← Nederland

ECLI:NL:RVS:2009:BK5866

200801932/1/R1. Datum uitspraak: 9 december 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Islandplant B.V., gevestigd te Vierpolders, gemeente Brielle, als rechtsopvolger van [naam], wonend te [woonplaats], 3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], 9. [appellanten sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], 12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats], 13. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats], 14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], 15. [appellante sub 15], gevestigd te Westvoorne, 16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellanten sub 17], wonend te [woonplaats], 18. [appellanten sub 18], gevestigd te [plaats], 19. [appellante sub 19], gevestigd te [plaats], 20. LTO Noord en LTO Noord, afdeling Voorne-Putten, gevestigd te Haarlem, 21. LTO Noord Glaskracht, gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, 22. [appellante sub 22], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], gevestigd te [plaats], 23. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], 25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], 26. [appellante sub 26], wonend te [woonplaats], 27. [appellante sub 27], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te [plaats], 28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats], 29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westvoorne (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne". Tegen dit besluit hebben [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 8], [appellant sub 25], LTO Noord en LTO Noord afdeling Voorne-Putten (hierna: LTO Noord), [appellante sub 3], [appellanten sub 9] (hierna: [appellant sub 9] in het enkelvoud), [appellant sub 29], [appellante sub 19], [appellant sub 4], [appellanten sub 17] (hierna: [appellant sub 17] in het enkelvoud), [appellant sub 7], [appellante sub 12], [appellante sub 22], [appellante sub 14] , [appellant sub 10], [appellante sub 1], LTO Noord Glaskracht, [naam], [appellant sub 28], [appellant sub 24], [appellante sub 13], [appellant sub 23], [appellanten sub 18] (hierna: hierna [appellant sub 18] in het enkelvoud), [appellante sub 26], [appellante sub 27], [appellanten sub 6] (hierna: [appellant sub 6] in het enkelvoud), [appellanten sub 5] (hierna: [appellant sub 5] in het enkelvoud), en [appellant sub 11] (hierna: [appellant sub 11]) beroep ingesteld. Bij brief van 17 juli 2009 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Islandplant B.V. (hierna: Islandplant B.V.) als rechtsopvolger onder bijzondere titel het beroep van [naam] overgenomen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft bij brief van 27 augustus 2008 een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroepschrift van [appellant sub 11]. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellant sub 4], [appellant sub 11], [appellant sub 25], [appellante sub 14], [appellante sub 27], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 10], hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Er zijn nadere stukken ontvangen van een aantal partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 en 28 juli 2009, waar [appellante sub 15] vertegenwoordigd door J. Noordermeer en bijgestaan door mr. P Rens advocaat te Rotterdam, [appellant sub 16], vertegenwoordigd door mr. R.C. Luttikhuizen, advocaat te 's Gravenhage, [appellant sub 8], in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 29], in persoon, [appellante sub 19], vertegenwoordigd door W.D. de Jong, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 17], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door G.C. Zwolle, [appellant sub 7], in persoon en bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, [appellante sub 12], vertegenwoordigd door ing. G.P.W. Olbertijn, [appellante sub 14], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 10], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, LTO Noord Glaskracht door ing. L.W.M. Claesssen, Islandplant B.V., vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 28], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 24], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 23], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 18], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 26], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellante sub 27], vertegenwoordigd door [vennoot A] en bijgestaan door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 11], in persoon, het college, vertegenwoordigd door drs. K.P. Spannenburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J. Koch en D. Sluijmers, zijn verschenen. [appellante sub 15] heeft haar beroep ter zitting ingetrokken. 2. Overwegingen Toetsingskader 2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Planbeschrijving 2.2. Het plangebied omvat het landelijk gebied van de gemeente Westvoorne, met uitzondering van een gedeelte van het gebied Stuifakker, het recreatiegebied Kruiningergors, het strand langs de Noordzee en de gronden waarop het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte" ziet. Doel van het plan is het uniformeren van de regelgeving in het buitengebied van de voormalige gemeenten Oostvoorne en Rockanje en het actualiseren van het planologisch-juridisch kader, met name om te voorkomen dat nieuwe kassen worden gebouwd op verspreide locaties. Ontvankelijkheid 2.3. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 11] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien is verzuimd om een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren te brengen. 2.3.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO in samenhang bezien met afdeling 3.4 van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij de raad. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 21 december 2006 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 31 januari 2007. [appellant sub 11] heeft binnen deze termijn bij brief van 29 januari 2007, bij de gemeente ingekomen op 30 januari 2007, aangegeven bezwaren te hebben tegen het (ontwerp)plan. Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn zienswijze was ingediend ter sauvering van de termijn. In zijn zienswijze heeft hij gevraagd hem een termijn te geven waarbinnen hij zijn bezwaren diende te motiveren. Het kenbaar maken van het hebben van niet nader aangeduide bezwaren is onvoldoende om een zienswijze in te brengen. In de term "zienswijze" ligt immers een zekere motiveringseis besloten. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 11] om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren en overweegt daartoe het volgende. 2.3.2. Indien een bestemmingsplan met de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid, zoals in het onderhavige geval, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich dat de indiener van de binnen de wettelijke termijn ingebrachte, niet nader aangeduide bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien. Voor zover een termijn van niet langer dan twee weken wordt gegund om de niet nader aangeduide bezwaren van gronden te voorzien, is er geen gevaar dat de in artikel 25 van de WRO neergelegde beslistermijn voor de vaststelling van een bestemmingsplan in gedrang komt. De raad heeft het voorgaande niet onderkend en heeft [appellant sub 11] niet onverwijld in de gelegenheid gesteld om de door hem bij brief van 29 januari 2007 niet nader aangeduide bezwaren binnen twee weken van gronden te voorzien. Gelet hierop kan [appellant sub 11] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingebracht. Het beroep is dan ook ontvankelijk. 2.3.3. Uit de beantwoording van de zienswijze volgt en ter zitting is bevestigd dat het perceel [locatie 1] te [plaats], waar [appellant sub 11] een varkenshouderij heeft, niet in dit plan is opgenomen , maar wel grenst aan de gronden waarop dit plan betrekking heeft. [appellant sub 11] stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Natuurgebied -N-" die in dit plan is toegekend aan gronden langs het Waterbospad en de Duinrand, op ongeveer 200 meter van zijn bedrijfsgronden, de uitbreidingsmogelijkheden van zijn varkenshouderij belemmeren. Niet gebleken is en ter zitting is dit ook door de raad bevestigd dat de raad dit belang van [appellant sub 11] niet heeft betrokken bij zijn besluit tot vaststelling van dit plandeel. Gelet hierop is dit plandeel in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel vastgesteld. Door niettemin goedkeuring te verlenen aan dit plandeel heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 11] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -N-" voor gronden langs het Waterbospad. De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Glastuinbouw 2.4. LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 1], Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18] en [appellante sub 22], hebben beroepsgronden aangevoerd tegen onderdelen van de planregeling voor glastuinbouw als zodanig. Die beroepsgronden hebben betrekking op - de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven; - de maximale bouwhoogte voor kassen en - de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] hebben ook een beroepsgrond aangevoerd tegen de in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen adviesverplichting voor het college van burgemeester en wethouders voor de afgifte van bouwvergunningen en besluiten tot het verlenen van vrijstelling. 2.4.1. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied aangevoerd dat het plan geen mogelijkheid biedt voor een duurzame ontwikkeling van bestaande glastuinbouwbedrijven en op dit punt in strijd is met het provinciale beleid. Zij stelt dat dit in tegenspraak is met de vrijstellingen die in voorgaande jaren zijn verleend voor bedrijfsontwikkelingen die niet pasten binnen het voorheen geldende bestemmingsplan. Ook zijn naar haar stelling vanwege bedrijfstechnische noodzaak al herhaaldelijk grotere bouwhoogten voor kassen toegestaan. Islandplant B.V. heeft aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de thans gebruikelijke maatvoering van kassen van 6 meter goothoogte en 9 meter bouwhoogte. Deze hoogten dienen naar haar stelling bij recht te worden toegestaan om te kunnen voldoen aan de eisen inzake lichthinder en vermindering van warmte-emissie en voor het realiseren van een goed kasklimaat. Zij wijst erop dat het glasintensiveringsgebied bedrijven ontwikkelingsmogelijkheden dient te bieden. Zij acht de regeling in strijd met het provinciale beleid. Dat een grotere bouwhoogte in dit gebied bij vrijstelling wel is toegestaan, miskent naar haar stelling dat van die vrijstellingsmogelijkheid alleen gebruik kan worden gemaakt indien dat noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering, maar niet om bijvoorbeeld milieutechnische reden. Zij acht het argument dat de hoogte van kassen vanwege landschappelijke waarden moet worden beperkt, vergezocht. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat een bouwhoogte van 5 meter geen recht doet aan het beleid dat in het intensiveringsgebied glastuinbouw bedrijven de mogelijkheid moet worden geboden in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Zij wijst op de tendens om hogere kassen tot 10 meter te kunnen bouwen. [appellant sub 6] stelt dat bij een bouwhoogte van 5 meter geen verduisteringsschermen kunnen worden aangebracht en dat er tevens problemen ontstaan met de brandveiligheid en met de klimaatregeling. Dit wringt temeer nu de in dit plan opgenomen eisen ten aanzien van lichtafscherming strenger zijn dan landelijk overeengekomen. Dit dwingt hem in een spagaat die zijn bedrijf onevenredige schade oplevert. [appellant sub 6] wenst een goothoogte bij recht van 7 meter, voor welke hoogte hem in het verleden al bouwvergunningen zijn verleend. Hij betwist het standpunt van het college dat het beperken bij recht van de bouwhoogte de verplaatsing naar het intensiveringsgebied bevordert. Die verplaatsingsmogelijkheid biedt het plan niet, aldus [appellant sub 6]. [appellant sub 8] stelt dat een maximale bouwhoogte voor kassen van 5 meter vanwege bedrijfstechnische aspecten te laag is. [appellante sub 13] en [appellant sub 18] stellen dat een bouwhoogte voor kassen bij recht tot 5 meter en tot 9 meter bij vrijstellingsregeling in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne. Zij wensen een bouwhoogte bij recht van 9 meter met een goothoogte van 6 meter. Technische voorzieningen voor een goed kasklimaat en het beperken van licht- en warmte-uitstraling rechtvaardigen naar haar stelling die grotere hoogten. Zij betwisten dat de vrijstellingsregeling alleen aanvaardbaar is indien een grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Ook andere belangen kunnen dit rechtvaardigen. De bescherming van de landschappelijke waarden en van omwonende burgers is naar hun stelling overtrokken. 2.4.2. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat het plan ten onrechte de maximale glasopstand in het intensiveringsgebied beperkt tot 3 hectare. Zij heeft al een glasopstand van 3 hectare. Derhalve biedt het plan haar geen uitbreidingsmogelijkheid en daarmee geen ontwikkelingsmogelijkheid. Zij acht dat in strijd met de streekplanuitwerking Voorne, waarin is aangegeven dat binnen het intensiveringsgebied van het maximum van 3 hectare kan worden afgeweken. [appellant sub 6] stelt dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheid tot 3 hectare in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne. Daarin staat dat het intensiveringsgebied een gebied is waar glastuinders zich duurzaam kunnen vestigen en waar de 3 hectare grens per bedrijf moet kunnen worden losgelaten. Hij acht het standpunt van het college dat die uitbreidingsmogelijkheid in de komende planherzieningen op basis van een nog op te stellen gemeentelijke visie zal worden hersteld, in strijd met de rechtszekerheid. 2.4.3. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de maximale hoogte van kassen buiten het intensiveringsgebied aangevoerd, dat die een verdere bedrijfsontwikkeling in de weg staat. Een grotere bouwhoogte is naar haar stelling nodig omdat steeds meer schermen en andere voorzieningen aangebracht moeten worden ter voorkoming van lichthinder, warmte-uitstoot of vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Dat vergt een grotere goothoogte om het kasklimaat zo gunstig mogelijk te houden. De toegestane, maximale hoogte van 5 meter maakt het ondernemers ook nagenoeg onmogelijk om verdergaand te investeren in maatregelen ter beperking van lichthinder en staat ook op die manier een verdere bedrijfsontwikkeling in de weg. Ondernemers worden gedwongen hun huidige bedrijfsvoering, met de thans aanwezige assimilatieverlichting, zolang mogelijk voort te zetten. Zij acht de voorschriften inzake bouwhoogte en lichtafscherming met elkaar in tegenspraak. [appellante sub 1] en [appellante sub 22] stellen dat een bouwhoogte van 5 meter onmogelijk is met de eisen die maatschappelijk, economisch, verzekerings- en klimaattechnisch aan kassen worden gesteld. Om te voldoen aan de gestelde eisen achten zij een bouwhoogte van 6 meter noodzakelijk. Weliswaar biedt het plan, aldus deze appellanten, een overgangsregeling tot 2013, maar niet is voorzien in een regeling na 2013 indien geen hogere nieuwbouw kan plaatsvinden. De uit het voorheen geldende plan overgenomen bouwhoogte dateert naar hun stelling uit de tijd dat nog geen eisen werden gesteld aan voorkoming van lichthinder. Ook zij achten de voorschriften inzake bouwhoogte en lichtafscherming met elkaar in tegenspraak. [appellant sub 5] stelt dat een bouwhoogte bij recht voor kassen van maximaal 5 meter in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne en met de bouwhoogten die in de aangrenzende gemeente Brielle gelden. Die hoogte is naar zijn stelling onvoldoende voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf, zeker indien voldaan moet worden aan de eisen die het plan stelt ter voorkoming van lichthinder. [appellant sub 5] wenst een bouwhoogte bij recht van 7 meter, voor welke hoogte hem in het verleden al bouwvergunningen zijn verleend. Hij betwist het standpunt van het college dat het beperken bij recht van de bouwhoogte de verplaatsing naar het intensiveringsgebied bevordert. Die verplaatsingsmogelijkheid biedt het plan niet, aldus [appellant sub 5]. Naar zijn stelling dient daarom het belang bij uitbreiding van zijn bedrijf zwaarder te wegen dan het belang de open en vrije ruimte niet aan te tasten. 2.4.4. [appellante sub 1] en [appellante sub 22] hebben ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied aangevoerd dat het plan aan ondernemers in dat gebied geen toekomstperspectief biedt. Het plan maakt moderniseren onmogelijk en biedt ten onrechte geen mogelijkheid tot verruiming van de maximale bedrijfsoppervlakte aan kassen tot 3 hectare. Ook bevat het plan ten onrechte geen financiële paragraaf voor bedrijven die moeten stoppen met hun bedrijfsvoering. [appellant sub 5] stelt dat de uitbreidingsmogelijkheid voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied ten onrechte is beperkt tot 2 hectare. Nu in het plan geen saneringsregeling is opgenomen voor die glastuinbouwbedrijven, dient naar zijn stelling ook in dat opzicht aan het belang van de ondernemers tot uitbreiding van hun bedrijf doorslaggevende betekenis te worden toegekend. 2.4.5. LTO Noord Glaskracht heeft ten aanzien van de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting aangevoerd, dat de gevolgen van deze voorschriften niet nader zijn onderzocht en dat evenmin is gekeken naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze voorschriften. Zij wijst erop dat deze voorschriften afwijken van het Besluit Glastuinbouw waarin de landelijke afspraken ten aanzien van de beperking van lichthinder zijn geregeld. Daarin is het aspect van de handhaafbaarheid uitdrukkelijk betrokken. Ook zijn de betrokken belangen naar haar stelling niet gedegen afgewogen. Ten aanzien van de voorschriften inzake cyclische belichting heeft LTO Noord Glaskracht daaraan nog toegevoegd dat het plaatsen van (boven)schermen bedrijfstechnisch en financieel niet haalbaar is. Bovendien sorteert het niet of nauwelijks effect. Daartoe heeft zij gewezen op het Convenant "Maatschappelijk verantwoorde belichting en afscherming in de glastuinbouw" van 5 oktober 2004 van de Stichting Natuur en Milieu en LTO Nederland en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken. Deze hebben er, aldus LTO Noord Glaskracht, toe geleid dat in het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Glastuinbouw, zoals dat ten tijde van het instellen van het beroep ter inzage lag, geen nadere eisen worden gesteld aan beperking van lichthinder bij gebruik van cyclische belichting. Ten aanzien van de verwijzing van het college naar het rapport Praktijkonderzoek Plant & Omgeving inzake schermtoepassing bij belichte teelten stelt LTO Noord Glaskracht dat dit rapport geen enkele uitspraak doet over cyclische belichting, maar alleen ingaat op het gebruik van assimilatiebelichting. [appellant sub 5] betoogt dat de gestelde eis dat geen enkele vorm van lichtuitstraling mag plaatsvinden, niet is te realiseren. [appellant sub 8] stelt dat hij alleen cyclische belichting gebruikt, die weinig uren in gebruik is en met een belichting van slechts 9 watt/m2 geen lichthinder tot gevolg heeft, nu de landelijke norm voor lichthinder bij 20 watt/m2 begint. Hij betoogt dat de planvoorschriften voor zover die ook voor cyclische belichting voorschrijven dat de binnenzijde van kassen voor 95% dient te worden afgeschermd voor uitstraling te vergaand zijn en niet dienen te gelden voor cyclische belichting. Hij stelt dat om die reden in het Besluit Glastuinbouw voor cyclische belichting ook geen afschermende maatregelen zijn voorgeschreven. Hij betoogt dat in het besluit niet is ingegaan op het verschil tussen cyclische belichting en assimilatiebelichting. Het aanbrengen van extra schermen tegen lichtuitstraling acht hij bedrijfstechnisch en financieel niet haalbaar. Ook de in artikel 6.2.2. opgenomen uitstelregeling tot 2013 voor bedrijven die beschikken over kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter biedt naar zijn stelling geen oplossing, omdat hij voor zijn teelt een poothoogte van 4,25 meter heeft. Hij dient thans reeds aan de gestelde eis te voldoen. [appellante sub 22] stelt dat hij enkel cyclische belichting gebruikt die geen lichthinder veroorzaakt (15 watt/m2). Hij acht de eis om zijn kas voor 95% af te schermen tegen lichthinder overtrokken. 2.4.6. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] richten zich in beroep bovendien tegen de in lid 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of een ingediend bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig bedrijf noodzakelijk is. Zij achten dat voorschrift rechtsonzeker omdat een aantal toetsingspunten is opgenomen die niet objectief begrensd kunnen worden en onnodig beperkend zijn voor bestaande bedrijven omdat een volwaardig bedrijf voor ieder bouwplan, ook indien het gaat om vervanging van bestaande gebouwen, zijn volwaardigheid opnieuw dient aan te tonen. Zij betogen dat die toetsing op basis van het plan moet kunnen geschieden. 2.4.7. De Afdeling zal deze beroepsgronden voorafgaande aan de behandeling van de individuele beroepen bespreken. 2.4.8. Volwaardige glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan binnen de gebiedsbestemmingen "Agrarisch gebied -A-" en "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al". Die bestemmingen worden geregeld in respectievelijk de artikelen 7 en 8 van de voorschriften bij het plan. 2.4.9. Ingevolge artikel 7, lid 1.1 - voor zover thans van belang - zijn de voor agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch gebruik; [..] c. ter plaatse van de aanduiding "II" voor volwaardige glastuinbouwbedrijven [..], met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder l4, uit de kassen mag plaatsvinden; [..], met de daarbij behorende voorzieningen. 2.4.10. Onder 'lichtuitstraling' dient ingevolge artikel 1, onder l4 te worden verstaan: horizontale of verticale uitstraling van licht uit kassen tussen zonsondergang en zonsopgang, als gevolg van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting, waarbij de kassen (gevels en dak) niet voor minimaal 95% aan de binnenzijde zijn afgeschermd tegen deze lichtuitstraling. 2.4.11. De in lid 2.1 opgenomen bouwbepalingen bij deze bestemming vermelden dat op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering [..] mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: [..] f. nieuwe bebouwing uitsluitend is toegestaan indien deze - mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf - noodzakelijk en doelmatig is voor een volwaardig bedrijf; g. de gezamenlijke oppervlakte van kassen per bouwvlak ten hoogste mag bedragen: [..] 2. voor bedrijven gelegen binnen de bouwvlakken met aanduiding II: 3 hectare; [..] h. kassen (gevels en dak) dienen aan de binnenzijde voor 95% te worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting; [..] j. de overige maatvoering van de bebouwing dient te voldoen aan de volgende vereisten: [..] - de bouwhoogte van kassen mag niet meer bedragen dan 5 meter; k. indien ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan de maatvoering van bestaande bouwwerken, die met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet zijn gebouwd, afwijkt van het bovenstaande, geldt de bestaande maatvoering als maximum. In geval van herbouw geldt de bestaande maatvoering uitsluitend als maximum indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 2.4.12. Het college van burgemeester en wethouders is ingevolge lid 3.1 van artikel 7 bevoegd vrijstelling te verlenen van: [..] b. het bepaalde in lid 2.1 onder j voor een maximale goothoogte en bouwhoogte van respectievelijk 7 meter en 9 meter ten behoeve van kassen gelegen binnen het intensiveringsgebied glastuinbouw, mits dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is en mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting. 2.4.13. Alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, dient het college van burgemeester en wethouders ingevolge lid 5.1 van artikel 7 schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig agrarische bedrijf noodzakelijk is, een en ander gelet op: - de volwaardigheid van het bedrijf; - de aard en de inrichting van het bedrijf; - de mate van mechanisatie van het bedrijf; - de omvang van het bedrijf naar oppervlakte en Nederlandse Grootte Eenheden (NGE's); - de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden; - de continuïteit van het bedrijf, mede gelet op de leeftijd van de aanvrager en/of de opvolgingssituatie; - het beroep van de aanvrager en het al dan niet hebben van een volledige dagtaak in het betreffende bedrijf; - de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf. Dit advies behoeft ingevolge het tweede lid van dit artikel - voor zover thans van belang - niet te worden ingewonnen voor de oprichting of vergroting van [..] bedrijfsgebouwen met een oppervlak van 200 m2 of minder. 2.4.14. Lid 6.2.1 van artikel 7 merkt het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting tussen zonsondergang en zonsopgang, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen uitdrukkelijk aan als strijdig gebruik in de zin van artikel 25 van de planvoorschriften, tenzij de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling. In afwijking van het bepaalde in lid 6.2.1 geldt dat: - voor kassen die vóór 1 juni 2007 reeds voor minimaal 85% aan de binnenzijde (gevels en dak) werden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, tot 1 januari 2013 mag worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming; - voor kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter en het aanbrengen van extra technische installaties voor extra lichtafscherming niet mogelijk is, tot 31 december 2013 mag worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming, mits vóór 1 mei 2007 aantoonbaar is geïnvesteerd in afschermingsvoorzieningen. 