van deze prioriteitstelling zijn blijkens de plantoelichting bij de opstelling van het plan de navolgende doelstellingen en uitgangspunten gehanteerd. Alle papieren glaslocaties worden in dit plan niet langer als zodanig opgenomen. De gronden van glastuinbouwbedrijven die op basis van het 'convenant glastuinbouw binnenduinrand' hun activiteiten hebben gestaakt, worden eveneens niet langer als zodanig opgenomen. Bestaande glastuinbouwbedrijven in de open polder behouden de uitbreidingsmogelijkheden (tot 2 respectievelijk 3 hectare) uit de voorheen geldende bestemmingsplannen. In het intensiveringsgebied Tinte kan ten behoeve van het verplaatsen van verspreid liggend glas - op basis van het 'convenant glastuinbouw binnenduinrand' en het streekplan Rijnmond 1996 - maximaal 12 hectare nieuw glas worden gerealiseerd. De grenzen van het intensiveringsgebied Tinte worden niet gewijzigd en er vindt geen reconstructie van het intensiveringsgebied plaats. De bouwhoogte van kassen wordt bepaald op 5 meter, met een vrijstellingsmogelijkheid voor een goothoogte tot 7 meter en een bouwhoogte tot 9 meter voor kassen in het intensiveringsgebied Tinte, mits voorzieningen tegen lichtuitstraling worden getroffen. Voorschriften ter beperking van lichtuitstraling van kassen worden opgenomen om afbreuk aan het door bewoners en toeristen zo gewaardeerde, donkere karakter van Voorne-Putten te voorkomen en om het welzijn van de bewoners van Tinte, Oostvoorne en Rockanje te bevorderen. Die voorschriften zijn, aldus de plantoelichting, stringenter dan de regels die in het Besluit Glastuinbouw zijn opgenomen voor assimilatiebelichting. Op grond van dit Besluit dient de kas zo te worden afgeschermd dat op een afstand van ten hoogste 10 meter de lichtuitstraling met minstens 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Omdat de regels van het Besluit glastuinbouw alleen zien op zijgevels, biedt het milieuspoor volgens de plantoelichting onvoldoende waarborgen om het donkere karakter van de omgeving te waarborgen. Om deze reden acht de raad het noodzakelijk en wenselijk om in het ruimtelijke ordeningsspoor te voorzien in regels die de effecten van belichting (lichtuitstraling) tegengaan door te bepalen dat kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% dienen te worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast. 2.4.18. Het college acht de planregeling voor glastuinbouwbedrijven in overeenstemming met het provinciale beleid in het algemeen en wat betreft het intensiveringsgebied Tinte in het bijzonder met de streekplanuitwerking Voorne van 6 maart 2007. In die streekplanuitwerking wordt, aldus het college, juist gewezen op het thans geldende maximum van 3 hectare per bedrijf binnen een glasintensiveringsgebied. Weliswaar biedt de streekplanuitwerking gemeenten de mogelijkheid een visie te ontwikkelen op de toekomst van het intensiveringsgebied, waarbij onderzocht kan worden of door reconstructie van het intensiveringsgebied en/of sanering van glastuinbouwbedrijven elders binnen de gemeente, van het maximum van 3 hectare kan worden afgeweken, maar de gemeente dient daarvoor eerst een integraal en uitvoerbaar saneringsplan aan het college ter goedkeuring voor te leggen. Nu het plan niet actief inzet op het saneren van 'verspreid liggend glas' vindt het college een onderzoek naar de financiering van het saneren van 'verspreid liggend glas' in het kader van dit plan niet nodig. De maximale uitbreidingsmogelijkheid voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied tot 2 hectare acht het college in lijn met de provinciale Nota "Regels voor Ruimte". Een grotere bouwhoogte voor kassen dan 5 meter, zoals opgenomen in het plan, acht het college vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk. Dat het plan een vrijstellingsbevoegdheid bevat voor het vergroten van de goothoogte tot 7 meter voor gronden binnen het intensiveringsgebied, acht het college aanvaardbaar, omdat die vrijstellingsbevoegdheid de verplaatsing van verspreid liggend glas naar het intensiveringsgebied bevordert en daarmee de landschappelijke kwaliteit van het landelijk gebied verhoogt. Ook past die vrijstellingsmogelijkheid naar de mening van het college binnen de dubbeldoelstelling