200806140/1/R
- Datum uitspraak: 24 maart 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V., gevestigd te Rotterdam,
- [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
- de stichting Stichting Bossche Milieugroep, gevestigd te 's-Hertogenbosch,
- [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
- de vereniging Fietsersbond, onderafdeling Sint-Michielsgestel, gevestigd te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
- [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], en anderen,
- de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en anderen,
- [appellante sub 11], gevestigd te [plaats], en anderen,
- [appellant sub 12A] en [appellante sub 12B], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 13], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C],
- [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Division Holding B.V., gevestigd te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, en anderen,
- [appellante sub 16], gevestigd te [plaats], en anderen,
- [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Empelse Polder B.V., gevestigd te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,
- [appellanten sub 19], beiden wonend te [woonplaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heijmans Vastgoed Exploitatie B.V., gevestigd te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,
- de stichting Stichting Wijkraad 't Ven Rosmalen, gevestigd te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, en anderen, handelend onder de naam de Gezamenlijke Wijkraden van Rosmalen en Hintham,
- [appellant sub 22], wonend te [woonplaats], en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2008 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna te noemen: de staatssecretaris), in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het "Tracébesluit Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (hierna: Shell) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2008, de stichting Stichting Bossche Milieugroep (hierna: de Bossche Milieugroep) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2008, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2008, de vereniging Fietsersbond (hierna: de Fietsersbond) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 7]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 8]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, [appellant sub 9] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen (hierna: de Milieufederatie en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellante sub 11] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellant sub 12A] en [appellante sub 12B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 12]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellante sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellant sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Division Holding B.V. en anderen (hierna: Division Holding en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellante sub 16] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, [appellant sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Empelse Polder B.V. (hierna: de Empelse Polder) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, [appellanten sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heijmans Vastgoed Exploitatie B.V. (hierna: Heijmans) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, en de stichting Stichting Wijkraad 't Ven Rosmalen en anderen (hierna: de Gezamenlijke Wijkraden) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 8 september
- [appellant sub 7] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 oktober
- [appellant sub 9] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 september
- De Milieufederatie en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 oktober
- [appellante sub 13] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 29 september
- [appellant sub 14] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 september
- Division Holding en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 30 september
- [appellante sub 16] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 oktober
- De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Bossche Milieugroep, de Milieufederatie en anderen, de Fietsersbond, [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 13], [appellante sub 16] en anderen, [appellanten sub 19], de Gezamenlijke Wijkraden en de staatssecretaris hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft de staatssecretaris, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen 2009" vastgesteld. Tegen het besluit van 28 mei 2009 hebben [appellant sub 22] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, en [appellanten sub 19], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2009, beroep ingesteld. De staatssecretaris, de Gezamenlijke Wijkraden, [appellant sub 8], [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep, [appellant sub 7], [appellante sub 13], de Fietsersbond, [appellante sub 16] en anderen, [appellanten sub 19], [appellant sub 5], de Milieufederatie en anderen, Heijmans en [appellant sub 22] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 en 18 augustus 2009, waar [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. H. den Haan, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, de Bossche Milieugroep, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Amsterdam, de Fietsersbond, vertegenwoordigd door Th. Zeegers, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. Y.H. de Roy-de Bruijn, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 8], in persoon en bijstaan door E.M. van der Molen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 9] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellante sub 13], vertegenwoordigd door C.M.L. Dekkers, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, [appellant sub 14], vertegenwoordigd door C.M.L. Dekkers, Division Holding en anderen, vertegenwoordigd door B.M.W.H. Vis, [appellante sub 16] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.G.H. Vogels, advocaat te Rosmalen, [appellant sub 17], vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, de Empelse Polder, vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, [appellanten sub 19], vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, de Milieufederatie en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff en [gemachtigde], [appellant sub 3], in persoon en bijstaan door mr. A.H. Jonkhoff, Shell, vertegenwoordigd door B.P.G. Haanappel, Heijmans, vertegenwoordigd door A.H.M.A. van den Berk en E.W. van Hutten, de Gezamenlijke Wijkraden, vertegenwoordigd door A.A.E. Timmermans en A. van der Steen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink en mr. I.W. Neleman, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek te heropenen met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van deze wet. Bij brief van 11 november 2009 heeft de staatssecretaris aan het verzoek om nadere inlichtingen te verstrekken voldaan. Deze brief met bijbehorende stukken is aan de andere partijen toegezonden. De Fietsersbond, de Gezamenlijke Wijkraden, [appellante sub 13], [appellant sub 17], De Empelse Polder, [appellanten sub 19], Division Holding en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep, de Milieufederatie en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 14], [appellante sub 16] en anderen, [appellant sub 22], [appellant sub 9] en anderen, [appellanten sub 2] en Shell hebben een reactie ingediend. De Afdeling heeft de zaak uitsluitend voor zover deze ziet op de aspecten waaromtrent nadere schriftelijke inlichtingen zijn ingewonnen ter zitting verder behandeld op 9 februari 2010, waar de Bossche Milieugroep, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. H.A.A. van den Broek, advocaat te Nijmegen, en [appellant sub 7B], [appellant sub 8], in persoon en bijstaan door E.M. van der Molen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door [maat A], de Milieufederatie en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door drs. C. van Nieuwenhuizen, gedeputeerde, en E. Kugel en B.B.C.A.D. van Dongen, ambtenaren in dienst van de provincie, en de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch, vertegenwoordigd door G.J. Snijders, wethouder, en ir. W.A.M. van der Made, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij, en drs. ing. J.W.J. van der Gaast, B. van der Wal en A. Krikker, als deskundigen, gehoord.
- Overwegingen Toepasselijkheid van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb 2.
- Het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen 2009" is vastgesteld met toepassing van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb worden de tegen het Tracébesluit van 3 juli 2008 ingestelde beroepen geacht mede te zijn gericht tegen het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen 2009". Ingetrokken beroepsgrond 2.
- De Milieufederatie en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond met betrekking tot de brug over de A59 ingetrokken. Ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 12] 2.
- Ingevolge artikel 25a, eerste lid, van de Tracéwet kan tegen een tracébesluit door een belanghebbende beroep worden ingesteld bij de Afdeling. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. 2.3.
- [appellant sub 12] woont aan de [locatie 1] in [plaats]. Zijn woning staat langs de Zuid-Willemsvaart op een afstand van ongeveer 2,3 kilometer ten zuidoosten van het punt waar de te verleggen Zuid-Willemsvaart zal aftakken. Nu aan de Zuid-Willemsvaart ter plaatse van de woning van [appellant sub 12] als gevolg van de Tracébesluiten van 3 juli 2008 en 28 mei 2009 geen ingrepen zullen plaatsvinden, hij geen zicht heeft op de gronden waarop de Tracébesluiten zien en hij geen feiten of omstandigheden aanvoert in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat hij ondanks deze afstand in een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks zou worden geraakt, is geen sprake van een rechtstreeks bij de Tracébesluiten van 3 juli 2008 en 28 mei 2009 betrokken belang van [appellant sub 12]. Gelet hierop kan [appellant sub 12] niet worden aangemerkt als belanghebbende bij de Tracébesluiten van 3 juli 2008 en 28 mei 2009 in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 12] is derhalve niet-ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 5] 2.
- Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Tracéwet is op de voorbereiding van een tracébesluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren brengen. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. 2.4.
- De staatssecretaris stelt dat het standpunt van [appellant sub 5] dat hij een mondelinge zienswijze zou hebben ingebracht bij gelegenheid van zijn bezoek aan het tijdelijke informatiepunt, onjuist is. Op dit informatiepunt was het ontwerp-Tracébesluit van 2007 (hierna: OTB 2007) van 2 april 2007 tot en met 20 april 2007 voor belangstellenden beschikbaar, maar daar konden geen zienswijzen naar voren worden gebracht, zodat hetgeen [appellant sub 5] tijdens dit bezoek heeft opgemerkt niet kan worden beschouwd als een zienswijze. Een en ander is duidelijk vermeld in de kennisgeving van de terinzagelegging van het OTB 2007, aldus de staatssecretaris. Ook bij de tweede terinzagelegging van het OTB 2007 heeft [appellant sub 5] volgens de staatssecretaris geen zienswijze naar voren gebracht. 2.4.
- In de kennisgeving van de eerste terinzagelegging van het OTB 2007 is onder het kopje "Hoe wordt u geïnformeerd?" vermeld dat ten behoeve van een goede informatievoorziening een tijdelijk informatiepunt is geopend in het Wapen van Rosmalen van maandag 2 april 2007 tot en met vrijdag 20 april
- In deze kennisgeving is onder het kopje "Hoe kunt u inspreken?" de procedure voor het schriftelijk dan wel mondeling reageren op het OTB 2007 beschreven, waarbij wordt verzocht om een wens tot mondeling inspreken voor 11 april 2007 telefonisch kenbaar te maken aan het Inspraakpunt Verkeer en Waterstaat. Deze kennisgeving heeft niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen wekken dat het mondeling naar voren brengen van een zienswijze mogelijk zou zijn bij het tijdelijke informatiepunt. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden die deze verwachting zouden kunnen wekken. Derhalve heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 5] bij zijn bezoek aan het informatiepunt geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Gezien het vorenstaande kan [appellant sub 5] redelijkerwijs worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht en is zijn beroep niet-ontvankelijk. Formele bezwaren 2.
- De Gezamenlijke Wijkraden voeren aan dat het Tracébesluit ten onrechte grotendeels tijdens de zomervakantie ter inzage heeft gelegen, als gevolg waarvan zij zich niet door deskundigen hebben kunnen laten bijstaan voor het beoordelen van diverse onderzoeksrapporten. Dit betoog faalt, aangezien de Tracéwet noch de Awb zich hiertegen verzet. 2.
- [appellant sub 7] voert aan dat de detailkaart met de precieze afmetingen van de nabij zijn gronden aan de [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] aan te leggen tunnelbak en een gedetailleerde uitwerking van de mogelijke draaicirkels van vrachtwagens niet ter inzage zouden hebben gelegen. [appellant sub 9] en anderen voeren aan dat de informatievoorziening gebrekkig is geweest, nu de kaarten bij het Tracébesluit in hun ogen onvoldoende duidelijk zijn, en een verdere visualisatie van de voorziene aanleg van een sluis nabij hun woningen niet beschikbaar was. [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep stellen dat de notitie "Quick-scan kosten en baten Zuid-Willemsvaart, second opinion" van het Centraal Planbureau (hierna: CPB) van 28 februari 2006 ten onrechte niet ter inzage is gelegd met het OTB
- 2.6.
- Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Tracéwet is op de voorbereiding van een tracébesluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Tracéwet wordt bij het ontwerptracébesluit ter voldoening aan artikel 1, eerste lid, onder h, onder 1°, gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20
- 2.6.
- De stukken waar [appellant sub 7] op doelt, zijn aanvullende tekeningen die een invulling weergeven van de wijze waarop de tunnelbak en de toegang tot zijn gronden kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat het hier geen detailkaarten in de zin van artikel 11, derde lid, van de Tracéwet betreft, maar slechts tekeningen die een idee kunnen geven van de wijze waarop het Tracébesluit ter plaatse zou kunnen worden uitgevoerd. De door [appellant sub 7] bedoelde tekeningen zijn naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs niet nodig voor een beoordeling van het Tracébesluit, zodat ze niet ter inzage hoefden te worden gelegd. De Afdeling stelt vast dat de kaarten die betrekking hebben op de voorziene ontwikkelingen met betrekking tot de Zuid-Willemsvaart ter hoogte van de woningen van [appellant sub 9] en anderen wat betreft de mate van detaillering voldoen aan de eisen die de Tracéwet daaraan stelt. Uit de Tracéwet vloeit geen plicht voort om de door [appellant sub 9] en anderen bedoelde verdere visualisatie van de voorziene ontwikkelingen op te stellen. De Afdeling overweegt voorts dat voornoemde notitie van het CPB niet kan worden aangemerkt als een op het OTB 2007 betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling hiervan en dat derhalve ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb geen verplichting bestond dit stuk met het OTB 2007 ter inzage te leggen. Strijd met deze bepaling doet zich derhalve niet voor. Ter zitting hebben [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep dit beaamd. Voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit geval uit het oogpunt van zorgvuldigheid gehouden was tot terinzagelegging, zoals [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep hebben betoogd, ziet de Afdeling geen grond. De betogen falen. 2.