2.4.15. Voor glastuinbouwbedrijven op gronden die op de plankaart zijn aangewezen als agrarisch gebied met landschappelijke waarde met de aanduiding 'II' geldt gelet op artikel 8 van de planvoorschriften eenzelfde doeleindenomschrijving als voor glastuinbouwbedrijven op gronden met de bestemming agrarische doeleinden met de aanduiding II. De bouwbepalingen verschillen in die zin dat ingevolge lid 2.1, onder g, de gezamenlijke oppervlakte van kassen per bouwvlak ten hoogste 2 hectare mag bedragen. Een vrijstellingsbevoegdheid voor vergroting van de maximale goothoogte en bouwhoogte ontbreekt. De in artikel 7, lid 5.1, opgenomen adviesverplichting geldt ingevolge artikel 8, lid 5.1, ook voor het verlenen van bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw op gronden met de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Het in artikel 7, lid 6.2.1 opgenomen gebruiksverbod van groeibevorderende of conditionerende belichting tussen zonsondergang en zonsopgang, geldt ingevolge artikel 8, lid 7.4.1 ook voor glastuinbouwbedrijven op gronden met de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Ook geldt ingevolge lid 7.4.2 eenzelfde overgangsregeling als vervat in lid 6.2.1 van artikel 7 (hiervoor vermeld in 2.4.14.). 2.4.16. De gronden van glastuinbouwbedrijven binnen de aanduiding op de plankaart 'grens intensiveringsgebied Tinte' zijn in het plan bestemd als "Agrarisch gebied -A-". De gronden van de glastuinbouwbedrijven buiten die aanduiding (zogenoemd 'verspreid liggend glas') zijn veelal bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al". 2.4.17. De raad beoogt blijkens de plantoelichting met dit plan een eerste aanzet te geven ter uitvoering van zijn beleid om de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven in het gebied te voorkomen en het zogenoemde 'verspreid liggende glas' te saneren. Omdat de financiële middelen van de gemeente niet toereikend zijn voor verwezenlijking van zijn beleidsdoelstelling op korte termijn, heeft de raad prioriteitsgebieden aangewezen. De kwetsbaarheid van het landschap gecombineerd met de financiële ruimte zijn daarbij leidend geweest. De zogenoemde 'papieren glaslocaties' (locaties waar geen glastuinbouwbedrijf wordt uitgeoefend of aanwezig is, maar op grond van het voorheen geldende plan wel mogelijk was) zijn aangemerkt als eerste prioriteit en de glastuinbouwbedrijven in de open polder als tweede prioriteit. Met inachtneming van deze prioriteitstelling zijn blijkens de plantoelichting bij de opstelling van het plan de navolgende doelstellingen en uitgangspunten gehanteerd. Alle papieren glaslocaties worden in dit plan niet langer als zodanig opgenomen. De gronden van glastuinbouwbedrijven die op basis van het 'convenant glastuinbouw binnenduinrand' hun activiteiten hebben gestaakt, worden eveneens niet langer als zodanig opgenomen. Bestaande glastuinbouwbedrijven in de open polder behouden de uitbreidingsmogelijkheden (tot 2 respectievelijk 3 hectare) uit de voorheen geldende bestemmingsplannen. In het intensiveringsgebied Tinte kan ten behoeve van het verplaatsen van verspreid liggend glas - op basis van het 'convenant glastuinbouw binnenduinrand' en het streekplan Rijnmond 1996 - maximaal 12 hectare nieuw glas worden gerealiseerd. De grenzen van het intensiveringsgebied Tinte worden niet gewijzigd en er vindt geen reconstructie van het intensiveringsgebied plaats. De bouwhoogte van kassen wordt bepaald op 5 meter, met een vrijstellingsmogelijkheid voor een goothoogte tot 7 meter en een bouwhoogte tot 9 meter voor kassen in het intensiveringsgebied Tinte, mits voorzieningen tegen lichtuitstraling worden getroffen. Voorschriften ter beperking van lichtuitstraling van kassen worden opgenomen om afbreuk aan het door bewoners en toeristen zo gewaardeerde, donkere karakter van Voorne-Putten te voorkomen en om het welzijn van de bewoners van Tinte, Oostvoorne en Rockanje te bevorderen. Die voorschriften zijn, aldus de plantoelichting, stringenter dan de regels die in het Besluit Glastuinbouw zijn opgenomen voor assimilatiebelichting. Op grond van dit Besluit dient de kas zo te worden afgeschermd dat op een afstand van ten hoogste 10 meter de lichtuitstraling met minstens 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Omdat de regels van het Besluit glastuinbouw alleen zien op zijgevels, biedt het milieuspoor volgens de plantoelichting onvoldoende waarborgen om het donkere karakter van de omgeving te waarborgen. Om deze reden acht de raad het noodzakelijk en wenselijk om in het ruimtelijke ordeningsspoor te voorzien in regels die de effecten van belichting (lichtuitstraling) tegengaan door te bepalen dat kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% dienen te worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast. 2.4.18. Het college acht de planregeling voor glastuinbouwbedrijven in overeenstemming met het provinciale beleid in het algemeen en wat betreft het intensiveringsgebied Tinte in het bijzonder met de streekplanuitwerking Voorne van 6 maart 2007. In die streekplanuitwerking wordt, aldus het college, juist gewezen op het thans geldende maximum van 3 hectare per bedrijf binnen een glasintensiveringsgebied. Weliswaar biedt de streekplanuitwerking gemeenten de mogelijkheid een visie te ontwikkelen op de toekomst van het intensiveringsgebied, waarbij onderzocht kan worden of door reconstructie van het intensiveringsgebied en/of sanering van glastuinbouwbedrijven elders binnen de gemeente, van het maximum van 3 hectare kan worden afgeweken, maar de gemeente dient daarvoor eerst een integraal en uitvoerbaar saneringsplan aan het college ter goedkeuring voor te leggen. Nu het plan niet actief inzet op het saneren van 'verspreid liggend glas' vindt het college een onderzoek naar de financiering van het saneren van 'verspreid liggend glas' in het kader van dit plan niet nodig. De maximale uitbreidingsmogelijkheid voor glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied tot 2 hectare acht het college in lijn met de provinciale Nota "Regels voor Ruimte". Een grotere bouwhoogte voor kassen dan 5 meter, zoals opgenomen in het plan, acht het college vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk. Dat het plan een vrijstellingsbevoegdheid bevat voor het vergroten van de goothoogte tot 7 meter voor gronden binnen het intensiveringsgebied, acht het college aanvaardbaar, omdat die vrijstellingsbevoegdheid de verplaatsing van verspreid liggend glas naar het intensiveringsgebied bevordert en daarmee de landschappelijke kwaliteit van het landelijk gebied verhoogt. Ook past die vrijstellingsmogelijkheid naar de mening van het college binnen de dubbeldoelstelling van de streekplanuitwerking Voorne om de huidige bedrijven binnen het glasintensiveringsgebied voor de toekomst een duurzame voortzetting van de bedrijfsvoering te bieden en tevens rekening te houden met de belangen van omwonenden en het landschap. Het college onderschrijft het streven van de raad om het donkere karakter van het landelijk gebied te behouden. Het opnemen van voorschriften ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden en van negatieve landschappelijke effecten, acht het college van belang voor de inrichting van gronden in het plangebied. Het college ziet geen aanleiding onderscheid te maken tussen assimilatiebelichting en cyclische belichting, omdat assimilatiebelichting in de praktijk wordt gebruikt als cyclische belichting en er bij beide typen belichting lichtuitstraling plaatsvindt. De adviesprocedure die in de planregeling is opgenomen voor de afgifte van bouwvergunningen en besluiten tot het verlenen van vrijstelling acht het college doelmatig, nu die procedure is opgenomen om te voorkomen dat het buitengebied wordt bebouwd met opstallen en woningen van zogenoemde 'hobbyboeren' en als waarborg om inhoudelijk consistente en consequente adviezen te garanderen. 2.4.19. De Afdeling zal eerst ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven zowel binnen als buiten het intensiveringsgebied voor glastuinbouw Tinte. 2.4.20. Het provinciale ruimtelijke beleid voor de glastuinbouw, neergelegd in het streekplan "Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020" en nader uitgewerkt in de Streekplanuitwerking Voorne van 6 maart 2007, gaat voor de hele provincie uit van een saldo-nulbenadering. Hoogwaardig en duurzaam glas wordt ontwikkeld in de zogenoemde 'glas-as', een concentratiegebied van Hoek van Holland via het Westland naar Bleiswijk. Oude glastuinbouwlocaties worden gesaneerd of duurzaam geherstructureerd en in kwetsbare gebieden wordt verspreid liggend glas opgeruimd. Voorne is geen onderdeel van de zogenoemde 'glas-as', maar is aangewezen voor de aanpak van verspreid glas. Het provinciale beleid voor Voorne is erop gericht het glas zoveel mogelijk te concentreren in een glastuinbouwgebied bij Tinte en Vierpolders (gemeente Brielle). Verspreid, fysiek aanwezig glas dient zo mogelijk te worden verplaatst of gesaneerd naar de aangewezen glastuinbouwgebieden. Uitbreiding of ontwikkeling is daarbij geen doel, maar een middel om sanering of concentratie van verspreid glas te ondersteunen. Dat beleid moet leiden tot glastuinbouw binnen Tinte en Vierpolders die duurzaam is in twee opzichten: - met toekomstperspectief voor de gevestigde ondernemers in het gebied; - met optimale benutting van kansen op milieugebied, zoals lichthinder, waterkringloop, energie en minimalisatie van emissies. Het intensiveringsgebied bij Tinte is in de streekplanuitwerking aangemerkt als 'glasintensiveringsgebied', waar de huidige bedrijven ook in de toekomst hun activiteiten duurzaam kunnen voortzetten. De gemeente Westvoorne en de gemeente Brielle zullen, aldus de streekplanuitwerking, een visie ontwikkelen op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Daarbij zal onderzocht worden in hoeverre het mogelijk is om - in afwijking van het thans geldende maximum van 3 hectare glas per bedrijf - binnen de begrenzing van het gebied verschuiving van glasbestemmingen of samenvoeging van bedrijven mogelijk te maken. Toevoeging van glas in het intensiveringsgebied Tinte is op grond van de streekplanuitwerking toegestaan in het kader van het convenant "Glastuinbouw Binnenduinrand Westvoorne", op grond waarvan maximaal 12 hectare glas gerealiseerd kan worden. Daarenboven is toevoeging van glas in Tinte mogelijk als instrument om het verspreide glas in Westvoorne te saneren. Indien de gemeente hiervoor kiest dient een integraal en uitvoerbaar saneringsplan voor het verspreide glas te worden opgesteld, dat de goedkeuring van het college behoeft. De toevoeging van glas wordt pas mogelijk gemaakt na een wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan, aldus de streekplanuitwerking. De streekplanuitwerking staat een maximale bedrijfsomvang van 3 hectare toe voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied en van maximaal 2 hectare daarbuiten. Bedrijven buiten het intensiveringsgebied die volgens de geldende bestemmingsplannen tot maximaal 3 hectare mogen uitbreiden en niet voor sanering in aanmerking komen, behouden dit recht. Voor de ontwikkeling van nieuwe kassen in de aangewezen gebieden dienen op grond van het provinciale beleid in het bestemmingsplan regels te worden gesteld voor de maximale goot- en nokhoogten van de kassen. Ook moeten er regels worden opgenomen om de lichthinder voor omwonenden te verminderen. Die regelingen moeten, aldus de streekplanuitwerking, enerzijds voldoende ruimte bieden voor een duurzame bedrijfsvoering van de glastuinbouwbedrijven en anderzijds rekening houden met de belangen van omwonenden en het landschap. 2.4.21. Uit de weergave van het provinciale beleid volgt dat de in het bestemmingsplan toegekende, maximale bedrijfsomvang van 3 hectare voor glastuinbouwbedrijven in het intensiveringsgebied Tinte en van maximaal 2 hectare daarbuiten, in overeenstemming is met het provinciale beleid. Voorts is het gebied bij Tinte in de streekplanuitwerking Voorne weliswaar aangemerkt als 'glasintensiveringsgebied', maar uit de tekst van de streekplanuitwerking volgt dat dit niet meer inhoudt dan dat de daar gevestigde glastuinbouwbedrijven zich ter plaatse duurzaam moeten kunnen ontwikkelen en dat uitbreiding van glasareaal in dat gebied - naast de uitbreiding tot 3 hectare voor de bestaande bedrijven - alleen is toegestaan voor verplaatsing van enkele glastuinbouwbedrijven uit de binnenduinrandstreek op basis van het convenant "Glastuinbouw Binnenduinrand Westvoorne" en - nadat een goedgekeurd saneringsplan voorhanden is - voor verplaatsing van gesaneerde glastuinbouwbedrijven van elders binnen de gemeente Westvoorne. Ook vermeerdering van glasopstand door middel van reconstructie van de percelen is op grond van de streekplanuitwerking Voorne eerst mogelijk, nadat de raad een visie heeft ontwikkeld op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Een dergelijke visie was ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring van dit plan nog niet opgesteld en aan het college ter goedkeuring voorgelegd. 2.4.21.1. De Afdeling volgt [appellant sub 6] niet in zijn betoog dat het ontbreken van die gebiedsvisie in strijd is met de rechtszekerheid. De in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven behouden de uitbreidingsmogelijkheden die zij op grond van het voorheen geldende plan hadden. Ook voorziet het provinciale glastuinbouwbeleid niet in een op zichzelf staande uitbreiding en ontwikkeling van de bestaande glastuinbouwbedrijven in het gebied Tinte, zoals wordt voorgestaan voor het concentratiegebied dat in het provinciale beleid is aangeduid als de 'glas-as'. 