van de streekplanuitwerking Voorne om de huidige bedrijven binnen het glasintensiveringsgebied voor de toekomst een duurzame voortzetting van de bedrijfsvoering te bieden en tevens rekening te houden met de belangen van omwonenden en het landschap. Het college onderschrijft het streven van de raad om het donkere karakter van het landelijk gebied te behouden. Het opnemen van voorschriften ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden en van negatieve landschappelijke effecten, acht het college van belang voor de inrichting van gronden in het plangebied. Het college ziet geen aanleiding onderscheid te maken tussen assimilatiebelichting en cyclische belichting, omdat assimilatiebelichting in de praktijk wordt gebruikt als cyclische belichting en er bij beide typen belichting lichtuitstraling plaatsvindt. De adviesprocedure die in de planregeling is opgenomen voor de afgifte van bouwvergunningen en besluiten tot het verlenen van vrijstelling acht het college doelmatig, nu die procedure is opgenomen om te voorkomen dat het buitengebied wordt bebouwd met opstallen en woningen van zogenoemde 'hobbyboeren' en als waarborg om inhoudelijk consistente en consequente adviezen te garanderen. 2.4.19. De Afdeling zal eerst ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven zowel binnen als buiten het intensiveringsgebied voor glastuinbouw Tinte. 2.4.20. Het provinciale ruimtelijke beleid voor de glastuinbouw, neergelegd in het streekplan "Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020" en nader uitgewerkt in de Streekplanuitwerking Voorne van 6 maart 2007, gaat voor de hele provincie uit van een saldo-nulbenadering. Hoogwaardig en duurzaam glas wordt ontwikkeld in de zogenoemde 'glas-as', een concentratiegebied van Hoek van Holland via het Westland naar Bleiswijk. Oude glastuinbouwlocaties worden gesaneerd of duurzaam geherstructureerd en in kwetsbare gebieden wordt verspreid liggend glas opgeruimd. Voorne is geen onderdeel van de zogenoemde 'glas-as', maar is aangewezen voor de aanpak van verspreid glas. Het provinciale beleid voor Voorne is erop gericht het glas zoveel mogelijk te concentreren in een glastuinbouwgebied bij Tinte en Vierpolders (gemeente Brielle). Verspreid, fysiek aanwezig glas dient zo mogelijk te worden verplaatst of gesaneerd naar de aangewezen glastuinbouwgebieden. Uitbreiding of ontwikkeling is daarbij geen doel, maar een middel om sanering of concentratie van verspreid glas te ondersteunen. Dat beleid moet leiden tot glastuinbouw binnen Tinte en Vierpolders die duurzaam is in twee opzichten: - met toekomstperspectief voor de gevestigde ondernemers in het gebied; - met optimale benutting van kansen op milieugebied, zoals lichthinder, waterkringloop, energie en minimalisatie van emissies. Het intensiveringsgebied bij Tinte is in de streekplanuitwerking aangemerkt als 'glasintensiveringsgebied', waar de huidige bedrijven ook in de toekomst hun activiteiten duurzaam kunnen voortzetten. De gemeente Westvoorne en de gemeente Brielle zullen, aldus de streekplanuitwerking, een visie ontwikkelen op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Daarbij zal onderzocht worden in hoeverre het mogelijk is om - in afwijking van het thans geldende maximum van 3 hectare glas per bedrijf - binnen de begrenzing van het gebied verschuiving van glasbestemmingen of samenvoeging van bedrijven mogelijk te maken. Toevoeging van glas in het intensiveringsgebied Tinte is op grond van de streekplanuitwerking toegestaan in het kader van het convenant "Glastuinbouw Binnenduinrand Westvoorne", op grond waarvan maximaal 12 hectare glas gerealiseerd kan worden. Daarenboven is toevoeging van glas in Tinte mogelijk als instrument om het verspreide glas in Westvoorne te saneren. Indien de gemeente hiervoor kiest dient een integraal en uitvoerbaar saneringsplan voor het verspreide glas te worden opgesteld, dat de goedkeuring van het college behoeft. De toevoeging van glas wordt pas mogelijk gemaakt na een wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan, aldus de streekplanuitwerking. De streekplanuitwerking staat een maximale bedrijfsomvang van 3 hectare toe voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied en van