- Met betrekking tot het besluit van 28 mei 2009 voert [appellant sub 22] als formeel bezwaar aan dat niet is voldaan aan zijn verzoek van 6 mei 2009 om informatie over de prognose van de geluidbelasting, zodat zich een situatie als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb voordoet. 2.7.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat een situatie als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb zich hier niet kan voordoen en dat ten aanzien van het baanvak van de spoorverbinding 's-Hertogenbosch-Nijmegen gebruik is gemaakt van een representatieve prognose en dat van een onderschatting van de te verwachten geluidbelasting geen sprake is. 2.7.
- Ingevolge artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld: a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en b. het niet tijdig nemen van een besluit. 2.7.
- Anders dan [appellant sub 22] betoogt, is voormeld artikel niet van toepassing op het door hem bedoelde verzoek om informatie en kan het uitblijven van een reactie hierop, wat hier ook van zij, niet worden aangemerkt als het niet tijdig nemen van een besluit. Het betoog leidt niet tot gevolgen voor het besluit van 28 mei
- Het Tracébesluit 2.
- Het Tracébesluit voorziet in de omlegging van de Zuid-Willemsvaart ten oosten van ’s-Hertogenbosch over het traject Den Dungen tot de Maas bij Empel. De huidige vaarweg gaat van Den Dungen via 's-Hertogenbosch naar de Maas. Bij besluit van 28 mei 2009 is voormeld Tracébesluit gewijzigd in die zin dat onder meer artikel 6 (geluidsmaatregelen en inpassingsschermen) wordt vervangen en de grens van het Tracébesluit ter hoogte van de Burgemeester Mazairaclaan in Rosmalen is gewijzigd en ter plaatse is voorzien in een inpassingsscherm. Ten behoeve van deze wijziging heeft nader akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Begrenzing Tracébesluit/Rosmalense Aa, 2.
- [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep, [appellant sub 8], de Milieufederatie en anderen, de Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] stellen dat de Rosmalense Aa in het Tracébesluit had moeten worden opgenomen, nu deze hiermee onlosmakelijk is verbonden. De Empelse Polder stelt in dit verband dat sprake is van rechtsonzekerheid nu beide projecten van elkaar zijn losgekoppeld. 2.9.
- De staatssecretaris stelt dat de ecologische verbindingszone, inclusief de Rosmalense Aa, niet in het Tracébesluit behoeft te worden opgenomen. De aanleg is niet aangemerkt als een maatregel van landschappelijke, landbouwkundige of ecologische aard als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, maar als een extra natuurmaatregel die volgens de staatssecretaris niet in het Tracébesluit thuis hoort. De gemeente 's-Hertogenbosch is verantwoordelijk voor de aanleg hiervan. Door middel van bestuurlijke overeenkomsten is de aanleg hiervan overigens verzekerd, aldus de staatssecretaris. 2.9.
- Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder h, van de Tracéwet wordt, voor zover hier van belang, onder een tracé verstaan de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdvaarweg en een nauwkeurige beschrijving van de daarbij te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard. In de artikelen 7 en 8 van het Tracébesluit zijn onder meer de te treffen compenserende maatregelen opgenomen. De aanleg van de Rosmalense Aa is hierin niet vermeld. 2.9.
- De Afdeling overweegt dat aan de staatssecretaris, gelet op het bepaalde in de Tracéwet, in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een Tracébesluit. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de begrenzing van het Tracébesluit in dit geval niet in redelijkheid kon worden vastgesteld. Het was weliswaar wenselijk geweest om de in het kader van het Tracébesluit te treffen compenserende maatregelen te integreren met de aanleg van de Rosmalense Aa, maar daartoe bestaat geen wettelijke verplichting. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het feit dat de aanleg van de Rosmalense Aa niet in het Tracébesluit is opgenomen, leidt tot rechtsonzekerheid. Overigens wijst de Afdeling er in dit kader op dat bestuurlijke overeenkomsten zijn gesloten omtrent de koppeling van beide projecten en dat uit het deskundigenbericht volgt dat inmiddels een integrale afstemming plaatsvindt van de compensatieopgave en de inrichting van de ecologische verbindingszone, die zal worden vervat in een bestemmingsplan, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. 2.9.
- Ten aanzien van de betogen van de Milieufederatie en anderen en [appellant sub 8] dat betwijfeld kan worden of een aaneengesloten ecologische verbindingszone kan worden aangelegd en dat schade zal worden ondervonden door de aanleg van de Rosmalense Aa, overweegt de Afdeling dat uit het vorenstaande volgt dat de Rosmalense Aa geen onderdeel uitmaakt van het Tracébesluit en hiervan ook geen onderdeel uit hoeft te maken. De bezwaren die uitsluitend zijn gericht tegen de gevolgen van de aanleg van de Rosmalense Aa op zichzelf bezien, kunnen niet in de onderhavige procedure aan de orde worden gesteld. Procedure trajectnota/milieueffectrapportage 2.
- [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen stellen dat vanwege gewijzigde omstandigheden en uitgangspunten, waaronder het uitgangspunt van drielaagscontainervaart en het opnemen van de regiovariant, waardoor de as van het omleggingsalternatief met meer dan 100 meter is verschoven, niet kon worden volstaan met het opstellen van de nota "Aanvullende Trajectnota/MER Zuid-Willemsvaart" van mei 2004 (hierna: de Trajectnota/MER 2004), maar dat een nieuwe startnotitie, nieuwe m.e.r.-richtlijnen en een nieuwe trajectnota hadden moeten worden opgesteld. [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep betogen in dit verband voorts dat het opstellen van een tweede meest milieuvriendelijk alternatief (hierna: MMA) in de Trajectnota/MER 2004 in strijd is met de Wet milieubeheer (hierna: Wm). 2.10.
- De staatssecretaris stelt dat de nota "Zuid-Willemsvaart tussen Maas en Den Dungen, Trajectnota/MER" van 1996 (hierna: de Trajectnota/MER 1996) voldoet aan de eisen uit hoofdstuk 7 van de Wm en dat deze nota met de Trajectnota/MER 2004 volledig is geactualiseerd. 2.10.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Tracéwet stelt onze Minister een trajectnota op ter voorbereiding van het standpunt, bedoeld in artikel 9, en het Tracébesluit, bedoeld in artikel
- Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Tracéwet bereidt onze Minister de trajectnota voor gelijktijdig en in samenhang met de voorbereiding van het milieueffectrapport (hierna: het MER), als voorgeschreven bij of krachtens de Wm. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tracéwet bevat een trajectnota, voor zover hier van belang, ten minste het tracé van de hoofdvaarweg, zo mogelijk uitgewerkt in een of meer varianten, waarbij voor elke variant de mogelijkheid van een verschuiving van de as van het tracé van ten hoogste 100 meter aan elke zijde is open gelaten. Uit artikel 7.10, derde lid, van de Wm volgt dat in het MER in ieder geval het MMA dient te worden beschreven. Uit artikel 7.27, tweede lid, van de Wm volgt dat het bevoegd gezag een besluit bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt niet neemt, indien de gegevens die in het MER zijn opgenomen, redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijzigingen in de omstandigheden waarvan bij het maken van het MER is uitgegaan. 2.10.
- De Afdeling overweegt dat overeenkomstig hoofdstuk 7 van de Wm de startnotitie "Startnotitie Zuid-Willemsvaart tussen Maas en Den Dungen, Omlegging Zuid-Willemsvaart 's-Hertogenbosch" van Haskoning van mei 1993 (hierna: de Startnotitie) is opgesteld. Voorts zijn op 7 oktober 1993 de richtlijnen "Richtlijnen Milieu-effectrapportage ten behoeve van de projectstudie Zuid-Willemsvaart tussen Maas en Den Dungen" (hierna: de m.e.r.-richtlijnen) vastgesteld. Verder is in 1996 de Trajectnota/MER 1996 opgesteld. In 2004 is voorts de Trajectnota/MER 2004 opgesteld met als doel de Trajectnota/MER 1996 volledig te actualiseren. Wat betreft de Startnotitie is van belang dat deze notitie een eerste stap vormt in de te volgen procedure voor het maken van een MER. Aanvullingen op de beschikbare informatie in een dergelijke procedure zijn niet ongebruikelijk en zijn in beginsel toegestaan. Artikel 7.27, tweede lid, van de Wm heeft betrekking op het MER en niet op de Startnotitie. De omstandigheden die ten tijde van het opstellen van de Trajectnota/MER 2004 waren gewijzigd ten opzichte van de omstandigheden in 1996 - waaronder het opnemen van het uitgangspunt van drielaagscontainervaart en het opnemen van de regiovariant, met als gevolg een asverschuiving van het omleggingsalternatief met meer dan 100 meter - zijn meegenomen in de actualisatie van
- In dit verband is in het advies "Toetsingsadvies over de Aanvullende Trajectnota/MER Omlegging Zuid-Willemsvaart tussen Maas en Den Dungen" van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie MER) van 16 augustus 2004 vermeld dat de Commissie MER van oordeel is dat de essentiële informatie in het MER aanwezig is en dat er goede en bruikbare informatie beschikbaar is gekomen om het milieubelang een volwaardige plaats te kunnen geven in de besluitvorming. De Commissie MER heeft bovendien geen aanleiding gezien, aan te bevelen een nieuw MER met nieuwe richtlijnen en een geheel nieuwe trajectnota op te stellen. Gelet hierop wordt in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat in strijd met artikel 7.27, tweede lid, van de Wm de Trajectnota/MER 2004 aan het Tracébesluit ten grondslag is gelegd. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de startnotitie, de Trajecnota/MER 2004 in samenhang bezien met de Trajectnota/MER 1996 en de m.e.r.-richtlijnen onvoldoende actueel en volledig zijn en derhalve niet aan het Tracébesluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Hierbij betrekt de Afdeling dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Tracéwet, in het bijzonder de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, onder e, er niet aan in de weg staan een geactualiseerde trajectnota aan een Tracébesluit ten grondslag te leggen. Het betoog dat een nieuwe startnotitie, nieuwe m.e.r.-richtlijnen en een nieuwe trajectnota hadden moeten worden opgesteld, faalt. 2.10.
- In de Trajectnota/MER 2004 zijn twee meest milieuvriendelijke alternatieven (hierna: MMA's) uitgewerkt. In het toetsingsadvies van 2004 heeft de Commissie MER in dit verband gesteld dat zij zich kan vinden in de keuze om twee MMA's uit te werken omdat de beschouwde alternatieven en bijbehorende milieueffecten wat betreft aard sterk verschillen. In dit verband is van belang dat het ene MMA een vanuit milieuoogpunt geoptimaliseerd ombouwalternatief van de huidige vaarweg met aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen betreft en dat het andere MMA de regiovariant betreft waarbij wordt uitgegaan van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart met de aanleg van de ecologische verbindingszone en aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen. De Afdeling overweegt dat artikel 7.10 van de Wm niet uitsluit dat twee verschillende MMA's worden uitgewerkt. In dit kader overweegt de Afdeling dat een MER volledig dient te zijn en dat verschillende alternatieven moeten worden beschreven, waaronder een MMA, maar dat de betiteling van de verschillende alternatieven als zodanig niet is gebonden aan regels. Het staat de opsteller van het MER dan ook vrij twee verschillende alternatieven te benoemen als MMA, al is dit wellicht minder logisch. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding dient de staatssecretaris bovendien de inhoudelijke verschillen tussen de alternatieven af te wegen, ongeacht de aan die alternatieven toegekende benamingen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het opstellen van een tweede MMA in de Trajectnota/MER 2004 in strijd is met de Wm. Het betoog faalt. Inhoud trajectnota/milieueffectrapportage 2.
- De Milieufederatie en anderen, [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en Division Holding en anderen betogen dat het MER ondeugdelijk is en dat op basis hiervan is gekozen voor een verkeerd alternatief. Zij voeren onder meer aan dat ten onrechte niet is ingegaan op het kritische toetsingsadvies van de Commissie MER van 2004 en dat in de Trajectnota/MER 2004 een zogenoemde gevoeligheidsanalyse en een volwaardige kosten/baten-analyse ontbreken. Verder stellen [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep dat de kosten van het onderhoud van het huidige tracé hadden moeten worden meegenomen in het alternatievenonderzoek. Bovendien had volgens hen de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone niet slechts bij de regiovariant mogen worden meegewogen. Volgens [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep is evenmin bezien of het deel van de Zuid-Willemsvaart waarop het Tracébesluit geen betrekking heeft, geschikt is voor klasse IV-scheepvaart en drielaagscontainervaart. Voorts wordt betoogd dat de ombouwalternatieven kunnen worden aangemerkt als een klasse IV-vaarweg, dat zij daarmee voldoen aan de hoofddoelstelling van de Trajectnota/MER 1996 en de Trajectnota/MER 2004 en dat bovendien ten onrechte onvoldoende is onderzocht of deze alternatieven geschikt kunnen worden gemaakt voor drielaagscontainervaartschepen. In dit verband wordt er bovendien op gewezen dat het realiseren van drielaagscontainervaart niet als uitgangspunt aan het Tracébesluit ten grondslag ligt. 2.11.