2.4.21.2. Appellanten hebben voorts, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten, in zijn algemeenheid in de weg staat aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. Voor het opnemen van een financiële paragraaf voor sanering van bedrijven buiten het glasintensiveringsgebied die hun bedrijfsvoering willen beëindigen, zoals [appellante sub 1] en [appellante sub 22] betogen, behoefde het college in navolging van de raad dan ook geen aanleiding te zien. In zoverre faalt het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5]. Bij de bespreking van de afzonderlijke beroepsgronden van deze appellanten zal de Afdeling nagaan of het college in het individuele geval aanleiding had moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.4.22. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18] voor zover dat ziet op locaties binnen het glasintensiveringsgebied en van LTO Noord Glaskracht, [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] voor zover dat ziet op locaties buiten het glasintensiveringsgebied ten aanzien van de maximale bouwhoogte van kassen in die gebieden. 2.4.23. De plantoelichting vermeldt dat bij de opzet van de regeling voor de bebouwing ten dienste van agrarische bedrijven is uitgegaan van de aard van de bedrijfsvoering en de voor de bedrijven binnen de planperiode redelijk geachte ontwikkelingsmogelijkheden. Noch uit de plantoelichting noch uit enig ander stuk blijkt evenwel in hoeverre bij de bepaling in het plan van de maximale bouwhoogte van 5 meter bij recht de huidige stand van de bedrijfsvoering van glastuinbouwbedrijven en van de teelttechniek is betrokken en of bij die toegestane maximale bouwhoogte kan worden voldaan aan de in het plan gestelde milieutechnische eis om lichtuitstraling door afscherming van daken en gevels voor 95% tegen te gaan en daarbij tevens het kasklimaat zo gunstig mogelijk te houden en productieverlies te voorkomen. Evenmin wordt een duidelijk verband gelegd met te beschermen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Het ontbreken van die motivering klemt te meer, nu blijkens het deskundigenbericht veel glastuinbouwbedrijven zowel in als buiten het glasintensiveringsgebied hogere kassen hebben, die in het recente verleden tot stand zijn gekomen op basis van het voor die gronden voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Oostvoorne" danwel met een vrijstelling in afwijking van het op dat moment geldende bestemmingsplan. De raad en het college hebben niet aannemelijk gemaakt dat thans voor de overige glastuinbouwbedrijven voor een duurzame bedrijfsvoering een lagere bouwhoogte van kassen bij recht volstaat. Het college heeft in navolging van de raad weliswaar verwezen naar de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplannen, maar het deskundigenbericht vermeldt dat die plannen ongeveer twintig jaar oud zijn. Dit is niet weersproken door de raad of het college. De Afdeling acht het mede op basis van het deskundigenbericht aannemelijk dat de ontwikkelingen die sindsdien hebben plaatsgevonden in de glastuinbouw niet zonder gevolgen zijn gebleven voor de hoogte van de kassen die uit teelttechnisch, milieutechnisch en bedrijfstechnisch oogpunt thans gangbaar worden geacht. Voorts is weliswaar voor het intensiveringsgebied een vrijstellingsregeling voor een grotere maximale bouwhoogte tot 9 meter opgenomen, maar er is niet gemotiveerd waarom die bouwhoogte voor dat gebied slechts na vrijstelling toelaatbaar is en niet bij recht en uitsluitend indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering nodig is en niet zoals sommige appellanten betogen ook om bijvoorbeeld een milieutechnische reden. Bovendien geldt die vrijstellingsbevoegdheid niet voor gronden buiten het intensiveringsgebied. Het standpunt van het college dat het ontbreken van die vrijstellingsmogelijkheid buiten het intensiveringsgebied de verplaatsing van verspreid liggend glas naar het intensiveringsgebied bevordert, acht de Afdeling niet toereikend, nu verplaatsing van bestaande glastuinbouwbedrijven naar het glasintensiveringsgebied - vanwege het ontbreken van een integraal saneringsplan - op basis van dit plan alleen al in planologisch opzicht niet mogelijk is. 2.4.24. De conclusie is dat hetgeen LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van LTO Noord Glaskracht, Islandplant B.V., [appellante sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellant sub 18], [appellante sub 1], [appellante sub 22] en [appellant sub 5] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze artikelleden. Als gevolg van de onthouding van goedkeuring aan deze artikelleden geldt voor de bouwhoogte van kassen geen voorschrift meer omtrent de maximaal toegestane bouwhoogte en is niet langer voorzien in een vrijstellingsbevoegdheid. Teneinde deze situatie te ondervangen voor de periode waarin de raad ter zake van deze voorschriften opnieuw in de zaak dient te voorzien met inachtneming van deze uitspraak, ziet de Afdeling aanleiding na te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.4.25. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] ten aanzien van de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting. 2.4.26. Het standpunt van het college in navolging van de raad dat er geen aanleiding is onderscheid te maken tussen assimilatiebelichting en cyclische belichting, omdat assimilatiebelichting in de praktijk wordt gebruikt als cyclische belichting en er bij beide typen belichting lichtuitstraling plaatsvindt, wordt in het deskundigenbericht niet onderschreven. De lichtsterkte van assimilatiebelichting is volgens het deskundigenbericht vele malen groter - een factor 10 of meer - dan de lichtsterkte van cyclische belichting en bovendien zijn de lampen bij cyclische belichting naar beneden gericht, waardoor geen uitstraling naar boven plaatsvindt. Betwijfeld wordt dan ook of cyclische belichting dezelfde hinderlijke lichtgloed heeft als assimilatiebelichting. De rechtstreekse aanstraling door zijwaartse (horizontale) uitstraling is volgens het deskundigenbericht niet op grote afstand zichtbaar en kan effectief worden bestreden door bijvoorbeeld groensingels. Het college en de raad hebben geen gegevens overgelegd die het deskundigenbericht op dit punt gemotiveerd bestrijden. De Afdeling ziet geen aanleiding aan het standpunt van het deskundigenbericht te twijfelen. Bovendien wordt in de "Beleidsregel Lichthinder gemeente Westvoorne", die aan het plan ten grondslag is gelegd, uitsluitend uitgegaan van hinder als gevolg van assimilatiebelichting. Cyclische belichting wordt in die beleidsregel direct noch indirect betrokken. Ook in het Besluit Glastuinbouw is geen regeling opgenomen om hinderlijke gevolgen vanwege cyclische belichting tegen te gaan. Het betoog van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] dat in het plan ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen assimilatie- en cyclische belichting, slaagt dan ook. Het plan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. 2.4.27. De betwiste eis van 95% reductie is voor assimilatiebelichting strenger dan die in het Besluit glastuinbouw zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij het - ten tijde van het bestreden besluit geldende - Koninklijk Besluit van 29 april 2008, Stb. 160, (hierna: het Besluit). In het Besluit wordt de 95% norm betrokken op een afstand van 10 meter uit de gevel. De Nota van toelichting bij het Besluit vermeldt dat het om een doelvoorschrift gaat, waardoor de ondernemer zelf kan bepalen op welke wijze hij de lichtuitstraling via de zijgevel beperkt. Voorts biedt artikel 4.4.1. van bijlage 2 bij het Besluit de mogelijkheid tot het stellen van een nadere eis met betrekking tot de wijze van afscherming van assimilatiebelichting. In het plan wordt de 95% norm betrokken op de binnenzijde van zowel de gevel als het dak van de kas. Voor kassen die vóór 1 juni 2007 reeds voor minimaal 85% aan de binnenzijde (gevels en dak) werden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, mag - zoals vermeld in 2.4.14. - tot 1 januari 2013 worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming en voor kassen waarvan de poothoogte kleiner is dan 4 meter en het aanbrengen van extra technische installaties voor extra lichtafscherming niet mogelijk is, mag tot 31 december 2013 worden volstaan met de reeds aangebrachte afscherming, mits vóór 1 mei 2007 aantoonbaar is geïnvesteerd in afschermingsvoorzieningen. Een vrijstellingsmogelijkheid om maatwerk te leveren voor die gevallen waarin het ondanks de getroffen overgangsregeling - ook na 2013 - (bedrijfs)technisch of financieel redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aan de eis wordt voldaan, ontbreekt. Dit klemt te meer nu de in artikel 8.42 van die Wet milieubeheer gebruikte term 'nadere eis' sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2008 van de Wet van 22 november 2006, Stb. 606, wijziging van de Wet milieubeheer (Modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen), is vervangen door het ruimere begrip 'voorschrift'. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat het gaat om het maatwerk dat noodzakelijk is wanneer gewerkt wordt met algemene regels. Het ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit dat ten tijde van het bestreden besluit ter inzage lag - waarin overigens ook is voorzien in de eis van het aanbrengen van een lichtscherminstallatie aan de bovenzijde van een kas waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd - bevat die mogelijkheid voor maatwerk naast een overgangsregeling. Nu blijkens de stukken de voorschriften inzake assimilatiebelichting zijn vastgesteld zonder dat nader is onderzocht of een strengere eis dan die in het Besluit voor de in het gebied aanwezige glastuinbouwbedrijven (bedrijfs)technisch en financieel ook zonder vrijstellingsmogelijkheid mogelijk is, is het besluit tot vaststelling van deze voorschriften onzorgvuldig voorbereid en genomen. 2.4.28. De conclusie is dat hetgeen LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan zowel wat betreft cyclische belichting als wat betreft assimilatiebelichting is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van LTO Noord Glaskracht, [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 22] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 1, onder I4, artikel 7, lid 7.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 7, lid 2.1, onder h, artikel 7, lid 3.1, onder b, de zinsnede "mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting", artikel 7, lid 6.2.1 en 6.2.2, artikel 8, lid 1.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 8, lid 2.1, onder h, en artikel 8, lid 7.4.1 en 7.4.2. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze artikelleden. 2.4.29. De Afdeling zal thans ingaan op het betoog van [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] tegen de in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 opgenomen verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om alvorens over het verlenen van een bouwvergunning voor het bouwen of vernieuwen van een bedrijfsgebouw of het toepassen van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid te beslissen, schriftelijk advies in te winnen bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegestane bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig bedrijf noodzakelijk is gelet op een aantal nader in dit voorschrift genoemde - in rechtsoverweging 2.4.13. weergegeven - omstandigheden. 2.4.30. Dit voorschrift is verweven met het in de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8 opgenomen bouwvoorschrift, dat nieuwe bebouwing uitsluitend is toegestaan indien deze - mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf - noodzakelijk en doelmatig is voor een volwaardig bedrijf. In die verwevenheid ziet de Afdeling aanleiding ook de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8 in het geding te betrekken. 2.4.31. Voor zover deze voorschriften betrekking hebben op het verlenen van een bouwvergunning zonder vrijstelling, overweegt de Afdeling het volgende. Indien de raad het noodzakelijk acht dat in een bestemmingsplan een nader afwegingsmoment voor het college van burgemeester en wethouders wordt opgenomen alvorens toe te staan dat van een bouwmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, biedt de WRO de mogelijkheid die bouwmogelijkheid te binden aan een vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet. 2.4.32. Hiermee is niet in strijd dat een rechtstreeks werkend bouwvoorschrift de eisen bevat dat agrarische bebouwing alleen mag worden opgericht, indien het bouwplan betrekking heeft op een volwaardig agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering in overeenstemming is met de in het plan aan de gronden toegekende bestemming en dat de op te richten bebouwing, waarop het bouwplan betrekking heeft, ook noodzakelijk is voor die bedrijfsvoering. De toetsing door een college van burgemeester en wethouders bij het beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning betreft in zodanig geval niet een nadere afweging van belangen omtrent het toegestane grondgebruik, maar betreft een toetsing of is voldaan aan de in een planvoorschrift gestelde beperkingen ten aanzien van het toegestane grondgebruik. 2.4.33. Voorts is in artikel 1, onder v2, een begripsbepaling opgenomen waarin is neergelegd wat het plan verstaat onder 'volwaardig (agrarisch bedrijf), namelijk "een agrarisch bedrijf met een arbeidsomvang van ten minste één volledige arbeidskracht die binding heeft met het agrarische bedrijf; bij de beoordeling van volwaardigheid zijn belangrijk: arbeidsinkomen, veebezetting, grondareaal, totale omvang en tijdsbesteding en de verwachte ontwikkeling van deze factoren in de (nabije) toekomst." Door die begripsbepaling zijn de in geding zijnde voorschriften in zoverre die de in 2.4.32 gestelde eisen bevatten, anders dan [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] betogen, voldoende objectief bepaald en niet rechtsonzeker. 2.4.34. Dat het plan de toetsing door het college van burgemeester en wethouders of aan die eisen is voldaan, verbindt aan de verplichting om hieromtrent voorafgaand advies in te winnen bij de agrarisch deskundige, maakt die voorschriften niet alsnog rechtsonzeker. Naar ter zitting is toegelicht beoogt de raad met die adviesverplichting een waarborg te scheppen voor een eenduidige toepassing van die voorschriften. Bovendien staat het een college van burgemeester en wethouders ook zonder het opnemen van een adviesverplichting in die voorschriften vrij om voorafgaande aan zijn beslissing een advies te vragen bij een agrarisch deskundige omtrent de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning voor een agrarisch bouwplan. 2.4.35. Anders oordeelt de Afdeling ten aanzien van de eis in de betwiste voorschriften dat het bouwplan noodzakelijk moet zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op onder meer (