maximaal 2 hectare daarbuiten. Bedrijven buiten het intensiveringsgebied die volgens de geldende bestemmingsplannen tot maximaal 3 hectare mogen uitbreiden en niet voor sanering in aanmerking komen, behouden dit recht. Voor de ontwikkeling van nieuwe kassen in de aangewezen gebieden dienen op grond van het provinciale beleid in het bestemmingsplan regels te worden gesteld voor de maximale goot- en nokhoogten van de kassen. Ook moeten er regels worden opgenomen om de lichthinder voor omwonenden te verminderen. Die regelingen moeten, aldus de streekplanuitwerking, enerzijds voldoende ruimte bieden voor een duurzame bedrijfsvoering van de glastuinbouwbedrijven en anderzijds rekening houden met de belangen van omwonenden en het landschap. 2.4.21. Uit de weergave van het provinciale beleid volgt dat de in het bestemmingsplan toegekende, maximale bedrijfsomvang van 3 hectare voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied Tinte en van maximaal 2 hectare daarbuiten, in overeenstemming is met het provinciale beleid. Voorts is het gebied bij Tinte in de streekplanuitwerking Voorne weliswaar aangemerkt als 'glasintensiveringsgebied', maar uit de tekst van de streekplanuitwerking volgt dat dit niet meer inhoudt dan dat de daar gevestigde glastuinbouwbedrijven zich ter plaatse duurzaam moeten kunnen ontwikkelen en dat uitbreiding van glasareaal in dat gebied - naast de uitbreiding tot 3 hectare voor de bestaande bedrijven - alleen is toegestaan voor verplaatsing van enkele glastuinbouwbedrijven uit de binnenduinrandstreek op basis van het convenant "Glastuinbouw Binnenduinrand Westvoorne" en - nadat een goedgekeurd saneringsplan voorhanden is - voor verplaatsing van gesaneerde glastuinbouwbedrijven van elders binnen de gemeente Westvoorne. Ook vermeerdering van glasopstand door middel van reconstructie van de percelen is op grond van de streekplanuitwerking Voorne eerst mogelijk, nadat de raad een visie heeft ontwikkeld op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Een dergelijke visie was ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring van dit plan nog niet opgesteld en aan het college ter goedkeuring voorgelegd. 2.4.21.1. De Afdeling volgt [appellant sub 6] niet in zijn betoog dat het ontbreken van die gebiedsvisie in strijd is met de rechtszekerheid. De in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven behouden de uitbreidingsmogelijkheden die zij op grond van het voorheen geldende plan hadden. Ook voorziet het provinciale glastuinbouwbeleid niet in een op zichzelf staande uitbreiding en ontwikkeling van de bestaande glastuinbouwbedrijven in het gebied Tinte, zoals wordt voorgestaan voor het concentratiegebied dat in het provinciale beleid is aangeduid als de 'glas-as'. 2.4.21.2. Appellanten hebben voorts, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten, in zijn algemeenheid in de weg staat aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. Voor het opnemen van een financiële paragraaf voor sanering van bedrijven buiten het glasintensiveringsgebied die hun bedrijfsvoering willen beëindigen, zoals [appellante sub 1] en [appellante sub 22] betogen, behoefde het college in navolging van de raad dan ook geen aanleiding te zien. In zoverre faalt het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5]. Bij de bespreking van de afzonderlijke beroepsgronden van deze appellanten zal de Afdeling nagaan of het college in het individuele geval aanleiding had moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.4.22. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18] voor zover dat ziet op locaties binnen het glasintensiveringsgebied en van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] voor zover dat ziet op locaties buiten het glasintensiveringsgebied ten aanzien van de maximale bouwhoogte van kassen in die gebieden. 