- Volgens de staatssecretaris hebben binnenstedelijke ombouwalternatieven in de Trajectnota/MER 2004 een volwaardige plaats gekregen. Zij verwijst in dit verband onder meer naar het advies van de Commissie MER. De staatssecretaris stelt verder dat in het Standpunt Zuid-Willemsvaart 1997 al staat dat aan de ombouwalternatieven, waarbij is uitgegaan van tweelaagscontainervaart, grote nadelen zijn verbonden. Als zou worden uitgegaan van drielaagscontainervaart zouden de negatieve inpassingseffecten nog veel groter zijn, zodat de ombouwalternatieven met drielaagscontainervaart geen reële alternatieven zijn. Derhalve behoefde volgens de staatssecretaris geen nader onderzoek gedaan te worden naar de geschiktheid van de ombouwalternatieven voor drielaagscontainervaart. 2.11.
- Het betoog van de Milieufederatie en anderen dat de staatssecretaris ten onrechte niet is ingegaan op de adviezen en aanmerkingen van de Commissie MER in haar toetsingsadvies van 2004, mist feitelijke grondslag. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de door de Commissie MER genoemde tekortkomingen nader zijn uitgewerkt in verschillende rapporten en in de toelichting op het Tracébesluit. In dit kader is voorts van belang dat in het toetsingsadvies van 2004 staat dat deze tekortkomingen volgens de Commissie MER niet behoeven te leiden tot een formele aanvulling op het MER en dat hieromtrent kan worden volstaan met een nadere toelichting. 2.11.
- Uit het deskundigenbericht volgt dat het Tracébesluit betrekking heeft op de aanpassing van een vaarweg die onderdeel uitmaakt van een groter project, dat ziet op het beter bevaarbaar maken van de Brabantse kanalen. In dit verband volgt uit de stukken dat om de Zuid-Willemsvaart van de Maas tot Helmond geschikt te maken als klasse IV-vaarweg en drielaagscontainervaart naast de uitvoering van het Tracébesluit, drie bruggen tussen Den Dungen en Veghel worden aangepast, drie sluizen tussen Veghel en Helmond worden verbeterd en passageplaatsen en zwaaikommen worden aangelegd. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat niet is bezien of het overige tracé van de Zuid-Willemsvaart geschikt is dan wel geschikt gemaakt kan worden als klasse IV-vaarweg en drielaagscontainervaart. Het betoog faalt. 2.11.
- Nog daargelaten dat uit artikel 11, tweede en derde lid, van de Tracéwet, waarin staat welke onderdelen het ontwerp van het Tracébesluit ten minste moet bevatten, niet kan worden afgeleid dat een kosten/baten-analyse met een gevoeligheidsanalyse had moeten worden opgesteld, zijn dergelijke analyses wel gemaakt in de zogenoemde notitie "Quick-scan kosten en baten, Zuid-Willemsvaart" van 23 februari 2006 voor de regiovariant, maar niet voor de ombouwalternatieven. Nu geen verplichting bestaat tot het opstellen van dergelijke analyses en de staatssecretaris hiertoe evenmin gehouden moet worden geacht op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze analyses in voornoemde notitie ten onrechte voor de ombouwalternatieven ontbreken. In dit kader is voorts van belang dat de kosten van de verschillende alternatieven zijn berekend in de Trajectnota/MER 1996 en in de Trajectnota/MER
- Het betoog faalt. 2.11.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep dat de kosten van het onderhoud van het huidige tracé van de Zuid-Willemsvaart ten onrechte niet in de onderzoeken zijn betrokken, overweegt de Afdeling dat uit artikel 5 van de overeenkomst "Overeenkomst omlegging kanaal Zuid-Willemsvaart 's-Hertogenbosch", gesloten tussen de Staat der Nederlanden, de provincie Noord-Brabant, de gemeenten 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel en het waterschap Aa en Maas, volgt dat de gemeente 's-Hertogenbosch verantwoordelijk zal worden voor het beheer en onderhoud van dat deel van de Zuid-Willemsvaart en dat de Staat hiertoe een bedrag van € 15 miljoen betaalt aan de gemeente 's-Hertogenbosch. Gelet op deze overeenkomst is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat er middelen beschikbaar zijn voor het beheer en onderhoud van het huidige tracé van de Zuid-Willemsvaart en bestaat er geen grond voor het oordeel dat de onderhoudskosten in dit geval in de onderzoeken, die ten grondslag liggen aan het Tracébesluit, hadden moeten worden betrokken. Het betoog faalt. 2.11.
- Wat betreft het betoog van [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen dat ook bij de ombouwalternatieven had moeten worden betrokken dat tevens een ecologische verbindingszone zou worden aangelegd, overweegt de Afdeling dat uit de Trajectnota/MER 2004 blijkt dat de gemeente 's-Hertogenbosch uitsluitend bereid is een ecologische verbindingszone te realiseren indien wordt gekozen voor het omleggingsalternatief. Gelet hierop kon de mogelijke aanleg van een ecologische verbindingszone naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid buiten beschouwing blijven voor de ombouwalternatieven. Het betoog faalt. 2.11.
- De Afdeling overweegt voorts dat in het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (hierna: het SVV-II) dat gold ten tijde van het opstellen van de Trajectnota's/MER 1996 en 2004, was bepaald dat hoofdvaarwegen - waartoe de Zuid-Willemsvaart sinds 1982 behoort - ten minste geschikt dienen te zijn voor klasse IV-schepen. In de Trajectnota/MER 2004 is vermeld dat het vanwege verschillende ontwikkelingen wenselijk werd geacht de Trajectnota/MER 1996 te actualiseren. Een van de ontwikkelingen is volgens de Trajectnota/MER 2004 de in het Standpunt Zuid-Willemsvaart 1997 opgenomen eis dat onderzoek gedaan diende te worden naar de mogelijkheid om de doorvaarthoogte te verhogen naar 7 meter om drielaagscontainervaart mogelijk te maken. In dit kader is verwezen naar het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, waarin dit als uitgangspunt voor de Zuid-Willemsvaart is opgenomen. Voorts is in de Richtlijn Vaarwegen 2005 vermeld dat de Zuid-Willemsvaart wordt aangemerkt als een hoofdvaarweg en dat volgens de Nota Mobiliteit, die het SVV-II vervangt, voor hoofdvaarwegen het uitgangspunt van een klasse IV-vaarweg en drielaagscontainervaart geldt. Verder is in de toelichting op het Tracébesluit vermeld dat de minimale doorvaarthoogte is gebaseerd op drielaagscontainervaart met een hoogte van 7 meter. Gelet op het vorenstaande is, anders dan [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen betogen, aan het Tracébesluit en de ten behoeve daarvan opgestelde Trajectnota/MER 2004 ten grondslag gelegd dat het Tracébesluit drielaagscontainervaart mogelijk moet maken. 2.11.
- Verder overweegt de Afdeling dat verschillende ombouwalternatieven in de Trajectnota's/MER 1996 en 2004 zijn bezien en bij het Tracébesluit zijn betrokken. Uit het deskundigenbericht volgt dat de ombouwalternatieven niet geschikt zijn voor drielaagscontainervaart en niet tot gevolg hebben dat de Zuid-Willemsvaart een volwaardige klasse IV-vaarweg wordt. Hierbij is in het deskundigenbericht betrokken dat het voorstel van [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep de vaste bruggen te vervangen door hefbruggen om daarmee het probleem van de doorvaarthoogte bij de ombouwalternatieven op te lossen, het voordeel van de belangrijke verkorting van de wachttijden teniet zal doen. Nog afgezien van de mogelijke overige inpassingsproblemen, waaronder de vervanging van Sluis Engelen dan wel het realiseren van een tweede sluis ter plaatse en de vervanging van de historische Sluis 0, heeft de staatssecretaris zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen nader onderzoek in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tracéwet gedaan hoefde te worden naar de geschiktheid van de ombouwalternatieven voor drielaagscontainervaart. Hierbij betrekt de Afdeling dat de staatssecretaris ter zitting onweersproken heeft gesteld dat indien een ombouwvariant met drielaagscontainervaart zou worden gerealiseerd, deze variant de eerste 10 jaren de verwachte groei van het scheepvaartverkeer kan verwerken, maar dat nadien de geringe breedte van het kanaal een beperking zal vormen voor deze groei. Aan het vorenstaande oordeel doet niet af dat volgens [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep vanaf 2007 verschillende besluiten zijn genomen ten behoeve van het autoluw maken van de binnenstad van 's-Hertogenbosch, nu, wat hier ook van zij, in de stukken en ter zitting onweersproken is gesteld dat met het totale pakket aan verkeersmaatregelen wordt gestreefd het verkeer met 10 procent te laten afnemen en derhalve nog altijd 90 procent van het huidige verkeer gebruik zal blijven maken van deze bruggen. Het betoog faalt. 2.11.
- Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de Trajectnota/MER 2004 ondeugdelijk is en derhalve niet aan het Tracébesluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Keuze regiovariant 2.
- [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen stellen dat bij de aanleg van de regiovariant nut en noodzaak ontbreken. In dit kader wordt aangevoerd dat volgens het CPB onzeker is of door de aanleg van de regiovariant de economische bedrijvigheid in de omgeving zal toenemen en of de verwachte extra groei van het scheepvaartverkeer na 2020 bij de aanleg van de regiovariant daadwerkelijk zal plaatsvinden. De Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] voeren voorts aan dat de staatssecretaris uitgaat van te optimistische prognoses nu voor de toename van het vervoersaanbod en het aantal scheepvaartbewegingen in de notitie "Prognose van het aantal schepen op de Zuid-Willemsvaart" van TNO van juni 2006 (hierna: de TNO-notitie) meer is geprognosticeerd dan in de Trajectnota/MER
- In dit kader wordt verder aangevoerd dat onvoldoende zekerheid bestaat over het realiseren van extra watergebonden bedrijvigheid langs het tracé. Daarnaast wordt aangevoerd dat de staatssecretaris niet had mogen kiezen voor de regiovariant omdat deze variant te duur is en sprake is van een sterk onevenwichtige kosten/baten-balans. In dit verband wordt voorts naar voren gebracht dat niet de huidige capaciteit van de Zuid-Willemsvaart in de weg staat aan een toename van het scheepvaartverkeer, maar Sluis Engelen. 2.12.
- De staatssecretaris stelt dat het geschikt maken van de Zuid-Willemsvaart tussen de Maas en Den Dungen als klasse IV-vaarweg en voor drielaagscontainervaart deel uitmaakt van het rijksbeleid. Hierdoor wordt het economisch kerngebied van Zuidoost-Brabant beter ontsloten voor vervoer over water en wordt bijgedragen aan de economische ontwikkeling van dit deel van Noord-Brabant. In dit kader wijst de staatssecretaris er op dat voldoende zeker is dat een 'nat bedrijventerrein' zal worden aangelegd, nu in de bestuursovereenkomst van 22 september 2006, die is gesloten tussen onder meer de Staat der Nederlanden, de provincie Noord-Brabant en de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de bestuursovereenkomst), de ontwikkeling hiervan is opgenomen. De bijdrage aan de economische ontwikkeling, het mogelijk maken van drielaagscontainervaart en het feit dat de regiovariant een groot bestuurlijk draagvlak heeft, zijn de voornaamste redenen voor de keuze voor deze variant, ondanks het feit dat deze variant duurder is en op korte en middellange termijn niet rendabel is. Voorts heeft de regiovariant onder meer positieve effecten op het centrum van 's-Hertogenbosch, de recreatie(vaart) en de bescherming tegen hoogwater. De staatssecretaris stelt verder dat de verbetervoorstellen van de Milieufederatie en anderen zijn onderzocht en dat is gemotiveerd waarom niet voor deze varianten is gekozen. 2.12.