  1. b)de aard en inrichting van het bedrijf; (
  2. c)de mate van mechanisatie van het bedrijf; (
  3. e)de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden; (
  4. h)de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf. Met het opleggen van die doelmatigheidstoets wordt in het plan niet zozeer een beperking ten aanzien van het toegestane grondgebruik vastgelegd, maar verplicht het plan het college van burgemeester en wethouders tot het maken van een nadere belangenafweging omtrent het toegestane, agrarische grondgebruik, namelijk afhankelijk van het antwoord op de vraag of de wijze van inrichting van de bedrijfsvoering gelet op de nader in het voorschrift aangegeven omstandigheden in de ogen van het college doelmatig is. De eis is daardoor subjectief en niet objectief begrensd. De toevoeging van deze eis voor het verlenen van een bouwvergunning bij recht is mitsdien rechtsonzeker. Nu de eis van het uitvoeren van een doelmatigheidstoets ten aanzien van de bedrijfsvoering niet objectief is begrensd, is die eis derhalve eveneens in strijd met de rechtszekerheid als criterium voor het verlenen van een vrijstelling of wijziging in het plan opgenomen. 2.4.36. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 27] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de zinsneden "voor een doelmatige bedrijfsvoering" en "b. de aard en inrichting van het bedrijf; c. de mate van mechanisatie van het bedrijf;", "e. de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden" en "h. de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf" in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 alsmede de zinsneden "- mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf -" en "en doelmatig" in de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8. 2.4.37. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan die zinsneden in de artikelen 7 en 8. Het beroep van [appellante sub 1] 2.5. De beroepsgronden van [appellante sub 1] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven en ten aanzien van de bouwhoogte van kassen zijn hiervoor in 2.4.19. tot en met 2.4.24. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. Ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven is geoordeeld dat, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk is gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten in zijn algemeenheid in de weg staan aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. De Afdeling zal thans nagaan of de raad en het college voor de bedrijfsgronden van [appellante sub 1] aanleiding hadden moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.5.1. De gronden van [appellante sub 1] liggen buiten het intensiveringsgebied en zijn in het plan bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al-" met de aanduiding 'II'. Derhalve mag - zoals onder 2.4.15. overwogen - de gezamenlijke oppervlakte van kassen per (gekoppeld) bouwvlak ten hoogste 2 hectare bedragen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat [appellante sub 1] ter plaatse 3 hectare aan gronden heeft, waarvan ongeveer 1,8 hectare met kassen zijn bebouwd. Voor de komende planperiode resteert nog een uitbreidingsruimte voor kassen van ongeveer 2.000 m2. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij een dergelijke omvang aan kassen de nog aanwezige uitbreidingsmogelijkheid de komende planperiode een belemmering vormt voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering op deze gronden. Onder deze omstandigheden behoefde het college in navolging van de raad geen aanleiding te zien om af te wijken van het beleidsuitgangspunt om voor de gronden buiten het intensiveringsgebied alleen de bestaande uitbreidingsruimte op te nemen in het plan. Het betoog faalt derhalve. 2.5.2. [appellante sub 1] stelt in beroep voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid een erfafscheiding van 2 meter hoog te plaatsen buiten het bouwvlak. 2.5.2.1. Het college acht het in navolging van de raad vanuit ruimtelijk oogpunt niet gewenst een grotere hoogte dan 1,5 meter, die ook in het voorheen geldende plan was opgenomen, toe te staan. 2.5.2.2. Dit betoog van [appellante sub 1] faalt. Het college heeft zich in navolging van de raad in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Uit de stukken waaronder het deskundigenbericht volgt dat een grotere hoogte dan 1,5 meter buiten het bouwblok het uitzicht vanaf de weg op het achterliggende, open agrarische gebied en de daar aanwezige verspreide bebouwing en beplantingselementen in zekere mate wegneemt. Het belang van De Gruyter bij een verminderde toegankelijkheid van en zicht op haar gronden voor onbevoegden hoefde voor het college in navolging van de raad geen aanleiding te zijn om desondanks een grotere hoogte toe te staan. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat een erafscheiding van 2 meter zoals [appellante sub 1] wenst, haar nog niet geheel zal beschermen tegen inbraak en uitingen van vandalisme als het ingooien van kasruiten vanaf de openbare weg en dat er andere vormen van beveiliging mogelijk zijn die tenminste zo effectief zijn. [appellante sub 1] heeft die stelling in het deskundigenbericht onvoldoende weersproken. 2.5.3. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] voor het overige heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van Islandplant B.V. 2.6. Islandplant B.V. heeft ter zitting haar beroepsgrond met betrekking tot de woning Rietdijk 68 ingetrokken. 2.6.1. De beroepsgrond van Islandplant B.V. ten aanzien van de bouwhoogte van kassen is hiervoor in 2.4.22. tot en met 2.4.24. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. 2.6.2. Islandplant B.V. stelt in beroep voorts dat het college in het besluit omtrent goedkeuring niet is ingegaan op haar bedenking dat de gronden tussen haar twee bouwvlakken aan de Rietdijk 68a ten onrechte op de plankaart niet ook als bouwvlak zijn aangeduid. Dat belemmert haar in het verplaatsen of toevoegen van een bedrijfsgebouw. Zij betwist het standpunt van de raad in reactie op haar zienswijze dat in dat geval sprake zou zijn van een reconstructie, welk begrip, anders dan de raad stelt, in de gemeentelijke nota Glastuinbouw in Westvoorne, niet is omschreven. Zij betoogt dat het besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven, omdat het college zich niet heeft uitgelaten over de vraag of een verandering van bouwvlak wel of niet als een reconstructie moet worden aangemerkt. 2.6.2.1. De raad heeft de agrarische bouwvlakken overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Het verplaatsen en/of verruimen van bouwvlakken merkt de raad aan als een reconstructie in het intensiveringsgebied. Hij acht een reconstructie in strijd met de uitgangspunten van de nota Glastuinbouw in Westvoorne. 2.6.2.2. Het betoog van Islandplant B.V. slaagt. Bij de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" voor de gronden aan de Rietdijk 68a is het college niet ingegaan op de bedenking dat die gronden aangeduid hadden moeten worden als 'bouwvlak'. Nu (de rechtsvoorganger van) Islandplant B.V. wel een zienswijze van die strekking had ingediend, had het college die bedenking niet buiten behandeling mogen laten. Het college is ook niet anderszins genoegzaam ingegaan op de vraag naar de aanvaardbaarheid van dit plandeel. 2.6.3. De conclusie is dat hetgeen Islandplant B.V. voor het overige heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met bestemming "Agrarisch gebied" voor de gronden aan de Rietdijk 68a, tussen de twee bouwvlakken. Het beroep van [appellante sub 3] 2.7. De beroepsgronden van [appellante sub 3] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven en ten aanzien van de bouwhoogte van kassen zijn hiervoor in 2.4.19. tot en met 2.4.24. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. Ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven is geoordeeld dat, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk is gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten in zijn algemeenheid in de weg staan aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. De Afdeling zal thans nagaan of de raad en het college voor de bedrijfsgronden van [appellante sub 3] aanleiding hadden moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.7.1. De gronden van [appellante sub 3] liggen binnen het intensiveringsgebied en zijn in het plan bestemd als "Agrarisch gebied -A-" met de aanduiding 'II'. Derhalve mag - zoals onder 2.4.15. overwogen - de gezamenlijke oppervlakte van kassen per (gekoppeld) bouwvlak ten hoogste 3 hectare bedragen. 2.7.1.1. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat het perceel van [appellante sub 3] reeds met 3 hectare glasopstand is bebouwd. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij een dergelijke omvang aan kassen het ontbreken van een uitbreidingsmogelijkheid de komende planperiode een belemmering vormt voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering op deze gronden. Onder deze omstandigheden behoefde het college in navolging van de raad geen aanleiding te zien om af te wijken van het beleidsuitgangspunt om voor de gronden binnen het intensiveringsgebied alleen de bestaande uitbreidingsruimte op te nemen in het plan. Het betoog faalt derhalve. 2.7.2. [appellante sub 3] stelt in beroep voorts dat op de plankaart voor haar perceel [locatie 2] te [plaats] ten onrechte de aanduiding 'zw' is aangebracht. Zij stelt dat zij daar een volwaardig bedrijf heeft en dat het noodzakelijk is dat één firmant bij dat bedrijf woont. Het niet toekennen van een bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning acht zij in strijd met het provinciale beleid. Zij wijst erop dat de bedrijfswoning stond vermeld op de bouwtekening waarvoor haar in 1998 een bouwvergunning is verleend. Zij heeft die woning toen niet gebouwd. Het voorheen geldende bestemmingsplan stond ter plaatse overigens al een bedrijfswoning toe. [appellante sub 3] doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 2.7.2.1. De raad heeft geen bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning opgenomen. Hij heeft als beleidsuitgangspunt gehanteerd om niet gerealiseerde bedrijfswoningen bij bouwvlakken die door middel van artikel 19 van de WRO zijn vergund, niet op te nemen in het plan, omdat er van kan worden uitgegaan dat er kennelijk geen behoefte bestaat aan een bedrijfswoning. 2.7.2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat in het verleden een vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de bouw van het glastuinbouwbedrijf, maar dat geen bouwvergunning is aangevraagd voor een bedrijfswoning. Nu [appellante sub 3] op de hoorzitting desgevraagd heeft aangegeven dat het prettig zou zijn bij het bedrijf een bedrijfswoning op te richten, heeft het college daaruit geconcludeerd dat een bedrijfswoning geen dwingende noodzaak is en heeft hij ingestemd met de aanduiding 'zw'. In de - na de hoorzitting ontvangen - brief van LTO-noord Advies van 20 december 2007 waarin de noodzaak van een bedrijfswoning wordt aangegeven, omdat het bedrijf in Tinte in de nabije toekomst in handen komt van één in plaats van twee van de firmanten, ziet het college geen dwingende noodzaak voor een bedrijfswoning. Hij stelt zich op het standpunt dat dit een keuze van de firmanten is en dat voor de controle van de technische voorzieningen in het bedrijf en de gewassen [appellante sub 3] een beroep kan blijven doen op de andere firmanten en het in dienst zijnde personeel. 