2.4.23. De plantoelichting vermeldt dat bij de opzet van de regeling voor de bebouwing ten dienste van agrarische bedrijven is uitgegaan van de aard van de bedrijfsvoering en de voor de bedrijven binnen de planperiode redelijk geachte ontwikkelingsmogelijkheden. Noch uit de plantoelichting noch uit enig ander stuk blijkt evenwel in hoeverre bij de bepaling in het plan van de maximale bouwhoogte van 5 meter bij recht de huidige stand van de bedrijfsvoering van glastuinbouwbedrijven en van de teelttechniek is betrokken en of bij die toegestane maximale bouwhoogte kan worden voldaan aan de in het plan gestelde milieutechnische eis om lichtuitstraling door afscherming van daken en gevels voor 95% tegen te gaan en daarbij tevens het kasklimaat zo gunstig mogelijk te houden en productieverlies te voorkomen. Evenmin wordt een duidelijk verband gelegd met te beschermen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Het ontbreken van die motivering klemt te meer, nu blijkens het deskundigenbericht veel glastuinbouwbedrijven zowel in als buiten het glasintensiveringsgebied hogere kassen hebben, die in het recente verleden tot stand zijn gekomen op basis van het voor die gronden voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Oostvoorne" danwel met een vrijstelling in afwijking van het op dat moment geldende bestemmingsplan. De raad en het college hebben niet aannemelijk gemaakt dat thans voor de overige glastuinbouwbedrijven voor een duurzame bedrijfsvoering een lagere bouwhoogte van kassen bij recht volstaat. Het college heeft in navolging van de raad weliswaar verwezen naar de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplannen, maar het deskundigenbericht vermeldt dat die plannen ongeveer twintig jaar oud zijn. Dit is niet weersproken door de raad of het college. De Afdeling acht het mede op basis van het deskundigenbericht aannemelijk dat de ontwikkelingen die sindsdien hebben plaatsgevonden in de glastuinbouw niet zonder gevolgen zijn gebleven voor de hoogte van de kassen die uit teelttechnisch, milieutechnisch en bedrijfstechnisch oogpunt thans gangbaar worden geacht. Voorts is weliswaar voor het intensiveringsgebied een vrijstellingsregeling voor een grotere maximale bouwhoogte tot 9 meter opgenomen, maar er is niet gemotiveerd waarom die bouwhoogte voor dat gebied slechts na vrijstelling toelaatbaar is en niet bij recht en uitsluitend indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering nodig is en niet zoals sommige appellanten betogen ook om bijvoorbeeld een milieutechnische reden. Bovendien geldt die vrijstellingsbevoegdheid niet voor gronden buiten het intensiveringsgebied. Het standpunt van het college dat het ontbreken van die vrijstellingsmogelijkheid buiten het intensiveringsgebied de verplaatsing van verspreid liggend glas naar het intensiveringsgebied bevordert, acht de Afdeling niet toereikend, nu verplaatsing van bestaande glastuinbouwbedrijven naar het glasintensiveringsgebied - vanwege het ontbreken van een integraal saneringsplan - op basis van dit plan alleen al in planologisch opzicht niet mogelijk is. 2.4.24. De conclusie is dat hetgeen LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze artikelleden. Als gevolg van de onthouding van goedkeuring aan deze artikelleden geldt voor de bouwhoogte van kassen geen voorschrift meer omtrent de maximaal toegestane bouwhoogte en is niet langer voorzien in een vrijstellingsbevoegdheid. Teneinde deze situatie te ondervangen voor de periode waarin de raad ter zake van deze voorschriften opnieuw in de zaak dient te voorzien met inachtneming van deze uitspraak, ziet de Afdeling aanleiding na te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.4.25. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] ten aanzien van de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting. 2.4.26. Het standpunt van het college in navolging van de raad dat er geen aanleiding is onderscheid te maken tussen assimilatiebelichting en cyclische belichting, omdat assimilatiebelichting in de praktijk wordt gebruikt als cyclische belichting en er bij beide typen belichting lichtuitstraling plaatsvindt, wordt in het deskundigenbericht niet onderschreven. De lichtsterkte van assimilatiebelichting is volgens het deskundigenbericht vele malen groter - een factor 10 of meer - dan de lichtsterkte van cyclische belichting en bovendien zijn de lampen bij cyclische belichting naar beneden gericht, waardoor geen uitstraling naar boven plaatsvindt. Betwijfeld wordt dan ook of cyclische belichting dezelfde hinderlijke lichtgloed heeft als assimilatiebelichting. De