- Het deel van de Zuid-Willemsvaart waarop het Tracébesluit ziet, maakt, zoals reeds is overwogen onder 2.11.3, onderdeel uit van een groter project, inhoudende het beter bevaarbaar maken van de Brabantse kanalen. Dit project vormt een uitwerking van het rijksbeleid, zoals onder meer neergelegd in het SVV-II en in de Nota Mobiliteit. In dit rijksbeleid is als doelstelling opgenomen om het wegvervoer te verschuiven naar alternatieven als vervoer over water, spoor en combinaties hiervan. Zoals reeds is overwogen onder 2.11.
- was in het SVV-II, dat gold ten tijde van het opstellen van de Trajectnota's/MER 1996 en 2004, vermeld dat hoofdvaarwegen - waartoe de Zuid-Willemsvaart sinds 1982 behoort - ten minste geschikt dienen te zijn voor klasse IV-schepen. Deze doelstelling is eveneens opgenomen in de Nota Mobiliteit, die gold ten tijde van het nemen van het Tracébesluit, en daaraan is in de Nota Mobiliteit toegevoegd dat hoofdvaarwegen bovendien geschikt dienen te zijn voor drielaagscontainervaart. In de Trajectnota/MER 1996 is vermeld dat de Zuid-Willemsvaart, voor zover het betreft het traject tussen de Maas en Den Dungen, voor het deel ten noorden van de Diezebrug te 's-Hertogenbosch kan worden aangemerkt als een beperkt klasse IV-vaarweg en voor het deel ten zuiden van deze brug als een beperkt klasse II-vaarweg. Met beperkt wordt in dit verband bedoeld dat voor de vaarweg een beperking in diepgang geldt. 2.12.
- In het rapport "Bereikbaarheid Zuidoost-Brabant over water" van de projectgroep BERZOB van april 2004 (hierna: de BERZOB-studie) staat dat de aanleg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart samen met enkele andere te realiseren projecten in Noord-Brabant tot gevolg zal hebben dat diverse kansrijke locaties/bedrijventerreinen beschikbaar zijn in de regio Zuidoost-Brabant voor Regionale Overslag Centra (hierna: ROC) en natte bedrijventerreinen. Voorts is hierin vermeld dat de betrokken gemeenten hier zeer positief tegenover staan en dat verschillende terreinen reeds met die bestemming in plannen zijn opgenomen. 2.12.
- In de TNO-notitie is, onder meer op basis van de uitkomsten van de BERZOB-studie, geconcludeerd dat in het nulalternatief het aantal passages in de beroepsvaart op het traject Maas-Veghel zal stijgen van ongeveer 5.000 in 2004 tot 9.400 in 2025 en bij het omleggingsalternatief met drielaagscontainervaart tot een aantal dat ligt tussen 11.900 en 13.
- Voorts zal volgens die notitie als gevolg van het inzetten van grotere schepen het vervoervolume zelfs drie keer zo hard toenemen als het aantal schepen. 2.12.
- Uit het Standpunt 2006 en het deskundigenbericht blijkt dat de kosten van de uitvoering van de regiovariant, exclusief engineeringskosten van Rijkswaterstaat en de realisering van de ecologische verbindingszone, worden geraamd op € 284 miljoen. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, een programma dat is opgenomen in de begroting van het Infrastructuurfonds, welk fonds onderdeel is van de rijksbegroting, is € 260 miljoen gereserveerd voor de realisering van de regiovariant. Voorts zal de regio € 24 miljoen bijdragen. Uit de Trajectnota/MER 2004 volgt dat de realisering van de basisvariant ombouw in totaal € 139 miljoen zou kosten. 2.12.
- Uit de TNO-notitie in samenhang bezien met de BERZOB-studie volgt dat bij de berekening van de toename van het scheepvaartverkeer en het vervoervolume is uitgegaan van de realisering van watergebonden bedrijvigheid langs het tracé. In dit verband is van belang dat in artikel 8 van de bestuursovereenkomst is bepaald dat de gemeenten 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel zich inspannen om, voor zover passend binnen hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, voor hun rekening er voor zorg te dragen dat binnen drie jaar na aanvang van de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de omlegging, de benodigde wijzigingen van de bestemmingsplannen voor toevoeging van natte bedrijvigheid aan het bedrijventerrein De Brand zijn vastgesteld. Er wordt volgens dit artikel naar gestreefd om de gehele infrastructurele inrichting (droge en natte infrastructuur inclusief kades) en de ontsluiting ten behoeve van het watergebonden bedrijventerrein voor de oplevering van de omlegging gerealiseerd te hebben. Daartoe zal in overleg tussen de gemeenten 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel een grenscorrectie plaatsvinden, aldus artikel
- Gelet op artikel 8 van de bestuursovereenkomst heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van watergebonden bedrijvigheid langs het tracé aannemelijk is en dat hiervan derhalve in de onder 2.12.
- bedoelde berekening mocht worden uitgegaan. Voorts is anders dan [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep, de Milieufederatie en anderen en [appellante sub 16] en anderen betogen, gelet op de overwegingen onder 2.12.
- en 2.12.4., wel onderzoek gedaan naar de verwachte toename van de economische bedrijvigheid en het scheepvaartverkeer na
- Uit de BERZOB-studie en de TNO-notitie volgt in dit verband dat bij de aanleg van de regiovariant, zoals vervat in het Tracébesluit, naar verwachting de economische bedrijvigheid in de regio Zuidoost-Brabant zal toenemen en dat sprake zal zijn van een toename van het aantal schepen en het vervoervolume. De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van nut en noodzaak bij de aanleg van de regiovariant. In het niet met een nader onderzoek onderbouwde standpunt van de Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] dat in de TNO-notitie is uitgegaan van te optimistische prognoses wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel, nu ter zitting is gebleken dat vanwege het tijdsverloop de prognoses uit de Trajectnota/MER 2004 in de TNO-notitie zijn bijgesteld en nu zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat niet van deze prognoses mocht worden uitgegaan. 2.12.
- De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de afweging van de voor- en nadelen van de verschillende onderzochte alternatieven. Bij de keuze voor de regiovariant heeft de staatssecretaris in redelijkheid als uitgangspunt kunnen hanteren dat de Zuid-Willemsvaart geschikt dient te zijn voor drielaagscontainervaart en behoefde de staatssecretaris in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de kosten van de verschillende varianten. In dit verband overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt van drielaagscontainervaart voortvloeit uit de Nota Mobiliteit en dat in hetgeen is aangevoerd geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit geval in afwijking hiervan dit uitgangspunt niet had mogen hanteren. Voorts is van belang dat de regiovariant volgens de staatssecretaris een bewuste strategische investering betreft in die zin dat de regiovariant tot in de verre toekomst de verwachte groei van het scheepvaartverkeer kan accommoderen en dat uit rechtsoverweging 2.12.
- volgt dat voldoende budget beschikbaar is voor de aanleg van de regiovariant. Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris, bij haar keuze voor een in het Tracébesluit uit te werken variant, in redelijkheid de ombouwalternatieven - die slechts tweelaagscontainervaart mogelijk maken - uit kunnen sluiten. Nu onder 2.11.
- reeds is overwogen dat naar een ombouwalternatief dat geschikt is voor drielaagscontainervaart geen nader onderzoek behoefde te worden gedaan, behoefde de staatssecretaris bij voornoemde keuze evenmin een dergelijke variant te betrekken. Wat betreft het standpunt van De Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] dat een omlegging ten oosten van Rosmalen nader had moeten worden onderzocht, overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een omlegging ten oosten van Rosmalen ruimtelijk een grotere en veelomvattende ingreep is en dat daarom deze mogelijkheid in het verleden reeds is afgevallen en niet is onderzocht in de Trajectnota's/MER 1996 en
- De door de Milieufederatie en anderen voorgestelde BMF-variant is niet in het kader van de inspraak op de Trajectnota/MER 1996 en 2004 naar voren gebracht, maar pas ten tijde van de inspraak op het OTB
- In dat stadium van de procedure kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond meer vormen voor het oordeel dat de staatssecretaris het Tracébesluit niet heeft mogen vaststellen. De bij een Tracébesluit behorende procedure brengt immers mee dat alternatieven in beginsel aan de orde dienen te komen in het kader van de Trajectnota/MER. Daarnaast geldt dat slechts indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het in het Tracébesluit vervatte tracé, de staatssecretaris het voorgedragen alternatief alsnog bij haar besluitvorming dient te betrekken en hiernaar nader onderzoek dient te verrichten. De staatssecretaris heeft in dit geval met betrekking tot de BMF-variant door Arcadis het rapport "Quick scan toekomstperspectief Zuid-Willemsvaart, N279 en Groene Ring" van 17 juni 2008 laten opstellen, en heeft zich onder verwijzing hiernaar in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieruit niet zodanige ernstige bezwaren tegen het Tracébesluit voortvloeien dat zij nader onderzoek naar dit alternatief zou moeten verrichten. Evenmin vloeien uit de andere door de Milieufederatie en anderen aangedragen alternatieven, de andere BMF-variant, en de variant waarin volgens hen en volgens de Bossche Milieugroep kan worden volstaan met het vergroten van de capaciteit van Sluis Engelen, zodanige ernstige bezwaren tegen het Tracébesluit voort dat de staatssecretaris deze alternatieven bij haar afweging had moeten betrekken en hiernaar nader onderzoek had moeten verrichten. Voor zover De Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] in hun nadere stuk van 11 december 2009 wijzen op de mogelijkheid van een omlegging ten westen van 's-Hertogenbosch overweegt de Afdeling dat zij dit voorstel na de vaststelling van het Tracébesluit hebben gedaan en dat reeds gelet daarop de staatssecretaris hierin geen aanleiding kon zien het Tracébesluit niet vast te stellen. 2.12.
- Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in hetgeen is aangevoerd omtrent een toename van het scheepvaartverkeer en het vervoervolume, de kosten van de regiovariant en de mogelijke alternatieven aanleiding had moeten zien niet de regiovariant maar een ombouwvariant dan wel een van de door de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen voorgestelde alternatieven in het Tracébesluit uit te werken. Streekplanbeleid 2.
- [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen stellen dat de in het Tracébesluit vervatte regiovariant in strijd is met het in het streekplan Noord-Brabant 2002, "Brabant in balans" (hierna: het streekplan), vervatte "nee, tenzij-principe", aangezien drie natuurgebieden die zijn opgenomen in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) worden doorsneden. De aanleg van de regiovariant in de EHS is volgens hen niet mogelijk, nu daarvoor alternatieven bestaan, zoals de ombouwalternatieven, en met de aanleg hiervan geen zwaarwegend maatschappelijk belang is gediend. 2.13.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de ombouwalternatieven niet kunnen worden aangemerkt als alternatieven in de zin van het streekplan, nu de huidige Zuid-Willemsvaart eveneens in de groene hoofdstructuur (hierna: GHS) ligt. Voorts zal de aantasting van de GHS volgens de staatssecretaris worden gecompenseerd en zullen mitigerende maatregelen worden getroffen. 2.13.
- In de toelichting op het Tracébesluit is vermeld dat het toetsingskader van het Tracébesluit onder meer wordt bepaald door het streekplan. De staatssecretaris heeft derhalve bewust het provinciale beleid zoals verwoord in het streekplan tot het hare gemaakt. Uit het streekplan volgt dat de regiovariant drie natuurgebieden doorkruist die zijn aangewezen als EHS, nader uitgewerkt in de GHS. Volgens het streekplan geldt derhalve voor dit Tracébesluit het "nee, tenzij-principe". Dit principe komt er op neer dat een aantasting van de GHS alleen toelaatbaar is als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. Onder zwaarwegende maatschappelijke belangen worden volgens het streekplan in ieder geval verstaan openbare belangen. Hieronder vallen onder meer belangen die worden gediend met de aanleg van (inter)nationale, provinciale en regionale infrastructuur, als nut en noodzaak daarvan zijn komen vast te staan, aldus het streekplan. 2.13.