2.7.2.3. De gronden zijn in het plan aangewezen als "Agrarisch gebied -A-" met de aanduidingen 'II' en 'zw' binnen het bouwvlak. Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften onder meer bestemd voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf zonder bedrijfswoning. 2.7.2.4. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat [appellante sub 3] eind 2007 in Vierpolders, gemeente Brielle, een bedrijf is gestart van 5,7 hectare. De bedrijfsvoering van dat bedrijf vergt de aanwezigheid en inzet van twee van de drie firmanten. De derde firmant, [vennoot A], heeft de leiding gekregen over het bedrijf in [plaats] aan de [locatie 2]. Niet in geschil is dat sprake is van een volwaardig glastuinbouwbedrijf en dat het provinciale beleid voor volwaardige glastuinbouwbedrijven een bedrijfswoning toestaat. Evenmin is in geschil dat het voorheen geldende plan ter plaatse een bedrijfswoning toestond. Vast staat evenwel dat van de bouwmogelijkheid die het voorheen geldende plan bood geen gebruik is gemaakt en dat het bedrijf al een aantal jaren functioneert zonder bedrijfswoning. Nu [appellante sub 3] bovendien op de hoorzitting bij het college desgevraagd heeft aangegeven dat een bedrijfswoning prettig, maar niet noodzakelijk is, behoefde het college in het nadien overgelegde rapport van LTO-noord geen aanleiding te vinden alsnog goedkeuring te onthouden aan de aanduiding 'zw'. 2.7.2.5. Ten aanzien van de door [appellante sub 3] gemaakte vergelijking met het perceel Langeweg 8 en met andere aan de Ruigendijk liggende glastuinbouwbedrijven wordt overwogen dat [appellante sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook in één van die situaties sprake is van een geval waarin ondanks een niet benutte, op grond van het voorheen geldende plan geboden bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning en zonder een aanwezige noodzaak daartoe toch in dit plan een bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning is opgenomen. Van een situatie die overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, is derhalve geen sprake. 2.7.3. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 3] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5] 2.8. [appellant sub 5] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat het plan ten onrechte niet voorziet in het opnemen van een vestigingsmogelijkheid voor een derde glastuinbouwbedrijf aan de Torenweg in ruil voor het saneren van zijn bedrijf aan de Middelweg, ingetrokken. 2.8.1. De beroepsgronden van [appellant sub 5] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven, de bouwhoogte van kassen, de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting en de verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om voor ieder bouwplan advies in te winnen van de agrarische deskundige zijn hiervoor in 2.4.19. tot en met 2.4.37. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. Ten aanzien de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 1, onder I4, artikel 7, lid 7.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 7, lid 2.1, onder h, artikel 7, lid 3.1, onder b, de zinsnede "mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting", artikel 7, lid 6.2.1 en 6.2.2, artikel 8, lid 1.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 8, lid 2.1, onder h, artikel 8, lid 7.4.1 en 7.4.2. Ten aanzien van de verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om voor ieder bouwplan advies in te winnen van de agrarische deskundige is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de zinsneden "voor een doelmatige bedrijfsvoering" en "b. de aard en inrichting van het bedrijf; c. de mate van mechanisatie van het bedrijf;", "e. de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden" en "h. de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf" in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 alsmede de zinsneden "- mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf -" en "en doelmatig" in de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8. Ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven is geoordeeld dat, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk is gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten in zijn algemeenheid in de weg staan aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. De Afdeling zal thans nagaan of de raad en het college voor de bedrijfsgronden van [appellant sub 5] aanleiding hadden moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.8.2. [appellant sub 5] heeft aan de Torenweg, buiten het intensiveringsgebied, een glastuinbouwbedrijf en een tuincentrum. De gronden zijn bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al-". Binnen deze bestemming zijn twee bouwvlakken met de aanduiding 'II'. Het zuidelijke bouwvlak heeft tevens de aanduiding 'tc' (tuincentrum). De gronden hebben een oppervlakte van 7,5 hectare en zijn voor 3,1 hectare bebouwd met kassen. Nu ingevolge artikel 8, lid 2.1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften de gezamenlijke oppervlakte van kassen per bouwblok voor bedrijven gelegen binnen de bouwvlakken met de aanduiding 'II' ten hoogste 2 hectare mag bedragen, kan [appellant sub 5] binnen deze bouwblokken tezamen nog 0,9 hectare aan kassen bijbouwen gedurende de planperiode. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij een dergelijke omvang aan kassen de nog aanwezige uitbreidingsmogelijkheid de komende planperiode een belemmering vormt voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering op deze gronden. Onder deze omstandigheden behoefde het college in navolging van de raad geen aanleiding te zien om af te wijken van het beleidsuitgangspunt om voor de gronden buiten het intensiveringsgebied alleen de bestaande uitbreidingsruimte op te nemen in het plan. Het betoog faalt derhalve. 2.8.3. [appellant sub 5] stelt in beroep verder dat het plan voor bedrijfsgebouwen buiten het intensiveringsgebied ten onrechte een goothoogte van slechts 5 meter bij recht toestaat, die na vrijstelling verruimd kan worden tot 6 meter. Hij stelt op basis van verkregen bouwvergunningen dat een goothoogte van meer dan 6 meter bij recht noodzakelijk is. 2.8.3.1. De raad acht de in het plan opgenomen goothoogte voor bedrijfsgebouwen voldoende voor een goede bedrijfsvoering. Een maximale goothoogte is in het plan opgenomen, omdat zo bebouwing ontstaat met een lage goot en een hoge kap die cultuurhistorisch en landschappelijk het beste past in het buitengebied. Door een grotere goothoogte wordt ook meer zicht ontnomen, waardoor bebouwing zich massaler manifesteert, aldus de raad. 2.8.3.2. Het college stemt in met de motivering van de raad voor de in het plan opgenomen maximale goothoogte voor bedrijfsgebouwen. Verruiming van die bouwmogelijkheden acht het college vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk. 2.8.3.3. Ingevolge het voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al-" geldende artikel 8, lid 2.1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften mogen de goothoogte en bouwhoogte van [..] bedrijfsgebouwen, met uitzondering van kassen, niet meer bedragen dan 5 meter respectievelijk 9 meter. Het derde lid van dat artikel geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor een goothoogte van maximaal 6 meter, mits dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is. Deze planregeling komt overeen met die uit het voorheen geldende bestemmingsplan. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze planregeling hem onevenredig belemmert in zijn bedrijfsvoering. Bovendien geldt ingevolge lid 2.1, aanhef en onder k van artikel 8, de bestaande maatvoering van bouwwerken die met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet zijn gebouwd als maximum, indien die maatvoering ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan afwijkt van het bepaalde in lid 2.1, onder j. Voor zover [appellant sub 6] heeft betoogd dat hem onder het voorheen geldende plan bouwvergunningen zijn verleend voor bedrijfsgebouwen met een goothoogte van 6 meter, zijn die bedrijfsgebouwen als zodanig in het plan bestemd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad ten aanzien van de gronden van [appellant sub 5] aanleiding had moeten zien van het beleid af te wijken. Gelet hierop faalt het betoog. 2.8.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ten aanzien van de goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.8.4. [appellant sub 5] betwist in beroep voorts de maximale bouwhoogte voor CO2- en warmwatertanks van 5 meter. Naar zijn stelling ziet een CO2-tank er net zo uit als een voersilo, waarvoor een maximale bouwhoogte van 12 meter geldt. Bovendien is naar zijn stelling bij de ruimtelijke impact ten onrechte niet meegewogen dat een warmtebuffer verspilling van warmte en CO2-uitstoot tegengaat. 2.8.4.1. Opslagtanks die boven de bebouwing uitsteken acht de raad vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst. Daarom mogen kooldioxide- en warmwatertanks buiten het intensiveringsgebied uitsluitend horizontaal worden geplaatst met een maximale hoogte van 5 meter. Binnen het intensiveringsgebied acht de raad een maximale bouwhoogte van 12 meter aanvaardbaar, omdat het intensiveringsgebied mede wordt gebruikt als instrument om verspreid liggend glas elders in de gemeente te saneren. 2.8.4.2. Het college stemt in met de afweging van de raad ten aanzien van het verschil in toegestane bouwhoogten voor kooldioxide- en warmwatertanks en voersilo's voor respectievelijk gronden binnen en gronden buiten het intensiveringsgebied. Voersilo's hebben een geringere ruimtelijke uitstraling, aldus het college en mochten ook in het voorheen geldende plan worden gebouwd, zij het aangrenzend aan een ander bedrijfsgebouw. 2.8.4.3. Ingevolge het voor gronden buiten het intensiveringsgebied met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde -Al-" geldende artikel 8, lid 2.1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften mag de bouwhoogte van kooldioxidetanks en warmwatertanks niet meer bedragen dan 5 meter. De bouwhoogte van voedersilo's mag ingevolgde datzelfde artikel niet meer bedragen dan 12 meter, waarbij die voedersilo's aangrenzend aan een [..] bedrijfsruimte dienen te worden geplaatst. Voor de gronden binnen het intensiveringsgebied mag ingevolge het voor die gronden - met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" - geldende artikel 7, lid 2.1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften de bouwhoogte van kooldioxidetanks en warmwatertanks wel ten hoogste 12 meter bedragen. 2.8.4.4. Het betoog van [appellant sub 5] faalt. Het college heeft in navolging van de raad in redelijkheid kunnen vasthouden aan de maatvoering voor opslagtanks en silo's uit het voorheen geldende plan. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit plan een conserverend plan betreft in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek om verspreid liggend glas buiten het intensiveringsgebied te saneren. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die maatvoering hem onevenredig belemmert in zijn bedrijfsvoering. 2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ten aanzien van de maximale bouwhoogte voor CO2- en warmwatertanks geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is voor het overige ongegrond. De beroepen van [appellant sub 6], [appellante sub 26] en [appellant sub 23] (gedeeltelijk) 2.9. De beroepsgronden van [appellant sub 6] ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven, de bouwhoogte van kassen en de verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om voor ieder bouwplan advies in te winnen van de agrarische deskundige zijn hiervoor in 2.4.19. tot en met 2.4.37. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, en artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. Ten aanzien van de verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om voor ieder bouwplan advies in te winnen van de agrarische deskundige is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de zinsneden "voor een doelmatige bedrijfsvoering" en "b. de aard en inrichting van het bedrijf; c. de mate van mechanisatie van het bedrijf;", "e. de al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden" en "h. de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen die zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf" in de leden 5.1 van de artikelen 7 en 8 alsmede de zinsneden "- mede gelet op de aard, de omvang, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf -" en "en doelmatig" in de leden 2.1, onder f, van de artikelen 7 en 8. Ten aanzien van de maximale omvang en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven is geoordeeld dat, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk is gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare binnen het glasintensiveringsgebied en van 2 hectare daarbuiten in zijn algemeenheid in de weg staan aan een duurzame bedrijfsvoering van de in die gebieden aanwezige glastuinbouwbedrijven. De Afdeling zal thans nagaan of de raad en het college voor de bedrijfsgronden van [appellant sub 6] aanleiding hadden moeten zien om van het beleid af te wijken. 2.9.1. [appellant sub 6] heeft in het intensiveringsgebied tussen de Westerlandseweg en de Rietdijk 18,5 hectare aan gronden. Daarvan is 7,5 hectare bebouwd met kassen, verdeeld over 3 bouwvlakken. Twee aan de [locatie 3 en 4] en één aan de [locatie 5]. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de maximale bedrijfsomvang van 3 hectare glasopstand per bouwvlak in zijn geval in de weg staat aan een duurzame ontwikkeling van zijn bedrijfsvoering. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad ten aanzien van de gronden van [appellant sub 6] aanleiding had moeten zien van het beleid af te wijken. Het betoog faalt derhalve. 2.9.2. [appellant sub 6] richt zich in beroep voorts tegen de vorm van de bouwvlakken voor zijn bedrijven aan de Westerlandseweg. Die zijn zonder rekening te houden met zijn bedrijfsbelangen ten onrechte niet, zoals hij heeft verzocht, breder en minder diep vastgesteld. Hij betwist dat sprake zou zijn van een reconstructie. In het voorheen geldende plan waren geen bouwvlakken opgenomen. De bedrijfsbebouwing is tot stand gekomen met vrijstellingen van het voorheen geldende bestemmingsplan. [appellant sub 6] stelt dat met de vormgeving die hij voorstaat de bouwvlakken meer compact worden, doordat ze minder ver het buitengebied indringen. Daardoor is het mogelijk de kassen, aansluitend aan elk bouwvlak, gelijkmatig over de gronden buiten het bouwvlak te spreiden. 2.9.2.1. De raad heeft de bebouwingsvlakken toegekend met inachtneming van de uitgangspunten van de nota Glastuinbouw in Westvoorne. Daarin is vastgelegd, aldus de gemeenteraad, dat geen reconstructie mag plaatsvinden binnen het intensiveringsgebied. De bestaande bedrijfsbebouwing valt binnen de aangebrachte bouwvlakken. 2.9.2.2. Het college heeft ingestemd met de vorm van de bouwblokken van [appellant sub 6], nu de feitelijke situatie is bestemd en de bouwblokken in overeenstemming met de provinciale nota Regels voor Ruimte zo compact mogelijk in het plan zijn opgenomen. De mogelijkheden voor reconstructie vereisen naar de stelling van het college eerst een visie van de raad omtrent de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Bij de totstandkoming van die visie zal onderzocht worden, aldus het college, in hoeverre het mogelijk is om - in afwijking van het thans geldende maximum van 3 hectare glasopstand per bedrijf - binnen de begrenzing van het gebied verschuiving van glasbestemmingen of samenvoeging van bedrijven mogelijk te maken. 2.9.2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsbebouwing - niet zijnde kassen - aan de Westerlandseweg volledig binnen de toegekende bouwvlakken staat. Evenmin is in geschil dat die bouwvlakken overeenkomstig het provinciale beleid compact in het plan zijn opgenomen. Het standpunt van het college in navolging van de raad dat een andere vormgeving van de twee bouwvlakken een reconstructie is, waarvan de mogelijkheid eerst moet worden overwogen in de op te stellen gebiedsvisie voor het intensiveringsgebied Tinte, overtuigt niet. [appellant sub 6] heeft onweersproken gesteld dat in het voorheen geldende bestemmingsplan voor deze gronden geen bouwvlak was vastgesteld. Bij de planvaststelling diende de raad voor het eerst de vorm van de twee bouwblokken vast te stellen. Het college noch de raad hebben aannemelijk gemaakt, dat een vormgeving van die bouwblokken zoals [appellant sub 6] voorstaat, in strijd zou zijn met de gemeentelijke nota Glastuinbouw in Westvoorne of met de provinciale nota Regels voor Ruimte. Voorts staat in het deskundigenbericht dat bij de vormgeving van de bouwvlakken zoals opgenomen in het plan, bij het meest oostelijk gelegen bouwblok de beleidsmatig toegestane 3 hectare aan kassen niet kan worden gebouwd, omdat te weinig gronden direct aansluiten aan dat bouwvlak. Bij de vormgeving die [appellant sub 6] voorstaat, kan die - in het plan toegestane - maximale bouwmogelijkheid wel worden benut. Dit belang van [appellant sub 6] bij de vormgeving van de bouwvlakken voor zijn gronden aan de Westerlandseweg is bij de planvaststelling niet betrokken. Het betoog slaagt. 2.9.2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" voor de percelen [locatie 3 en 4] in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is vastgesteld. Door niettemin goedkeuring te verlenen aan deze plandelen heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" voor de percelen [locatie 3 en 4]. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze plandelen. 2.9.3. [appellant sub 6] stelt voorts in beroep dat een tweede bouwvlak voor zijn gronden aan de Rietdijk had moeten worden toegekend, nu hij de bedrijfsgronden van de [familie] destijds heeft gekocht met bijbehorende glas- en bouwrechten. Op de plankaart van het voorheen geldende plan waren voor de gronden van de familie Stolk twee bouwvlakken opgenomen. Die rechten zijn ten onrechte niet overgenomen in dit plan. 2.9.3.1. Voor het perceel 'achter Rietdijk' heeft de raad overeenkomstig het voorheen geldende plan één bouwvlak opgenomen. Aan de omstandigheid dat op de plankaart van het voorheen geldende plan twee keer de lettercode 'Ak5' is vermeld, komt, aldus de raad, geen betekenis toe. Omdat het bouwvlak wordt doorkruist door het bestemmingsvlak 'water' is de lettercode herhaald. 2.9.3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat ten opzichte van het voorheen geldende plan geen bouwblok ontbreekt. Hij onderschrijft de motivering van de gemeenteraad. Het gedeelte van het bouwvlak ten zuiden van het vlak met de bestemming "Water" is in dit plan bestemd als "Woondoeleinden -W-" en het noordelijke gedeelte heeft de glastuinbouwbestemming behouden. 2.9.3.3. [appellant sub 6] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat in het voorheen geldende plan voor de gronden [locatie 5] twee bouwvlakken voor glastuinbouwbedrijven waren opgenomen. De tweede aanduiding van de bestemming "Ak" (glastuinbouwbedrijf) voor die gronden zag op de smalle strook grond tussen de Rietdijk en de watergang. Die strook was te klein voor een afzonderlijke vestiging van een volwaardig glastuinbouwbedrijf. De tweede aanduiding betreft dan ook uitsluitend een herhaling van de bestemmingsaanduiding "Ak" (glastuinbouwbedrijf) en bedoelt uit te drukken dat ook op die smalle strook bedrijfsgebouwen mochten staan, waaronder in dit geval de bedrijfswoning van het toenmalige glastuinbouwbedrijf, waarvan de bedrijfsgebouwen en de kassen op de gronden aan de andere zijde van de watergang stonden. Gelet hierop faalt ook het betoog van [appellant sub 6] dat op zijn gronden achter [locatie 5] een extra bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf had moeten worden opgenomen. 2.9.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ten aanzien van een extra bouwvlak voor zijn gronden aan de Rietdijk geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.9.4. [appellant sub 6] stelt in beroep dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, bij recht gesteld moet worden op maximaal 7 meter. Dit sluit aan bij reeds verleende bouwvergunningen en is nodig voor een doelmatige bedrijfsvoering. 2.9.4.1. Het college acht in navolging van de raad een goothoogte van 6 meter voor overige bedrijfsgebouwen voldoende voor een goede bedrijfsvoering. 2.9.4.2. Ingevolge het voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" geldende artikel 7, lid 2.1, aanhef en onder j, vijfde gedachtestreepje van de planvoorschriften mogen de goothoogte en bouwhoogte van overige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van kassen, voor bedrijven gelegen binnen het intensiveringsgebied glastuinbouw niet meer bedragen dan 6 meter en 9 meter. Ingevolge lid 2.1, onder k, geldt de bestaande maatvoering indien ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan de maatvoering van bestaande bouwwerken, die met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet zijn gebouwd, afwijkt van lid j. 2.9.4.3. Uit het deskundigenbericht volgt, dat de goothoogte voor bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, die het plan binnen het intensiveringsgebied toelaat, voor de meeste bedrijven voldoende is. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die planregeling voor zijn bedrijf onvoldoende is. Voor zover [appellant sub 6] heeft gesteld dat hem in het verleden een bouwvergunning is verleend voor een bedrijfsgebouw met een goothoogte van 7 meter, is dat bedrijfsgebouw ingevolge lid 2.1, onder k, van de planvoorschriften als zodanig in het plan bestemd. Gelet hierop faalt het betoog. 2.9.4.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ten aanzien van de goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.9.5. [appellant sub 6] en [appellant sub 23] stellen in beroep dat de aanduiding 'grens intensiveringsgebied glastuinbouw Tinte' aan de zijde van de Rietdijk ter hoogte van hun gronden ten onrechte is 'teruggelegd'. De strook grond tussen die aanduiding en de Rietdijk is naar hun stelling bovendien ten onrechte in het plan aangeduid als 'z' (zonder kassen). Zij achten dat een onterechte verkleining van het intensiveringsgebied en in strijd met het gemeentelijke beleid om bestaande rechten niet aan te tasten. De aanduiding 'z' vermindert hun bouwmogelijkheden. Die aanduidingen waren weliswaar opgenomen in het voorheen geldende plan met het oog op de verbreding van de Rietdijk, maar nu die is uitgevoerd, dient de grens van het intensiveringsgebied naar hun stelling weer tot naast de Rietdijk te lopen. Zij wijzen erop dat op naastliggende percelen langs de Rietdijk deze strook wel met kassen mag worden bebouwd. [appellant sub 23] voegt daaraan toe dat die strook hem is toegewezen in het kader van de ruilverkaveling juist om te gebruiken voor glastuinbouw. 2.9.5.1. De raad heeft de aanduiding 'grens intensiveringsgebied glastuinbouw Tinte' en de aanduiding 'z' (zonder kassen), uit het voorheen geldende plan overgenomen. 2.9.5.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de grens van het intensiveringsgebied op de plankaart juist is aangegeven. De raad is bevoegd, aldus het college, om de begrenzing van het intensiveringsgebied kleiner in te tekenen in het plan dan in de streekplanuitwerking Voorne staat aangegeven. Het college acht het niet onredelijk dat aan een klein gedeelte van de gronden van [appellant sub 6] de aanduiding 'z' (zonder kassen) is toegekend, nu die gronden buiten de grens van het intensiveringsgebied liggen en de gronden die binnen die grens liggen voldoende ruimte bieden om de toegestane hoeveelheid kassen per glastuinbouwbedrijf te kunnen bouwen. Ten aanzien van de gronden van [appellant sub 23] stelt het college dat het toekennen van een bouwmogelijkheid voor kassen in strijd is met zowel het gemeentelijke als het provinciale beleid dat is gericht op het saneren van verspreid liggend glas. 2.9.5.3. Uit de plantoelichting blijkt dat de begrenzing in dit plan van het intensiveringsgebied glastuinbouw Tinte is overgenomen van de aanduiding in de streekplanuitwerking Voorne. Bij vergelijking van de kaart van de streekplanuitwerking en de kaart van het plan blijkt dat de aanduiding 'grens intensiveringsgebied glastuinbouw Tinte' op de plankaart nagenoeg identiek verloopt aan de begrenzing van die aanduiding in de streekplanuitwerking Voorne met uitzondering van de zuidelijke grenslijn ter hoogte van de Rietdijk. Op de kaart van de streekplanuitwerking loopt de grens langs de Rietdijk. Op de plankaart volgt de begrenzing in hoofdzaak de Rietdijk, maar op sommige plaatsen zoals bij [appellant sub 6] en bij [appellant sub 23] is de begrenzing enkele meters benoorden de Rietdijk gelegd, en bij [appellant sub 6] aan de overzijde van de watergang met daartussen een strook waaraan de aanduiding 'z' is toegekend. Anders dan in de plantoelichting wordt gesteld, wijkt de aanduiding 'grens intensiveringsgebied glastuinbouwgebied Tinte' aan de Rietdijk ter plaatse van de gronden van [appellant sub 6] en [appellant sub 23] derhalve af van de begrenzing van dat gebied zoals die is aangeduid in de streekplanuitwerking Voorne. Met de enkele stelling van het college dat de raad bij een planvaststelling bevoegd is van die begrenzing af te wijken, is niet gemotiveerd waarom juist ter hoogte van de gronden van [appellant sub 6] en [appellant sub 23] van de streekplanbegrenzing is afgeweken. Het ontbreken van een motivering klemt temeer nu [appellant sub 6] en [appellant sub 23] onweersproken hebben gesteld dat die teruglegging in het voorheen geldende plan was opgenomen om de verbreding van de Rietdijk mogelijk te maken, maar dat, nu die verbreding is voltooid, de oorspronkelijke begrenzing weer dient te gelden en [appellant sub 23] daaraan heeft toegevoegd dat de in geding zijnde strook hem in het kader van de ruilverkaveling is toegewezen om te gebruiken voor glastuinbouw. De raad noch het college is ingegaan op deze stellingen. 2.9.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] en [appellant sub 23] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 23] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding 'grens intensiveringsgebied glastuinbouw Tinte' ter plaatse van hun gronden aan de Rietdijkzijde tussen [locatie 5] en de Westvoornseweg respectievelijk tussen [locatie 15 en 16] alsmede voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" met de aanduiding 'z' voor deze gronden. 