rechtstreekse aanstraling door zijwaartse (horizontale) uitstraling is volgens het deskundigenbericht niet op grote afstand zichtbaar en kan effectief worden bestreden door bijvoorbeeld groensingels. Het college en de raad hebben geen gegevens overgelegd die het deskundigenbericht op dit punt gemotiveerd bestrijden. De Afdeling ziet geen aanleiding aan het standpunt van het deskundigenbericht te twijfelen. Bovendien wordt in de "Beleidsregel Lichthinder gemeente Westvoorne", die aan het plan ten grondslag is gelegd, uitsluitend uitgegaan van hinder als gevolg van assimilatiebelichting. Cyclische belichting wordt in die beleidsregel direct noch indirect betrokken. Ook in het Besluit Glastuinbouw is geen regeling opgenomen om hinderlijke gevolgen vanwege cyclische belichting tegen te gaan. Het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] dat in het plan ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen assimilatie- en cyclische belichting, slaagt dan ook. Het plan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. 2.4.27. De betwiste eis van 95% reductie is voor assimilatiebelichting strenger dan die in het Besluit glastuinbouw zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij het - ten tijde van het bestreden besluit geldende - Koninklijk Besluit van 29 april 2008, Stb. 160, (hierna: het Besluit). In het Besluit wordt de 95% norm betrokken op een afstand van 10 meter uit de gevel. De Nota van toelichting bij het Besluit vermeldt dat het om een doelvoorschrift gaat, waardoor de ondernemer zelf kan bepalen op welke wijze hij de lichtuitstraling via de zijgevel beperkt. Voorts biedt artikel 4.4.1. van bijlage 2 bij het Besluit de mogelijkheid tot het stellen van een nadere eis met betrekking tot de wijze van afscherming van assimilatiebelichting. In het plan wordt de 95% norm betrokken op de binnenzijde van zowel de gevel als het dak van de kas. Voor kassen die vóór 1 juni 2007 reeds voor minimaal 85% aan de binnenzijde (gevels en dak) werden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, mag - zoals vermeld in 2.4.14. - tot 1 januari 2013 worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming en voor kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter en het aanbrengen van extra technische installaties voor extra lichtafscherming niet mogelijk is, mag tot 31 december 2013 worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming, mits vóór 1 mei 2007 aantoonbaar is geïnvesteerd in afschermingsvoorzieningen. Een vrijstellingsmogelijkheid om maatwerk te leveren voor die gevallen waarin het ondanks de getroffen overgangsregeling - ook na 2013 - (bedrijfs)technisch of financieel redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aan de eis wordt voldaan, ontbreekt. Dit klemt te meer nu de in artikel 8.42 van die Wet milieubeheer gebruikte term 'nadere eis' sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2008 van de Wet van 22 november 2006, Stb. 606, wijziging van de Wet milieubeheer (Modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen), is vervangen door het ruimere begrip 'voorschrift'. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat het gaat om het maatwerk dat noodzakelijk is wanneer gewerkt wordt met algemene regels. Het ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit dat ten tijde van het bestreden besluit ter inzage lag - waarin overigens ook is voorzien in de eis van het aanbrengen van een lichtscherminstallatie aan de bovenzijde van een kas waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd - bevat die mogelijkheid voor maatwerk naast een overgangsregeling. Nu blijkens de stukken de voorschriften inzake assimilatiebelichting zijn vastgesteld zonder dat nader is onderzocht of een strengere eis dan die in het Besluit voor de in het gebied aanwezige glastuinbouwbedrijven (bedrijfs)technisch en financieel ook zonder vrijstellingsmogelijkheid mogelijk is, is het besluit tot vaststelling van deze voorschriften onzorgvuldig voorbereid en genomen. 2.4.28. De conclusie is dat hetgeen LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan zowel wat betreft cyclische belichting als wat betreft assimilatiebelichting is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 1, onder I4, artikel 7, lid 7.