- Uit het streekplan volgt dat het huidige tracé van de Zuid-Willemsvaart en de daarbij behorende taluds in het centrum van 's-Hertogenbosch en ter hoogte van Poeldonk en Meerse Plas deel uitmaken van de GHS. Nu het realiseren van een ombouwvariant derhalve eveneens zou leiden tot een aantasting van de GHS, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ombouwvarianten niet kunnen worden aangemerkt als een alternatief in de zin van voornoemd streekplanbeleid. Dat volgens [appellant sub 8], [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen de natuurwaarden van de GHS ter plaatse van het huidige tracé van de Zuid-Willemsvaart beperkt dan wel afwezig zijn en dat derhalve de ombouwvarianten, anders dan de regiovariant, geen groot negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de GHS, doet hieraan niet af. Immers, uit het voornoemde streekplanbeleid volgt dat alleen indien een alternatief bestaat dat buiten de GHS ligt sprake zou zijn van een relevante andere situatie. In het streekplan worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestaan van een alternatief dat een minder grote aantasting van de GHS tot gevolg heeft, betekent dat niet meer zou kunnen worden voldaan aan het "nee, tenzij-principe". Hierbij betrekt de Afdeling dat, anders dan [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen veronderstellen, het in het provinciale beleid opgenomen uitgangspunt dat enig functieverlies geen reden kan zijn om het alternatief als niet-realistisch aan te merken, blijkens dat beleid, geen betrekking heeft op alternatieven binnen de GHS, maar op alternatieven daarbuiten. Nu de ombouwalternatieven binnen de GHS liggen, is dit uitgangspunt in dit geval dan ook niet van toepassing. Verder overweegt de Afdeling dat nu de door de Milieufederatie en anderen en de Bossche Milieugroep aangedragen varianten eveneens binnen de GHS liggen, deze varianten evenmin kunnen worden aangemerkt als alternatieven in de zin van het voornoemde streekplanbeleid. Wat betreft de door De Empelse Polder, [appellant sub 17] en [appellanten sub 19] genoemde mogelijkheid van omlegging van de Zuid-Willemsvaart ten westen van 's-Hertogenbosch overweegt de Afdeling dat zij deze mogelijkheid niet concreet hebben gemaakt door een exacte locatie aan te wijzen en dat niet is gebleken dat een dergelijk alternatief buiten de GHS kan worden gerealiseerd. 2.13.
- Nu de aanleg van de Zuid-Willemsvaart kan worden aangemerkt als de aanleg van regionale infrastructuur en onder 2.12.
- reeds is overwogen dat sprake is van nut en noodzaak bij de realisering van de regiovariant, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen. 2.13.
- Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het Tracébesluit niet voldoet aan het "nee, tenzij-principe". Natuurcompensatie 2.
- De Milieufederatie en anderen voeren aan dat onjuiste locaties zijn aangewezen waarbinnen de natuurcompensatie zal plaatsvinden. Voorts zal volgens hen de ontsluiting voor de recreatievaart naar de Maas een aantasting van de natuurwaarden ter plaatse tot gevolg hebben en is het landschaps- en natuurcompensatieplan onduidelijk en ten onrechte niet bindend. 2.14.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat overeenkomstig de vaste praktijk bij het nemen van tracébesluiten, zoekgebieden voor natuurcompensatie zijn vastgesteld en dat deze zoekgebieden zijn bepaald conform de uitgangspunten uit de beleidsregel "Beleidsregel Tracéwet en natuurcompensatie" en de provinciale beleidsregel "Beleidsregel natuurcompensatie". De staatssecretaris stelt zich voorts op het standpunt dat de aantasting van natuur als gevolg van de te realiseren ontsluiting voor de recreatievaart beperkt blijft, omdat de monding zoveel mogelijk naar het oosten is gelegd en omdat de aanleg van de nieuwe monding wordt gecompenseerd door het dichten van de bestaande monding van de Koornwaardplas, aldus de staatssecretaris. 2.14.
- In 2.9.
- is reeds overwogen dat ingevolge de Tracéwet onder tracé onder meer wordt verstaan bijkomende infrastructurele voorzieningen en maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard. In de ministeriële beleidsregel "Beleidsregel Tracéwet en natuurcompensatie", die is opgesteld ten behoeve van een uniforme aanpak, is vermeld dat compenserende maatregelen die niet aan het werk worden getroffen niet in het Tracébesluit zelf dienen te worden vastgesteld, maar op grond van de Tracéwet nauwkeurig moeten worden beschreven. Deze beschrijving kan onder meer vorm krijgen in een bij de toelichting op het Tracébesluit te voegen compensatieplan. 2.14.
- Ingevolge de artikelen 7 en 8 van het Tracébesluit worden ter voorkoming en beperking van negatieve effecten op landschappelijke waarden en natuurwaarden verschillende mitigerende maatregelen getroffen. Daarnaast worden ingevolge die artikelen compenserende maatregelen getroffen. In artikel 7 is voorts exact bepaald waar welke mitigerende maatregelen zullen worden getroffen. In artikel 8 is bepaald dat in totaal 17,8 hectare moet worden gecompenseerd en dat natuurcompensatie zal worden gerealiseerd binnen de drie gedefinieerde zoekgebieden. In de toelichting op het Tracébesluit staat dat in het rapport "Landschaps- en natuurcompensatieplan, bij TB Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen" van Rijkswaterstaat Noord-Brabant van mei 2008 (hierna: het landschaps- en natuurcompensatieplan) wordt ingegaan op de compenserende maatregelen die zullen worden getroffen. In het landschaps- en natuurcompensatieplan is bepaald door wie en op welke wijze de verstoorde waarden moeten worden gecompenseerd. 2.14.
- In het deskundigenbericht staat dat de zoekgebieden een ruime begrenzing hebben, waarbinnen de natuurcompensatie kan plaatsvinden. De aanduiding "zoekgebied" wordt gehanteerd omdat grondverwerving in principe op minnelijke wijze plaatsvindt. De zoekgebieden zijn in totaal ongeveer 400 hectare groot en uit artikel 8 van het Tracébesluit volgt dat daarvan 17,8 hectare daadwerkelijk dient te worden aangewend voor natuurcompensatie. In dit verband heeft de staatssecretaris ter zitting gesteld dat reeds 18,4 hectare grond is verworven ten behoeve van de natuurcompensatie. Voorts volgt uit de toelichting op het Tracébesluit dat bij het bepalen van de zoekgebieden onder meer een rol heeft gespeeld dat de abiotische omstandigheden van de zoekgebieden geschikt moeten zijn dan wel geschikt moeten kunnen worden gemaakt om de te compenseren natuurdoeltypen te realiseren. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat in het Tracébesluit onjuiste zoekgebieden zijn aangewezen en onvoldoende is verzekerd dat volledige natuurcompensatie zal plaatsvinden. Voorts is de compensatie met artikel 8 van het Tracébesluit voldoende geborgd en bestaat er, anders dan de Milieufederatie en anderen veronderstellen, geen verplichting om een bindend natuur- en compensatieplan op te stellen. Overigens hebben de betrokken overheden een overeenkomst ondertekend waarin is opgenomen dat de compensatie daadwerkelijk zal plaatsvinden. In het niet nader onderbouwde standpunt van de Milieufederatie en anderen wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat het landschaps- en natuurcompensatieplan onduidelijk is. De betogen falen. Waterhuishouding 2.
- [appellant sub 8] en [appellante sub 13] stellen in beroep dat het Tracébesluit, onder meer in samenhang bezien met de aanleg van de Rosmalense Aa en het project "Dynamisch Beekdal", een onaanvaardbare vernatting van hun gronden tot gevolg zal hebben. 2.15.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat zich als gevolg van het Tracébesluit, waarin tevens het treffen van enkele lokale maatregelen zoals het aanleggen van bermsloten is opgenomen, geen ernstige waterhuishoudkundige gevolgen zullen voordoen. Ten aanzien van het project "Dynamisch Beekdal" en de aanleg van de Rosmalense Aa en de waterhuishoudkundige gevolgen hiervan stelt zij zich op het standpunt dat deze in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen. Ter zitting heeft zij er in dit verband op gewezen dat door middel van grondwater-gestuurd peilbeheer de stijging van de grondwaterstand zodanig kan worden gestuurd dat negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Voorts zal volgens de staatssecretaris een monitoring van de grondwater- en oppervlaktewaterstanden plaatsvinden. 2.15.
- In de toelichting op het Tracébesluit staat dat de aanleg van de Rosmalense Aa geen onderdeel uitmaakt van het Tracébesluit. Deze maatregel is onderdeel van de ecologische verbindingszone die door de gemeente 's-Hertogenbosch gerealiseerd zal worden. Omdat de ecologische verbindingszone voorwaardelijk aan de omlegging van de Zuid-Willemsvaart is verbonden, zijn hierover in de vorm van een convenant bij het Tracébesluit afspraken gemaakt met de gemeente 's-Hertogenbosch. Daarmee wordt de mitigerende werking die van de Rosmalense Aa uitgaat gewaarborgd, aldus de toelichting. Uit de overeenkomst "Omlegging Kanaal Zuid-Willemsvaart 's-Hertogenbosch" uit 2007 volgt dat de Staat, de provincie Noord-Brabant, het waterschap Aa en Maas en de gemeenten Sint-Michielsgestel en 's-Hertogenbosch onder meer zijn overeengekomen dat samenhangend met de omlegging van de Zuid-Willemsvaart een ecologische verbindingszone zal worden aangelegd met daarin de Rosmalense Aa van 10 meter breed en dat de gemeente 's-Hertogenbosch ten behoeve hiervan een bestemmingsplanherziening zal opstarten. 2.15.
- De Afdeling stelt vast dat ten behoeve van het project "Dynamisch Beekdal" reeds voor het vaststellen van het Tracébesluit meerdere besluiten zijn genomen. Nu ten aanzien van dit project ten tijde van het vaststellen van het Tracébesluit derhalve concrete besluitvorming had plaatsgevonden, moeten de gevolgen hiervan in samenhang met de gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart worden bezien. Voorts is van belang dat de staatssecretaris gedurende de gehele procedure is uitgegaan van de onlosmakelijke samenhang van de aanleg van de Rosmalense Aa met de aanleg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart en dat de Staat in dit verband met onder meer de gemeente 's-Hertogenbosch een overeenkomst heeft gesloten waarin is overeengekomen dat ten behoeve hiervan een bestemmingsplan zal worden opgesteld dat voorziet in de aanleg van de Rosmalense Aa. Hoewel ten aanzien van de Rosmalense Aa ten tijde van de vaststelling van het Tracébesluit dergelijke besluitvorming nog niet had plaatsgevonden, is de Afdeling onder deze omstandigheden van oordeel dat ook de waterhuishoudkundige gevolgen van de Rosmalense Aa in samenhang met de gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart moeten worden bezien. Uit het deskundigenbericht in samenhang bezien met de rapporten "Hydrologisch onderzoek ten behoeve van A-MER Zuid-Willemsvaart" en "Actualisering hydrologische effecten aanleg Zuid-Willemsvaart" van Royal Haskoning van 26 september 2002 en 16 januari 2007 volgt dat de grondwaterstand bij de aanleg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart met de realisering van het project "Dynamisch Beekdal" en de aanleg van de Rosmalense Aa aanzienlijk kan stijgen en dat deze grotere grondwaterstijging zich in dat geval in een aanzienlijk groter gebied zal voordoen dan in de situatie waarbij uitsluitend de omlegging van de Zuid-Willemsvaart wordt aangelegd. Bij de vaststelling van het Tracébesluit heeft de staatssecretaris echter uitsluitend de waterhuishoudkundige gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart in de belangenafweging betrokken. Het valt derhalve niet uit te sluiten dat als gevolg hiervan aan de belangen van [appellant sub 8] en [appellante sub 13] onvoldoende gewicht is toegekend. In dit kader is van belang dat in de notitie "Bevindingen hydrologisch veldbezoek landgoed Wamberg en omgeving" van Royal Haskoning van 3 juni 2009, dat is opgesteld naar aanleiding van het deskundigenbericht, expliciet is vermeld dat de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, de aanleg van de Rosmalense Aa en het project "Dynamisch Beekdal" drie afzonderlijke projecten zijn en in dit verband sec wordt gekeken naar de aanleg van de Zuid-Willemsvaart en de effecten daarvan. Het vorenstaande klemt te meer nu de door de staatssecretaris bedoelde monitoring van de waterhuishoudkundige gevolgen op geen enkele wijze is verzekerd en niet inzichtelijk is of bij aanzienlijk hogere grondwaterstanden in een groter gebied ernstige vernatting afdoende kan worden tegengegaan, bijvoorbeeld met het door de staatssecretaris bedoelde grondwater-gestuurd peilbeheer. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] en [appellante sub 13] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat, vanwege het ontbreken van toereikend onderzoek, het Tracébesluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Flora- en faunawet 2.
- [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen voeren aan dat het bepaalde in de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), in verband met de aanwezigheid van de das en de watervleermuis in en rondom de gronden waarop het Tracébesluit betrekking heeft, in de weg zal staan aan de uitvoerbaarheid van het Tracébesluit. 2.16.
- De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het Tracébesluit in de weg zal staan. 2.16.
- De vraag of voor de uitvoering van het Tracébesluit een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een mogelijke procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de staatssecretaris het Tracébesluit niet had mogen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan het Tracébesluit in de weg staat. 2.16.
- De das en de watervleermuis zijn beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in artikel 4 van de Ffw. Voorts is de watervleermuis een soort als genoemd in bijlage IV van de richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) (hierna: de Habitatrichtlijn). Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, vijfde lid, van de Ffw wordt, voor zover hier van belang, vrijstellingen en ontheffingen van voornoemde verboden slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ingevolge artikel 75, zesde lid, van de Ffw worden, voor zover thans van belang, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op in dit zesde lid en in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten genoemde belangen. In dit besluit worden onder meer genoemd; dwingende redenen van groot openbaar belang - met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten - en de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. 2.16.
- Wat betreft het standpunt van [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen dat vanwege de aanwezigheid van de ombouwalternatieven niet wordt voldaan aan de Ffw, overweegt de Afdeling dat reeds onder 2.12.
- is overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid de ombouwalternatieven heeft kunnen uitsluiten bij haar keuze voor de in het Tracébesluit uit te werken variant. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de ombouwalternatieven moeten worden aangemerkt als andere bevredigende oplossing als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw. 2.16.
- Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen betogen, een zorgvuldige toets aan de Ffw wat betreft de watervleermuis in het Tracébesluit ontbreekt nu uit de toelichting op het Tracébesluit volgt dat door het treffen van maatregelen tegen het mogelijke effect van lichtverstoring, geen afbreuk zal worden gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de watervleermuis. In hetgeen zij hebben aangevoerd wordt derhalve geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris had moeten inzien dat voor de uitvoering van het Tracébesluit vanwege de aanwezigheid van de watervleermuis geen ontheffing op grond van de Ffw zal worden verleend. 2.16.
- In artikel 8 van het Tracébesluit staat dat als gevolg van het Tracébesluit sprake zal zijn van permanent verstoorde delen van het leefgebied van de das. In de toelichting op het Tracébesluit staat voorts dat de dassenpopulatie op het landgoed De Wamberg van regionaal belang is. Volgens deze toelichting, waarin onder meer, voor zover hier van belang, is verwezen naar drie gelijknamige rapporten van Bureau Waardenburg "Monitoring beschermde soorten in het omleggingstracé van de Zuid-Willemsvaart (omgeving 's-Hertogenbosch)" van 25 januari 2004, 11 november 2005 en 12 december 2007, is ondanks de mitigerende maatregelen sprake van permanente negatieve effecten op het leefgebied van de das. In dit verband wordt gewezen op het verlies van leefgebied door ruimtebeslag en versnippering en het feit dat de landbouwgrond met landschapselementen die verloren gaat, een belangrijk onderdeel van het leefgebied is, omdat de hoofdburcht in de nabijheid is gelegen. Daarnaast speelt ook het effect van verstoring als gevolg van de relatief korte afstand tussen de hoofdburcht en de nieuwe vaarweg. Met name tijdens de uitvoering kan sprake zijn van verstoring door werkzaamheden. Het risico is daarbij aanwezig dat de dassenburcht verlaten zal worden, vermoedelijk ten faveure van een locatie oostelijker op het landgoed, aldus de toelichting. In de toelichting is voorts vermeld dat de uitvoering van de ecologische verbindingszone Rosmalense Aa en het project "Dynamisch Beekdal" extra negatieve effecten zal hebben op het leefgebied van de das. In het deskundigenbericht is er in dit verband nog op gewezen dat de voorziene stijging van de grondwaterstand in met name het deelgebied Kloosterkampen, dat behoort tot het landgoed De Wamberg, kan leiden tot een aantasting van het leefgebied van de das door vermindering van het voedselaanbod. In verband met het vorenstaande is in de toelichting voorts vermeld dat ten behoeve van de ontheffing van de Ffw alle plannen in het gebied integraal op hun effecten op de das moeten worden beoordeeld om tot een juiste set van maatregelen te komen. 2.16.
- In artikel 8 van het Tracébesluit is vermeld dat maatregelen worden getroffen ten behoeve van de compensatie van 30,1 hectare vernietigde en permanent verstoorde delen van het leefgebied van de das. De compensatie wordt gerealiseerd door aanleg van met name kleine landschapselementen in het agrarisch gebied en waar nodig technische voorzieningen aan wegen, watergangen en het kanaal. Naast versterking van het huidige leefgebied wordt daarbij ook ingezet op het realiseren van verbindingszones naar de omringende dassenleefgebieden de Pettelaer en de Hooge Heide/Heeswijkse bossen. Gelet op deze te nemen maatregelen bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid had moeten aannemen dat de permanente aantasting van het leefgebied van de das door ruimtebeslag en versnippering in de weg zal staan aan het verlenen van een ontheffing op grond van de Ffw. Ten tijde van de vaststelling van het Tracébesluit was echter geen onderzoek gedaan naar mogelijke maatregelen waarmee de verstoring van de das door de aanlegwerkzaamheden van de Zuid-Willemsvaart en de Rosmalense Aa op relatief korte afstand van de hoofdburcht kan worden gecompenseerd. Evenmin was onderzocht in hoeverre maatregelen kunnen worden getroffen om de negatieve effecten op de das die samenhangen met de stijging van de grondwaterstand als gevolg van de aanleg van de regiovariant, bezien in samenhang met de aanleg van de Rosmalense Aa en het project "Dynamisch Beekdal, te compenseren. Gelet hierop wordt in hetgeen [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep en de Milieufederatie en anderen hebben aangevoerd aanleiding gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich, nu een toereikend onderzoek ontbreekt, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan het Tracébesluit in de weg staat. Luchtkwaliteit 2.
- De Milieufederatie en anderen stellen dat onvoldoende is onderzocht of na de aanleg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep wijzen er in dit verband op dat niet is gebleken dat het Tracébesluit zal leiden tot een vermindering van de uitstoot van stoffen die luchtvervuiling tot gevolg hebben. In dit verband stellen de Milieufederatie en anderen, [appellant sub 3] en de Bossche Milieugroep dat de emissies bij de binnenvaart minder zijn afgenomen dan bij het wegverkeer. Daarnaast is volgens [appellanten sub 19] bij het luchtkwaliteitonderzoek het verkeer over het spoor ten onrechte niet meegerekend. 2.17.
- De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het Tracébesluit deugdelijk zijn onderzocht en dat wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit
- 2.17.
- Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Bij de Wet van 11 oktober 2007 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Uit het overgangsrecht van de Wet van 11 oktober 2007 volgt dat deze wet van toepassing is op de bestreden besluiten omdat deze zijn genomen na inwerkingtreding van deze wet. Aangezien in het Tracébesluit het Besluit luchtkwaliteit 2005 als toetsingskader is gehanteerd, is het Tracébesluit in zoverre in strijd met artikel V van de Wet van 11 oktober
- Reeds hierom slaagt het betoog van [appellant sub 3], de Bossche Milieugroep, de Milieufederatie en anderen en [appellanten sub 19] inzake de luchtkwaliteit. Wet geluidhinder 2.
- [appellanten sub 19] betogen dat in strijd met artikel 15, tweede lid, van de Tracéwet de besluiten tot vaststelling van hogere waarden voor de toelaatbare geluidbelasting geen onderdeel zijn van het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen 2009". 2.18.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het Tracébesluit niet voorziet in wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Tracéwet, en stelt dat sprake is van de aanleg van een hoofdvaarweg. Daarom is niet vereist dat beslissingen tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden worden opgenomen in het Tracébesluit, aldus de staatssecretaris. 2.18.
- Het Tracébesluit voorziet in de omlegging van de hoofdvaarweg Zuid-Willemsvaart. Om die reden is de Tracéwet van toepassing. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Tracéwet, voor zover thans van belang, maakt een beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting in zones ingevolge de artikelen 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een Tracébesluit, deel uit van het Tracébesluit. De artikelen 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder maken deel uit van afdeling 2 van hoofdstuk VII van de Wet geluidhinder, welke afdeling ziet op de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg in de zin van artikel 2 van de Tracéwet. Ingevolge artikel 2, aanhef en eerste lid, van de Tracéwet, voor zover thans van belang, is deze wet van toepassing op een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee onze Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren. 2.18.
- De omlegging van de Zuid-Willemsvaart noodzaakt tot verhoging van de spoorweg tussen 's-Hertogenbosch en Nijmegen ter plaatse van de kruising met het nieuwe tracé van de Zuid-Willemsvaart. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een wijziging van een spoorweg waarmee wordt beoogd de bruikbaarheid daarvan te verbeteren, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en eerste lid, van de Tracéwet. De artikelen 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder zijn dan ook niet van toepassing. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval beslissingen tot vaststelling van hogere waarden die verband houden met de verhoging van de spoorweg geen deel behoeven uit te maken van het Tracébesluit. 2.
- [appellanten sub 19] betogen dat het akoestisch rapport van 20 mei 2009 onvoldoende controleerbaar is, omdat niet is vast te stellen of de gehanteerde uitgangspunten correct zijn doorgevoerd in het gebruikte rekenmodel en omdat het rapport onvoldoende gegevens bevat met betrekking tot cumulatie van geluid. 2.19.
- Onder meer vanwege geconstateerde tekortkomingen in het onderzoek naar de geluidbelasting van de spoorlijn, is op dit punt nieuw onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn onder meer neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek OTB Zuid-Willemsvaart, Bij OTB Zuid-Willemsvaart Maas - Den Dungen - 2009" van Grontmij van 20 mei
- De resultaten zijn betrokken bij het besluit van 28 mei 2009, waarbij het Tracébesluit op onderdelen is gewijzigd. In hoofdstuk 2 van het akoestisch onderzoek van 20 mei 2009 zijn de bij het onderzoek gehanteerde uitgangspunten beschreven. Geen aanwijzingen bestaan voor het oordeel dat deze uitgangspunten verkeerd in het gebruikte rekenmodel zijn verwerkt. Bijlage 5 bij het rapport bevat de rekenresultaten van het verrichte onderzoek, waarbij ook de cumulatieve waarden staan vermeld. Hetgeen [appellanten sub 19] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport onvoldoende inzicht biedt in de wijze waarop tot de in het rapport opgenomen resultaten is gekomen. 2.
- [appellanten sub 19] voeren aan dat het gehanteerde normbedrag dat is gebruikt bij toetsing aan het zogenoemde schermcriterium dateert van 1 januari 2007, zodat het inmiddels door prijscorrecties niet meer als representatief kan worden beschouwd. 2.20.
- De doelmatigheid van schermplaatsing is beoordeeld aan de hand van een toetsingskader waarbij onder meer aan de hand van standaardvergoedingen voor iedere situatie waar de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, een kosten/batenanalyse wordt opgesteld voor het wel of niet plaatsen van een geluidscherm: het zogenoemde schermcriterium. [appellanten sub 19] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde normbedrag zodanig verouderd is dat redelijkerwijs niet van dit bedrag kon worden uitgegaan. 2.
- [appellanten sub 19] en [appellant sub 22] stellen in beroep dat in de toelichting van het besluit van 28 mei 2009 ten onrechte staat dat bij het baanvak van de spoorverbinding 's-Hertogenbosch-Nijmegen een complicerende factor was dat de vervoersprognose niet tijdig beschikbaar was en dat aangesloten is bij geluidproductieplafonds die naar verwachting landelijk zullen gaan gelden. Zij vrezen dat als gevolg van het gebruiken van een ongefundeerde prognose sprake is van een onderschatting van de geluidbelasting. 2.21.
