(2004)Aanstraling van gebouwen en objecten buiten" van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: de richtlijn) als toetsingskader gehanteerd. In hetgeen KPN in zoverre heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van het aspect lichthinder niet in redelijkheid bij de richtlijn heeft kunnen aansluiten. 2.10.
- In de richtlijn worden grenswaarden aanbevolen voor lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor aanstraling van gebouwen en objecten ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in vier soorten omgevingzones, te weten "E1 natuurgebied", "E2 landelijk gebied", "E3 stedelijk gebied" en "E4 stadscentrum/ industriegebied". Het college heeft het gebied aangemerkt als stedelijk gebied, oftewel zone E3, als bedoeld in de richtlijn. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet juist is. 2.10.
- Volgens de richtlijn is in een stedelijk gebied knipperen acceptabel in een frequentie die bij voorkeur lager is dan 1 Hz. Uit de tweede foto van bijlage 5 bij het deskundigenbericht blijkt dat de lichten op de drie benen van de zendmast tegelijk kunnen worden waargenomen. Ter zitting is door KPN niet bestreden dat desbetreffende foto een reëel beeld geeft van een relevante situatie. Gelet op het vorengaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aan de vergunning verbinden van voorschrift 1.3.1, waarbij aan de totale verlichtingsinstallatie van de zendmast een grenswaarde voor de knipperfrequentie van 1 Hz is gesteld, nodig is om de lichthinder vanwege de inrichting te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. 2.10.
- De in hoofdstuk 1 Licht van de vergunningvoorschriften gestelde grenswaarden komen overeen met de in de richtlijn voor een stedelijk gebied aanbevolen waarden. Het college heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze toereikend zijn. 2.10.
- De desbetreffende beroepsgronden van KPN en [appellanten] falen. 2.
- Het beroep van [appellanten] is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 7 januari 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij geen voorschrift is gesteld aan de door de bijgeplaatste zender opgewekte elektrische veldsterkte buiten de inrichting op plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. 2.
- Het college dient ten aanzien van [appellanten] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten] gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 7 januari 2009, kenmerk 2008-007V, voor zover daarbij geen voorschrift is gesteld aan de door de bijgeplaatste zender opgewekte elektrische veldsterkte buiten de inrichting op plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek; III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. verklaart het beroep van [appellanten] voor het overige ongegrond; V. verklaart het beroep van KPN B.V. ongegrond; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,69 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en negenenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Kuipers voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010 271-579.