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 7, lid 2.1, onder h, artikel 7, lid 3.1, onder b, de zinsnede "mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting", artikel 7, lid 6.2.1 en 6.2.2, artikel 8, lid 1.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 8, lid 2.1, onder h, en artikel 8, lid 7.4.1 en 7.4.2. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze artikelleden. 2.4.29. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] tegen de in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig bedrijf noodzakelijk is gelet op een aantal nader in dit voorschrift genoemde - in rechtsoverweging 2.4.13. weergegeven - omstandigheden. 2.4.30. Dit voorschrift is verweven met het in de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8 opgenomen bouwvoorschrift, dat nieuwe bebouwing uitsluitend is toegestaan indien deze - mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf - noodzakelijk en doelmatig is voor een volwaardig bedrijf. In die verwevenheid ziet de Afdeling aanleiding ook de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8 in het geding te betrekken. 2.4.31. Voor zover deze voorschriften betrekking hebben op het verlenen van een bouwvergunning zonder vrijstelling, overweegt de Afdeling het volgende. Indien de raad het noodzakelijk acht dat in een bestemmingsplan een nader afwegingsmoment voor het college van burgemeester en wethouders wordt opgenomen alvorens toe te staan dat van een bouwmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, biedt de WRO de mogelijkheid die bouwmogelijkheid te binden aan een vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet. 2.4.32. Hiermee is niet in strijd dat een rechtstreeks werkend bouwvoorschrift de eisen bevat dat agrarische bebouwing alleen mag worden opgericht, indien het bouwplan betrekking heeft op een volwaardig agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering in overeenstemming is met de in het plan aan de gronden toegekende bestemming en dat de op te richten bebouwing, waarop het bouwplan betrekking heeft, ook noodzakelijk is voor die bedrijfsvoering. De toetsing door een college van burgemeester en wethouders bij het beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning betreft in zodanig geval niet een nadere afweging van belangen omtrent het toegestane grondgebruik, maar betreft een toetsing of is voldaan aan de in een planvoorschrift gestelde beperkingen ten aanzien van het toegestane grondgebruik. 2.4.33. Voorts is in artikel 1, onder v2, een begripsbepaling opgenomen waarin is neergelegd wat het plan verstaat onder 'volwaardig (agrarisch bedrijf), namelijk "een agrarisch bedrijf met een arbeidsomvang van ten minste één volledige arbeidskracht die binding heeft met het agrarische bedrijf; bij de beoordeling van volwaardigheid zijn belangrijk: arbeidsinkomen, veebezetting, grondareaal, totale omvang en tijdsbesteding en de verwachte ontwikkeling van deze factoren in de (nabije) toekomst." Door die begripsbepaling zijn de in geding zijnde voorschriften in zoverre die de in 2.4.32 gestelde eisen bevatten, anders dan [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] betogen, voldoende objectief bepaald en niet rechtsonzeker. 2.4.34. Dat het plan de toetsing door het college van burgemeester en wethouders of aan die eisen is voldaan, verbindt aan de verplichting om hieromtrent voorafgaand advies in te winnen bij de agrarisch deskundige, maakt die voorschriften niet alsnog rechtsonzeker. Naar ter zitting is toegelicht beoogt de raad met die adviesverplichting een waarborg te scheppen voor een eenduidige toepassing van die voorschriften. Bovendien staat het een college van burgemeester en wethouders ook zonder het opnemen van een adviesverplichting in die voorschriften vrij om voorafgaande aan zijn beslissing een advies te vragen bij een agrarisch deskundige omtrent de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning voor een agrarisch bouwplan. 2.4.35. Anders oordeelt de Afdeling ten aanzien van de eis in de betwiste voorschriften dat het bouwplan noodzakelijk moet zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op onder meer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.