- [appellant sub 22] woont aan de [locatie 5] in [plaats], nabij de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen en de omlegging van de Zuid-Willemsvaart. In het voormelde besluit van 28 mei 2009 is voorzien in geluidschermen aan de noordzijde en zuidzijde van dit spoor. Uit het vermelde op pagina 7 van de toelichting op dat besluit volgt dat in het akoestisch onderzoek ten behoeve van het Tracébesluit van 3 juli 2008 voor voormelde spoorverbinding gebruik is gemaakt van het akoestische spoorboekje (ASWIN 2007). Daarin bleek evenwel geen rekening te zijn gehouden met goederenvervoer op deze lijn. Het Tracébesluit dat mede op dat akoestische onderzoek is gebaseerd dient derhalve te worden hersteld, aldus de toelichting. Een complicerende factor hierbij was dat een vervoerprognose voor dit specifieke baanvak niet tijdig beschikbaar is. Er is daarom gekozen om, wat vervoerprognose betreft, aan te sluiten bij de zogenoemde geluidproductieplafonds die naar verwachting in de toekomst landelijk zullen gaan gelden. Als geluidproductieplafond zal worden gehanteerd de heersende waarde (naar verwachting 2007) plus 1,5 dB. Gelet op de te verwachten invoering van de geluidproductieplafonds zullen de geluidbelastingen op de woningen ten gevolge van treinverkeer op dit baanvak naar verwachting niet hoger worden dan de vast te stellen hogere waarden, zo staat in de toelichting. 2.21.
- In het akoestisch onderzoek van 20 mei 2009 van het onderzoeksbureau "Grontmij" staat dat voor de gegevens van het spoor gebruik is gemaakt van het akoestische spoorboekje ASWIN, versie 2008, van Deltarail voor traject
- De hierin opgenomen planjaren zijn 1987 en
- Voor de toekomstige situatie heeft Prorail daartoe per brief van 10 november 2008 informatie geleverd. 2.21.
- Voor zover wordt betoogd dat het akoestische onderzoek van 20 mei 2009 ondeugdelijk is omdat hierin is uitgegaan van een te lage vervoersprognose op voormeld baanvak en dat derhalve de geluidbelasting wordt onderschat, wordt overwogen dat juist ter voorkoming van een onderschatting van de geluidbelasting ter plaatse gebruik is gemaakt van de meest recente beschikbare gegevens ten aanzien van goederenvervoer op dit baanvak. Dat op korte termijn een nieuwe vervoerprognose kan worden verwacht, brengt niet reeds met zich dat de gehanteerde gegevens niet als representatief kunnen worden beschouwd. [appellanten sub 19] en [appellant sub 22] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het akoestische onderzoek van 20 mei 2009 gebruikte vervoersprognose zodanig afwijkt van het te verwachten goederenvervoer op dit baanvak dat als gevolg hiervan de staatssecretaris zich niet op dit akoestisch onderzoek heeft mogen baseren. Het betoog faalt. 2.
- [appellante sub 11] en anderen betogen dat bij het verrichte akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het kantoorpand aan de [locatie 6] op korte termijn een woonfunctie zal krijgen. 2.22.
- Tussen partijen is niet in geschil dat het pand van [appellante sub 11] en anderen geen woonbestemming heeft. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het pand in zoverre niet behoefde te worden betrokken bij het akoestisch onderzoek. Het betoog faalt. 2.
- [appellant sub 7] betoogt dat bij het onderzoek naar de geluidbelasting op de gevel van de bovenwoning aan de [locatie 2] ten onrechte ervan is uitgegaan dat op de nabijgelegen spoorlijn in de toekomst van stiller materiaal gebruik zal worden gemaakt. 2.23.
- Volgens de staatssecretaris zijn de berekeningen van de geluidbelasting op de bovenwoning aan de Burgemeester Mazairaclaan mede gebaseerd op het ASWIN 2007, waarin is uitgegaan van het gebruik van stiller materieel in de toekomst. Aannemelijk is dat dit uitgangspunt overeenstemt met de verwachte ontwikkelingen op dit gebied. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat terecht is uitgegaan van een lagere geluidbelasting vanwege het spoor. Het beroep van de Fietsersbond 2.
- De Fietsersbond stelt dat ten onrechte twee belangrijke fietsverbindingen langs de N279 en de Oude Bosschebaan verdwijnen en dat er maar één fietsverbinding voor terugkomt, hetgeen in strijd is met het rijksbeleid, zoals vervat in de Nota Mobiliteit. Met betrekking tot de vervangende fietsverbinding over de Brug Beusingsedijk wijst de Fietsersbond er op dat de bijbehorende omrijfactor van 1,2 volgens bestaande inzichten, zoals onder meer verwoord in de CROW-publicatie 230 "Ontwerpwijzer fietsverkeer", onacceptabel is en dat de route van mindere kwaliteit en onveiliger is. Volgens de Fietsersbond dient verder bij voorkeur een vaste fietsverbinding nabij de Runweg in Berlicum gerealiseerd te worden, maar vormt een fietsverbinding gebundeld met de brug N279 hiervoor een goed alternatief. Wat betreft de na de omlegging van de Zuid-Willemsvaart doodlopende Oude Bosschebaan stelt de Fietsersbond voor vanaf dat punt de onderhoudsweg tot de Sluis Berlicum open te stellen voor fietsers. 2.24.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de Nota Mobiliteit. In dit kader wijst zij er op dat de fietsverbindingen weliswaar zullen veranderen, maar niet verdwijnen. Bovendien is de omrijfactor geen statisch gegeven en zal uit het oogpunt van verkeersveiligheid nabij de Beusingsedijk een vrijliggend fietspad worden aangelegd. Verder stelt zij zich op het standpunt dat het realiseren van een fietsroute langs de N279, gelet op de mogelijke verbreding van deze weg, niet wenselijk is. Wat betreft de realisering van een overgang nabij de Runweg wijst de staatssecretaris er op dat de desbetreffende gronden ver buiten het plangebied liggen en derhalve niet in het onderhavige besluit kunnen worden opgenomen. Voorts stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de openstelling van de onderhoudsweg onwenselijk is, omdat ter plaatse een ecologische verbindingszone is voorzien. 2.24.
- In de Nota Mobiliteit staat dat alle beheerders van wegen, spoorwegen en vaarwegen bij de aanleg en aanpassing van de infrastructuur (mede)verantwoordelijkheid hebben voor het zo veel mogelijk in stand houden en verbeteren van kruisende routes voor fiets- en wandelverkeer. Uit de toelichting op het Tracébesluit volgt dat de twee fietsverbindingen over de Zuid-Willemsvaart, langs de N279 en in aansluiting op de Oude Bosschebaan, zullen verdwijnen en dat hiervoor in de plaats een fietsverbinding over de Brug Beusingsedijk zal worden gerealiseerd. Daarnaast zal de realisering van Sluis Empel gepaard gaan met de aanleg van een fietspad zodat de fietsverbinding via de Kloosterstraat blijft bestaan. Hoewel de Fietsersbond gelet hierop terecht stelt dat het aantal fietsverbindingen over een afstand van ongeveer 2,3 kilometer afneemt van drie verbindingen naar twee verbindingen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan de Nota Mobiliteit, in het bijzonder aan de voorwaarde dat de kruisende routes voor fietsverkeer zo veel mogelijk in stand worden gelaten en verbeterd. Hierbij betrekt de Afdeling dat de fietsverbindingen die door de aanleg van het kanaal worden onderbroken, zullen worden hersteld zodat het na uitvoering van het Tracébesluit mogelijk blijft om per fiets alle mogelijke bestemmingen te bereiken. Verder overweegt de Afdeling in dit verband dat, anders dan de Fietsersbond veronderstelt, uit de Nota Mobiliteit niet volgt dat iedere verandering van de kruisende routes voor fiets- en wandelverkeer gepaard dient te gaan met een verbetering van deze routes. Het betoog faalt. 2.24.
- In het deskundigenbericht staat voorts dat met de omrijfactor de verhouding wordt aangegeven tussen de kortste afstand over de weg en de afstand hemelsbreed. Omdat uit de zogenoemde CROW-publicatie 230, "Ontwerpwijzer fietsverkeer", volgt dat een omrijfactor van 1,2 geen aanbeveling van CROW betreft, maar enkel in de praktijk als uitgangspunt wordt gehanteerd en nu is gebleken dat deze factor in de praktijk niet eenvoudig te halen is, hoefde de staatssecretaris aan het feit dat in dit geval bij een beschouwde afstand van minder dan 5 kilometer niet wordt voldaan aan deze omrijfactor, wat daar ook van zij, geen groot gewicht toe te kennen. In het feit dat de route volgens de Fietsersbond verkort kan worden door het openstellen van de onderhoudsweg tussen de Oude Bosschebaan en de Sluis Berlicum, hoefde de staatssecretaris evenmin aanleiding te zien een groter gewicht toe te kennen aan de aanbevolen omrijfactor omdat door het openstellen van deze route de voorziene ecologische verbindingszone zou worden verstoord. Dat volgens de Fietsersbond de fietsroute zodanig zou kunnen worden ingepast dat de verstoring wordt beperkt, doet hieraan niet af nu de staatssecretaris zich in dit verband ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat ter plaatse een plas-dras-oever zal worden gerealiseerd die in de weg staat aan recreatief medegebruik. Wat betreft de door de Fietsersbond gestelde achteruitgang van de kwaliteit van de fietsroutes door de realisering van verschillende bochten en hoogteverschillen, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de kwaliteit van de fietsroutes zodanig verslechtert dat de staatssecretaris daaraan een doorslaggevend gewicht diende toe te kennen. Verder is in de toelichting op het Tracébesluit naar aanleiding van de zienswijze van de Fietsersbond met betrekking tot de verkeersonveiligheid, aangegeven dat nabij de Beusingsedijk een parallelweg en een fietspad zullen worden aangelegd. De Afdeling overweegt in dit verband dat de Fietsersbond niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overige fietsverbindingen nog altijd zeer onveilig zullen zijn omdat op grote delen de weg gedeeld moet worden met landbouwverkeer en bovendien meer kruisingen met autoverkeer ontstaan. 2.24.
- De staatssecretaris heeft ter zitting overigens gesteld dat het provinciebestuur en Rijkswaterstaat zijn overeengekomen dat de door de Fietsersbond gewenste fietsbrug nabij de Runweg in Berlicum zal worden aangelegd in het kader van het project "N279-Noord". Gelet op het feit dat de Runweg ongeveer 2 kilometer ten zuiden van het plangebied ligt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de brug ten onrechte niet in het Tracébesluit is betrokken. Gelet hierop behoeft het door de Fietsersbond voorgestelde alternatief van het realiseren van een fietsverbinding langs de brug N279 geen bespreking meer. 2.24.
- De staatssecretaris heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart niet zal leiden tot zwaarwegende negatieve effecten voor het fietsverkeer. Het beroep van [appellante sub 13] voor het overige 2.
- [appellante sub 13] stelt dat zij door de omlegging van de Zuid-Willemsvaart ten onrechte 13,5 hectare van haar gronden zal verliezen, dat met haar belangen onvoldoende rekening is gehouden in het Tracébesluit en dat een te lage grondprijs wordt geboden. Verder stelt zij dat het huidige weidse uitzicht aan de voorzijde van de twee woningen geheel zal verdwijnen doordat de Beusingsedijk zal worden opgehoogd. 2.25.
- De staatssecretaris stelt dat de belangen van [appellante sub 13] op een zorgvuldige wijze zijn betrokken bij het Tracébesluit. 2.25.
- [appellante sub 13] exploiteert een melkvee- en loonbedrijf aan de [locatie 7] in [plaats]. De gronden waarop de bedrijven worden geëxploiteerd hebben een oppervlakte van ongeveer 50 hectare, waarvan ongeveer 30 hectare in eigendom is van [appellante sub 13] en ongeveer 20 hectare wordt gepacht. Ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart is van de gronden van [appellante sub 13], die worden gebruikt door het melkveebedrijf ongeveer 14,2 hectare benodigd. In het deskundigenbericht staat dat de resterende gronden met een oppervlakte van 36 hectare, groot genoeg zijn om een economisch levensvatbaar veeteeltbedrijf te exploiteren. 2.25.