2.9.6. [appellant sub 6] voert in beroep voorts aan dat het bouwvlak aan de Rietdijk ten onrechte is voorzien van de aanduiding 'zw' (zonder woning). Nu ter plaatse een volwaardig glastuinbouwbedrijf aanwezig is, behoort naar zijn stelling bij dat bedrijf een bedrijfswoning. [appellante sub 26] stelt in beroep dat haar woning [locatie 5] in het plan ten onrechte is bestemd als "Woondoeleinden -W-". Zij wenst handhaving van de voorheen geldende agrarische bedrijfsbestemming. 2.9.6.1. De raad heeft de woning op het perceel [locatie 5] bestemd in overeenstemming met het feitelijke gebruik. Nu die woning in het voorheen geldende plan als de bedrijfswoning was aangemerkt voor het glastuinbouwbedrijf op het perceel 'achter Rietdijk', wil de raad op het perceel 'achter Rietdijk' geen nieuwe bedrijfswoning toestaan en is in het plan de aanduiding 'zw' (zonder woning) opgenomen. 2.9.6.2. Het college acht de bestemming "Woondoeleinden -W-" voor de voormalige bedrijfswoning [locatie 5] niet onredelijk, nu die woning niet als agrarische bedrijfswoning in gebruik is en er kennelijk geen dringende behoefte is aan een agrarische bedrijfswoning op het perceel 'achter Rietdijk'. 2.9.7. In het voorheen geldende plan was de woning [locatie 5] bestemd als agrarische bedrijfswoning bij het glastuinbouwbedrijf dat op de gronden achter die woning werd uitgeoefend. De gronden achter de woning heeft [appellant sub 6] in 1999 - zonder bedrijfswoning - gekocht van [appellante sub 26] en wijlen haar echtgenoot. [appellante sub 26] is in de woning blijven wonen. Zij voert geen bedrijfsmatige, agrarische activiteiten uit op deze strook grond. Evenmin heeft zij elders bedrijfsmatig agrarische gronden in gebruik. De bestemming "Woondoeleinden -W-" is derhalve in overeenstemming met het feitelijke gebruik. 2.9.7.1. Voorts staat in de plantoelichting dat door schaalvergroting van bedrijven een groot aantal vroegere bedrijfswoningen in het plangebied is verkocht als burgerwoning. De raad heeft ten aanzien van die woningen de beleidslijn gehanteerd dat bestaande agrarische bouwvlakken waar geen bedrijf wordt uitgeoefend en die door een burger worden bewoond, in dit plan een woonbestemming krijgen. Aan bestaande agrarische bouwvlakken waar wel een bedrijf wordt uitgeoefend, maar de woning door een burger wordt bewoond, is in dit plan eveneens een woonbestemming toegekend. Daarbij is op de plankaart door middel van een aanduiding ('zw') aangegeven dat het agrarische bedrijf ter plaatse niet alsnog dan wel opnieuw een agrarische bedrijfswoning mag oprichten. 2.9.7.2. De toegekende bestemming "Woondoeleinden -W-" voor de woning [locatie 5] en de aanduiding '(zw)' voor de gronden achter [locatie 5] is derhalve in overeenstemming met het gemeentelijke beleid. [appellant sub 6] noch [appellante sub 26] heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan een uitzondering op dit beleid had moeten worden gemaakt. Het betoog van [appellant sub 6] en van [appellante sub 26] faalt derhalve. 2.9.7.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] en [appellante sub 26] ten aanzien van de bestemming "Woondoeleinden -W-" voor de woning [locatie 5] en de aanduiding '(zw)' voor de gronden achter [locatie 5] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre en het beroep van [appellante sub 26] is geheel ongegrond. 2.9.8. [appellant sub 6] voert in beroep voorts aan dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" en de aanduiding '(f)' (fietspad) voor een strook langs de Westvoornseweg. De groenstrook en sloot naast het fietspad zijn volgens hem onder één van zijn kassen geprojecteerd. Hij acht dit rechtsonzeker. 2.9.8.1. De raad heeft voor de aanleg van het fietspad langs de Westvoornseweg een afzonderlijke bestemmingsaanduiding opgenomen. 2.9.8.2. Het college heeft ingestemd met de bestemming en de aanduiding die de aanleg van het fietspad langs de Westvoornseweg mogelijk maken. Daarbij heeft hij betrokken dat [appellant sub 6] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op dezelfde gronden de bouw van een van zijn kassen is voorzien. 2.9.8.3. Langs de Westvoornseweg is een fietspad voorzien. De aanleg daarvan zal plaatsvinden binnen een algehele reconstructie van de Westvoornseweg, deels bestaand uit een verbreding en deels uit een verlegging van deze weg. Die reconstructie is niet opgenomen in dit plan. Wel is de aanleg van het fietspad in dit plan opgenomen. 2.9.8.4. Uit de plankaart kan worden afgeleid dat ter hoogte van de gronden van [appellant sub 6] de grens van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" met de aanduiding '(f)' is voorzien op gronden van [appellant sub 6]. Daarvoor zal zonodig, zo is ter zitting verklaard, een procedure op grond van de Onteigeningswet worden gevoerd. 2.9.8.5. Ingevolge artikel 20, lid 1.1, van de planvoorschriften zijn de voor verkeersdoeleinden -V- aangewezen gronden bestemd voor wegen [..], vluchtstroken, parkeergelegenheden, bermen, bermsloten, ruiter-, fiets- en voetpaden en andere verkeersvoorzieningen, een en ander met inachtneming van de op de kaart aangegeven dwarsprofielen van wegen en met uitsluiting van verkooppunten voor motorbrandstoffen. Daar waar op de kaart een nadere aanduiding '(f)' is aangegeven zijn de gronden uitsluitend bestemd voor een fietspad met de daarbij behorende voorzieningen. 2.9.8.6. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 6] dat voor de aanleg van een groenstrook en sloot naast het fietspad een extra strook van zijn gronden nodig zal zijn, heeft de raad ter zitting verklaard dat daarvoor geen extra strook van zijn gronden nodig zal zijn. Voorts is op grond van de plankaart als nader toegelicht ter zitting vast komen te staan dat de grens van het bestemmingsvlak "Verkeersdoeleinden -V-" met daarin de aanduiding '(f)' niet is geprojecteerd op gronden waarvoor [appellant sub 6] een aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van een kassencomplex heeft ingediend. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag. 2.9.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden -V-" en de aanduiding '(f)' (fietspad) voor een strook langs de Westvoornseweg geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.9.10. De beroepsgronden van [appellant sub 8] ten aanzien van de bouwhoogte van kassen en ten aanzien van de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting zijn hiervoor in 2.4.22. tot en met 2.4.28. besproken. Ten aanzien van de bouwhoogte is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 7, lid 2.1, onder j, zesde gedachtestreepje, artikel 7, lid 3.1, onder b, artikel 8, lid 2.1, onder j, vijfde gedachtestreepje. Ten aanzien de voorschriften inzake assimilatie- en cyclische belichting is geoordeeld dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 1, onder I4, artikel 7, lid 7.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 7, lid 2.1, onder h, artikel 7, lid 3.1, onder b, de zinsnede "mits de kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde voor 95% worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling, indien groeibevorderende of conditionerende belichting wordt toegepast, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting", artikel 7, lid 6.2.1 en 6.2.2, artikel 8, lid 1.1, onder c, de zinsnede "met dien verstande dat geen lichtuitstraling als bedoeld in artikel 1, onder I4, uit de kassen mag plaatsvinden", artikel 8, lid 2.1, onder h, artikel 8, lid 7.4.1 en 7.4.2. 2.10. [appellant sub 8] voert in beroep voorts aan dat zijn bouwvlak zodanig is ingetekend op de plankaart dat aanpassingen en uitbreiding van de bestaande bebouwing worden bemoeilijkt. Hij wenst de bestaande schuur te verplaatsen naar een plek ten noordoosten van de op het perceel aanwezige kas, waardoor die vrij ligt voor bezonning. 2.10.1. De raad heeft het bouwvlak voor de gronden van [appellant sub 8] ingetekend in het plan overeenkomstig de verleende vrijstelling en bouwvergunning op basis waarvan de bebouwing is opgericht. Die bebouwing valt binnen het bouwvlak en is naar de stelling van de raad voldoende van omvang. 2.10.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de wens van [appellant sub 8] een ruiling van glasrechten betreft ten aanzien waarvan in de streekplanuitwerking Voorne is aangegeven dat de gemeente Westvoorne daarvoor eerst een visie dient te ontwikkelen op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Daarbij kan onderzocht worden of door verschuiving van glasbestemmingen binnen het intensiveringsgebied van het maximum van 3 hectare kan worden afgeweken. 2.10.3. Het standpunt van het college dat verplaatsen van het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 8] in strijd is met de streekplanuitwerking Voorne om thans geen reconstructie in het intensiveringsgebied toe te staan, overtuigt niet. Op bladzijde 20 van de streekplanuitwerking staat dat de gemeenten Brielle en Westvoorne "een visie zullen ontwikkelen op de toekomst van het glasintensiveringsgebied. Daarbij zal onderzocht worden in hoeverre het mogelijk is om - in afwijking van het thans geldende maximum van 3 ha glas per bedrijf - binnen de begrenzing van het gebied verschuiving van glasbestemmingen of samenvoeging van bedrijven mogelijk te maken." Het verschuiven van glasbestemmingen of samenvoegen van bedrijven (reconstructie) waarvoor eerst een gemeentelijke visie dient te worden opgesteld, ziet blijkens de streekplantekst op verschuivingen en samenvoegingen die de het thans geldende maximum van 3 hectare te boven gaan. Niet in geschil is dat het verschuiven van het bouwvlak niet van invloed is op de in het plan aan dit perceel toegekende mogelijkheid 3 hectare aan kassen te bouwen. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de gronden waar [appellant sub 8] de bedrijfsbebouwing wil kunnen oprichten al volledig bebouwd kunnen worden met kassen, maar dat het in landschappelijk opzicht geen wezenlijk verschil uitmaakt of er kassen of bedrijfsbebouwing op de gronden worden gebouwd. De raad noch het college hebben dit betwist. 2.10.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre het de goedkeuring van de aanduiding 'bouwvlak' betreft niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 8] is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied - A-" betreffende het perceel Aelbrechtsweg 12 te Oostvoorne wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd Het beroep van [appellant sub 10] 2.11. [appellant sub 10] voert in beroep aan dat de toegestane glasoppervlakte voor zijn perceel ten onrechte is beperkt tot 5.000 m2 in plaats van de beleidsmatig mogelijke 3 hectare. Hij acht de gehanteerde motivering ontoereikend en in strijd met het gemeentelijke beleid. Ook is er naar zijn stelling geen rekening mee gehouden dat zijn gronden in het voorheen geldende plan abusievelijk waren bestemd voor grondgebonden bedrijven en niet voor glastuinbouw. Hij wijst in dit verband op twee in respectievelijk 1994 en 1998 genomen voorbereidingsbesluiten op basis waarvan hem twee bouwvergunningen zijn verleend. [appellant sub 10] acht de beperking ook in strijd met het provinciale beleid neergelegd in de streekplanuitwerking Voorne. Op grond van dat beleid hebben bestaande glastuinbouwbedrijven buiten het intensiveringsgebied die niet voor sanering in aanmerking komen recht op een uitbreidingsmogelijkheid tot 3 hectare. [appellant sub 10] voert in beroep voorts gronden aan tegen de situering van zijn bouwvlak. Naar zijn stelling voorziet het plan ten onrechte niet in een verplaatsingsmogelijkheid van dat bouwvlak. Hij wijst op de bijzondere situering van zijn bedrijfsgebouwen en die van het naastliggende bedrijf en de - naar zijn mening - te smalle toegangsweg tot zijn bedrijf. Die toegangsweg is, zo stelt hij, ook onvoldoende verkeersveilig. Nu hij aan de achterkant van zijn bedrijfsgronden aan de Achterweg al beschikt over een toegangsweg, wil [appellant sub 10] de mogelijkheid om zijn bedrijfsgebouwen te verplaatsen naar de Achterweg. Hij wijst erop dat toestemming is verleend voor de bouw van een kassencomplex van 3 hectare aan die weg, waardoor de openheid van het landschap reeds zal worden aangetast. Hij doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 2.11.1. De raad acht een glasoppervlak van 0,5 hectare toereikend. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het perceel in het voorheen geldende plan niet was bestemd als glastuinbouwbedrijf, dat 2.500 m2 aan kassen op het perceel aanwezig is en dat dat kennelijk toereikend is, nu voor een uitbreiding van dat oppervlak wel bouwvergunning is verleend maar nimmer is gerealiseerd. Een vergroting tot 3 hectare acht de raad in strijd met zijn beleid om de aantasting van de open en vrije ruimtes tegen te gaan en de weidsheid van het landschap te behouden. Het toestaan van een tweede bouwvlak aan de Achterweg acht de raad in strijd met zijn beleid dat slechts één bouwvlak toestaat. 2.11.2. Het college acht de toegekende glasoppervlakte in overeenstemming met het provinciale beleid dat is gericht op het saneren van verspreid liggende glaslocaties, maar dat toestaat dat de in geldende plannen opgenomen uitbreidingsmogelijkheden worden behouden. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.