(2001)447def), waarin onder punt 3.1 staat vermeld, dat bedoeld is in de nieuwe verordening aan de criteria ter bescherming van de eenheid van het gezin een criterium toe te voegen om er voor te zorgen dat niet-begeleide minderjarigen terecht komen bij volwassen familieleden die zich reeds in een lidstaat bevinden en die de minderjarige ten laste kunnen nemen. Hieruit volgt dat artikel 6 van de Verordening, waarin dit criterium is vastgelegd, in die zin moet worden uitgelegd, dat eerst moet worden bezien of zich op het grondgebied van een andere lidstaat een volwassen lid van het gezin van de niet-begeleide minderjarige bevindt, die de zorg voor deze minderjarige op zich kan nemen. Pas als voldoende is komen vast te staan dat er geen familieleden zijn die deze zorg op zich kunnen nemen, dient het land waarin de niet-begeleide minderjarige een asielaanvraag heeft ingediend, deze in behandeling te nemen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling dus kunnen beschouwen als Dublinclaimant waarop paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000 van toepassing is. Dit betekent dat de belangenafweging in beginsel in het voordeel van de staatssecretaris uitvalt. Gezien de omstandigheden die aan de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien. In zoverre slagen de grieven. 2.
- Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 11 oktober 2009 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. 2.
- De vreemdeling heeft betoogd dat, nu hij inmiddels een asielverzoek heeft ingediend, het uitblijven van de categoriewijziging de inbewaringstelling onrechtmatig heeft gemaakt. Het uitblijven van een categoriewijziging maakt de voortzetting van een bewaring onrechtmatig, indien de met de voortzetting van de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is - alle feiten, omstandigheden en belangen in aanmerking genomen - in dit geval geen sprake, mede gelet op het feit dat ten tijde van de zitting bij de rechtbank eerst vier dagen sedert indiening van de asielaanvraag waren verstreken. 2.
- De vreemdeling heeft verder naar voren gebracht dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door, nadat hij te kennen had gegeven dat hij een asielverzoek wilde indienen, hem daartoe niet onmiddellijk in de gelegenheid te stellen. De vreemdeling is op 11 oktober 2009 in bewaring gesteld en heeft op 13 oktober 2009 te kennen gegeven een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen. Nu de vreemdeling daartoe op 17 oktober 2009 in de gelegenheid is gesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit opzicht met onvoldoende voortvarendheid te werk is gegaan. Het beroep van de vreemdeling op het tijdsverloop kan mitsdien niet slagen. 2.
- Ten slotte heeft de vreemdeling gesteld, dat de staatssecretaris heeft nagelaten het Nidos als zijn voogd aan te wijzen. Hoewel ter zitting bij de rechtbank geen zekerheid is verkregen over de vraag of het Nidos inmiddels optreedt als voogd van de vreemdeling, bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling door de gang van zaken is benadeeld, nu hij twee dagen na de inbewaringstelling daartegen in beroep is gekomen en hij ook de leeftijd heeft om met behulp van een advocaat zijn belangen zelf te kunnen behartigen. 2.
- De Afdeling zal het beroep ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 oktober 2009 in zaak nr. 09/37287; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en T.M.A. Claessens en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Brugman ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2010
- Verzonden: 18 januari 2010 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser