(2006)hebben gedeputeerde staten de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangeduid. Daarnaast wordt bij nieuwe ontwikkelingen nadrukkelijk gestuurd op het aspect ruimtelijke kwaliteit. Dit is vooral van belang bij ontwikkelingen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de provincie. Daarbij kan gedacht worden aan nieuwe randen van dorpen en steden en bebouwing in het buitengebied. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat er ruimte wordt geboden aan gewenste ontwikkelingen. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de landschappelijke ontwikkeling een volwaardige plek heeft gekregen in de planontwikkeling, dat onnodige verstening van het landelijk gebied wordt voorkomen en dat overbodige bebouwing zoveel als mogelijk wordt gesaneerd. 2.5.
- Vast staat dat realisering van het plan niet leidt tot voortzetting of volledig herstel van de historische functie van het plangebied. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is het plangebied aangeduid als "Historische geografie (vlak), hoog" en "Indicatieve archeologische waarden, hoog of middelhoog". Uit het bestreden besluit is af te leiden dat het plangebied nu bestaat uit agrarisch bouwland. Met de voorziene ontwikkelingen wordt onder meer beoogd waardevolle cultuurhistorische elementen die verloren zijn gegaan, zoals historische laanbeplanting, terug te brengen in het plangebied. Voorts wordt rekening gehouden met een zorgvuldige aansluiting op het naastgelegen landgoed Annanina's Rust. Het plangebied is gelegen nabij Hilvarenbeek en Diessen. In het bestreden besluit wordt erkend dat het plan niet leidt tot een geheel herstel van de historische functie, maar dat er voldoende redenen zijn om in dit geval ten aanzien van dit beleidsuitgangspunt een uitzondering te maken, nu het plan voorziet in een maatschappelijke voorziening, waar binnen de gemeente Hilvarenbeek een dringende behoefte aan bestaat. Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de bestaande begraafplaatsen in de dorpen Diessen en Hilvarenbeek ruimtegebrek hebben. Tevens is bij de bestaande begraafplaatsen geen uitbreidingsruimte. Op dit moment is de capaciteit aan begraafplaatsen op de begraafplaats aan de Doelenstraat in Hilvarenbeek nog
- Gemiddeld zijn er hier 40 begraafplaatsen per jaar nodig. Op de begraafplaats in Diessen zijn jaarlijks gemiddeld 18 begraafplaatsen nodig. De capaciteit op deze locatie bedraagt momenteel
- Derhalve zijn over ongeveer 2 jaar deze begraafplaatsen volledig benut, hetgeen door de FNM ter zitting is erkend. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat er binnen de regio waartoe Hilvarenbeek en Diessen behoren, een toenemende vraag is naar de mogelijkheid om overledenen te laten cremeren en dat er een regionale behoefte bestaat aan een dergelijke voorziening. Dat, gelet hierop, uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik tevens is voorzien in de oprichting van een crematorium, heeft het college niet onredelijk hoeven achten nu deze functie gezien haar samenhang met een begraafplaats, passend is binnen het plan. Gelet op het voorgaande is het standpunt van het college dat het plan niet in strijd is met de Isv niet onjuist en heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak van het plan voldoende is aangetoond. Overigens wordt in het Uitwerkingsplan Hilvarenbeek en Oisterwijk ook al rekening gehouden met de nieuwe begraafplaats op de in het plan beoogde locatie, zodat het plan in overeenstemming is met dit uitwerkingsplan. 2.5.
- Wat de evaluatie-notitie betreft overweegt de Afdeling dat sprake is van een ambtelijke notitie, waarmee is beoogd de historie van de ontwikkeling van het plan te schetsen. Deze evaluatie-notitie staat los van de vraag of het plan vanuit ruimtelijke optiek aanvaardbaar is. Over het betoog van de FNM dat geen geohydrologisch onderzoek is verricht, overweegt de Afdeling dat uit pagina 25 en 26 van de plantoelichting volgt dat dit onderzoek is verricht door Arcadis Heidemij Advies. De resultaten van het onderzoek zijn in de plantoelichting weergegeven. De FNM heeft haar betoog dat ten gevolge van het plan geurhinder zal ontstaan en het milieu zal worden vervuild door uitstoot van dioxine en kwik, niet aannemelijk gemaakt. 2.5.
- Wat de alternatieve locaties betreft, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het voorgaande is hiervan niet gebleken. Dat bij de locatiekeuze-notitie geen crematorium is betrokken, is gelet op het voorgaande niet relevant. Overigens zijn in de locatiekeuze-notitie wel alternatieven betrokken. Uit de locatiekeuze-notitie volgt dat drie locaties zijn onderzocht. Daarbij hebben naast aspecten als bereikbaarheid en inpasbaarheid ook zaken als de hoogteligging en de beschikbaarheid van de grond een rol gespeeld. Op grond van genoemde aspecten heeft de raad gekozen voor de in het plan beoogde locatie omdat de raad deze het meest geschikt acht. 2.
- Met betrekking tot de beroepsgronden die de FNM in haar beroepschrift niet expliciet heeft vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar de zienswijze en bedenkingen in het beroepschrift heeft herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat de FNM geen redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 2.
- De conclusie is dat hetgeen de FNM heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Kooijman voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010 177-605.