- Niet in geschil is dat de inkrimping van het areaal aan agrarische gronden negatieve gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van het melkveebedrijf. De staatssecretaris heeft zich in dit verband ter zitting op het standpunt gesteld dat [appellante sub 13], omdat zij relatief veel grond moet afstaan voor de aanleg van zowel de Zuid-Willemsvaart als de Rosmalense Aa, een aanbod is gedaan het gehele agrarische bedrijf aan te kopen om haar daarmee in staat te stellen elders haar bedrijf voort te zetten. Daarnaast is van belang dat ook in het geval slechts de voor de aanleg van de Zuid-Willemsvaart en de Rosmalense Aa benodigde gronden zullen worden verworven en niet het gehele bedrijf van [appellante sub 13], in de toelichting op het Tracébesluit als uitgangspunt is vermeld dat allereerst wordt getracht op basis van minnelijke verwerving tot overeenstemming te komen. Hierbij wordt volgens de toelichting het uitgangspunt uit de Onteigeningswet gehanteerd dat de vermogens- en inkomenspositie van de betrokkenen voor en na de aankoop van de grond gelijk moet blijven. Indien na onderhandelingen geen overeenstemming wordt bereikt zal volgens de toelichting worden overgegaan tot onteigening van de benodigde gronden op basis van de Onteigeningswet, in welk geval eveneens voornoemd uitgangspunt moet worden gehanteerd. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de vaststelling van het Tracébesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellante sub 13] die samenhangen met de oppervlakte van haar gronden en de financiële gevolgen van de verwerving van (een deel van) haar gronden. Wat betreft het standpunt dat de door Rijkswaterstaat geboden grondprijs voor de 14,2 hectare grond ver onder de marktwaarde ligt en [appellante sub 13] derhalve met een dergelijk bedrag geen vervangende grond in haar omgeving kan kopen, overweegt de Afdeling dat de hoogte van de grondprijs niet in de onderhavige procedure, maar in een mogelijke onteigeningsprocedure aan de orde kan worden gesteld. Het betoog faalt. 2.25.
- In het deskundigenbericht is vermeld dat de twee woningen van [appellante sub 13] op een afstand van ongeveer 55 meter van de Beusingsedijk staan. In het deskundigenbericht staat voorts dat deze woningen in de huidige situatie ongeveer 1,5 meter lager liggen dan het dijkniveau en dat in de nieuwe situatie dit verschil ongeveer 2,5 meter zal bedragen. In het deskundigenbericht wordt de conclusie getrokken dat de verhoging van het dijklichaam niet zal leiden tot zichthinder, mede gelet op het feit dat in de huidige situatie reeds zicht bestaat op een verhoogde weg en ook in de huidige situatie geen sprake is van zichthinder. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ophoging van de Beusingsedijk niet zal leiden tot relevant meer zichthinder voor de desbetreffende woningen. Het beroep van [appellant sub 8] voor het overige 2.
- [appellant sub 8] voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn bedrijfsbelangen en dat het nieuwe tracé van de Zuid-Willemsvaart in zuidwestelijke richting opgeschoven dient te worden, zodat zijn huisperceel intact kan blijven en hij geen gronden verliest. Verder stelt [appellant sub 8] dat de geboden grondprijs te laag is. 2.26.
- De staatssecretaris stelt dat de belangen van [appellant sub 8] op een zorgvuldige wijze zijn betrokken bij het Tracébesluit. 2.26.
- Het Tracébesluit voorziet in een doorsnijding van de huiskavel van [appellant sub 8], aan de [locatie 8] in [plaats], op een afstand van ongeveer 250 meter ten westen van de woning. Deze doorsnijding brengt mee dat [appellant sub 8] een deel van zijn gronden met een grootte van 5,5 hectare verliest en dat een deel van zijn gronden, met een grootte van ongeveer 2 tot 3 hectare, niet meer direct is verbonden met de huiskavel. 2.26.
- Met betrekking tot de door [appellant sub 8] voorgestelde verschuiving van het tracé in zuidwestelijke richting overweegt de Afdeling dat [appellant sub 8] dit niet eerder dan in beroep naar voren heeft gebracht en dat de staatssecretaris dit alternatief dan ook niet bij het nemen van het Tracébesluit heeft kunnen betrekken. Het bestaan van dit alternatief kan geen grond vormen voor het oordeel dat de staatssecretaris het Tracébesluit niet heeft mogen vaststellen. 2.26.
- Wat betreft het standpunt van [appellant sub 8] dat de door de staatssecretaris geboden grondprijs te laag is en van enige serieuze onderhandelingen met betrekking tot de schadeloosstelling nog geen sprake is, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar 2.25.3., dat de hoogte van de grondprijs en de onderhandelingen omtrent een mogelijke schadeloosstelling in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn. In verband hiermee heeft de staatssecretaris zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een aanbod is gedaan om het gehele agrarische bedrijf van [appellant sub 8] aan te kopen om hem daarmee in staat te stellen zijn bedrijf elders voort te zetten. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 8] die samenhangen met de oppervlakte van zijn gronden en de financiële gevolgen van de verwerving van (een deel van) zijn gronden. Indien [appellant sub 8], zoals hij ter zitting heeft gesteld, zijn bedrijfsvoering op de huidige locatie wil blijven uitoefenen, zal de staatssecretaris overeenkomstig de in 2.25.
- vermelde uitgangspunten een zodanige schadeloosstelling toekennen dat de vermogens- en inkomenspositie van [appellant sub 8] na de aankoop van de benodigde gronden gelijk is aan de situatie voor de aankoop. Het betoog faalt. Het beroep van Shell 2.
- Shell voert aan dat het tankstation aan de Graafsebaan 55a, met zes medewerkers en een doorzet van 6,5 miljoen liter brandstof per jaar, als gevolg van het Tracébesluit zal moeten verdwijnen, terwijl ten onrechte nog niet is voorzien in een alternatieve locatie. 2.27.
- De staatssecretaris stelt dat de onderhandelingen over minnelijke verwerving van de gronden aan de Graafsebaan 55a nog lopen en gaat ervan uit dat een passende oplossing kan worden gevonden in de vorm van een vervangende locatie. Voor het geval onevenredige schade wordt geleden, is voorzien in mogelijkheden tot compensatie daarvan, aldus de staatssecretaris. 2.27.
- De Afdeling overweegt dat op de staatssecretaris de verplichting rust om voorafgaand aan de vaststelling van een tracébesluit te onderzoeken op welke wijze de nadelige gevolgen hiervan voor betrokkenen kunnen worden beperkt. De complexiteit van het proces van het vinden en verwerven van een vervangende locatie voor een te verplaatsen bedrijf kan, indien daarvoor wordt gekozen, echter met zich brengen dat de exacte vervangende locatie ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit nog niet voorhanden is. De staatssecretaris heeft onderzoek laten doen naar vervangende locaties voor het tankstation. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het deelrapport "Graafsebaan 55a" van Gloudemans Taxatie- en adviesbureau. Gebleken is dat meerdere malen overleg heeft plaatsgevonden over de verwerving van de gronden aan de Graafsebaan 55a, naar aanleiding waarvan een aantal in het deelrapport genoemde concrete alternatieve locaties voor het tankstation in beschouwing is genomen. Gelet op bovenvermeld deelrapport en het feit dat meermalen met Shell in overleg is getreden omtrent een vervangende locatie en het verhandelde ter zitting heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderzocht hoe de nadelige gevolgen van het Tracébesluit voor Shell kunnen worden beperkt. Dat nog geen overeenstemming is bereikt over de meest geschikte vervangende locatie maakt dit niet anders. Het betoog van Shell faalt. De beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 14] 2.
- [appellanten sub 2] en [appellant sub 14] betogen dat het Tracébesluit ter plaatse van hun woningen aan onderscheidenlijk de [locatie 9] en [locatie 10] te [plaats] leidt tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat door de verlegging van de Graafsebaan en de aanleg van een viaduct. Zij wijzen in dit verband op hinder in de vorm van geluid en stank, verstoring van hun uitzicht en op luchtvervuiling. [appellanten sub 2] wijzen daarnaast op hinder door licht en verlies van privacy. Met het voorziene inpassingsscherm wordt volgens hen aan hun bezwaren onvoldoende tegemoetgekomen. Verder voeren [appellanten sub 2] aan dat ten onrechte is voorzien in een ontsluitingsweg aan de achterzijde van hun woning die volgens hen gebruikt zal worden om de ten oosten van hun woning gelegen supermarkt te bereiken. [appellanten sub 2] hebben voorts bezwaar tegen de voorgenomen verwijdering van de op het perceel [locatie 11] aanwezige schuur ten behoeve van de verlegging van de Graafsebaan, omdat deze als buffer zou kunnen fungeren tussen hun woning en de Graafsebaan. 2.28.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat na een zorgvuldige belangenafweging en onderzoek is gekozen voor de aanleg van een viaduct aan de achterzijde van de woning van [appellanten sub 2] om de Zuid-Willemsvaart te kruisen. Daarnaast biedt het gekozen tracé meer ruimte voor een mogelijke verbreding van de Graafsebaan. Een groene inpassing van de zuidzijde van de verhoogde Graafsebaan is opgenomen in het landschaps- en natuurcompensatieplan, zo stelt de staatssecretaris. Voorts zullen de ongeveer 40 meter diepe tuinen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 14] onaangetast blijven en wordt aan de bezwaren op het gebied van uitzicht, privacy, licht en geluid tegemoet gekomen door de plaatsing van een twee meter hoog scherm aan de zuidzijde van de nieuwe Graafsebaan. Volgens de staatssecretaris is behoud van de schuur niet mogelijk omdat ter plaatse een ontsluitingsweg is voorzien naar het weideperceel tussen de toekomstige Graafsebaan en de woning van [appellanten sub 2] en voorziet het langs de Graafsebaan te plaatsen scherm al in een geluidwerende werking. 2.28.
- Als gevolg van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart zal het bestaande tracé van de Graafsebaan worden doorsneden. Het Tracébesluit maakt voorts de aanleg van een viaduct mogelijk over de Zuid-Willemsvaart, dat is voorzien op een afstand van ongeveer 150 meter ten oosten van de woningen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 14]. Het Tracébesluit voorziet in de aanleg van een ontsluiting van de percelen aan de Graafsebaan tot aan de toekomstige loop van de Zuid-Willemsvaart in de vorm van een ontsluitingsweg over het perceel [locatie 12]. 2.28.
- In het landschaps- en natuurcompensatieplan staat over de inpassing van de Graafsebaan dat bestaande beplanting zoveel als technisch mogelijk is, behouden zal blijven en waar wenselijk aangevuld zal kunnen worden. Door het aanplanten van bijvoorbeeld hagen, struweel en bomen is het mogelijk de door bouwwerkzaamheden weggevallen visuele afschermingen te herstellen. Verder staat in voormeld plan dat onder aan de voet van het talud van de verhoogde Graafsebaan aan de zuidzijde, voor zover mogelijk, bomen worden geplant om het groene karakter van dit gebied opnieuw gezicht te geven. Hoewel aannemelijk is dat het landschap door het verleggen van de Graafsebaan zal wijzigen, ziet de Afdeling, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene verlegging van de Graafsebaan landschappelijk aanvaardbaar kan worden ingepast. 2.28.
- Volgens het deskundigenbericht bedraagt de hoogte van de schuur op het perceel [locatie 11] ongeveer 3,5 meter, terwijl de hoogte van het scherm ten opzichte van het maaiveld achter de woning van [appellanten sub 2] ongeveer vijf meter zal bedragen, nu de weg op dat punt op een hoogte van ongeveer drie meter zal liggen. Hierdoor en door de ligging van de schuur ten opzichte van de nieuwe weg en de woning van [appellanten sub 2] zou de schuur, indien deze behouden zou blijven, nauwelijks voor extra afscherming tegen geluid kunnen zorgen, zo staat in het deskundigenbericht. Het Tracébesluit voorziet in een omlegging van de Graafsebaan richting het noorden, aan de achterzijde van de woningen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 14]. In de voorziene situatie ligt de rijweg op een afstand van ongeveer 70 meter van deze woningen en het fietspad op een afstand van ongeveer 60 meter. Artikel 6 van het Tracébesluit maakt ten zuiden van de Graafsebaan een scherm mogelijk met een hoogte van twee meter en een lengte van 335 meter, dat onder meer fungeert als licht- en geluidwerende voorziening en dat daarnaast het gevolg van vermindering van privacy door passerend verkeer beperkt. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat zich ter plaatse niet zal voordoen. Volgens de staatssecretaris is achter de tuin van [appellanten sub 2] een ontsluitingsweg voorzien ten behoeve van het weiland, omdat de bestaande ontsluitingsweg komt te vervallen door het verleggen van de Graafsebaan. De staatssecretaris heeft verklaard dat deze weg niet zal worden gebruikt voor de ontsluiting van het terrein van de supermarkt omdat geen open verbinding bestaat tussen dit terrein en het weiland, en omdat het terrein van de supermarkt in de toekomst aan de voorzijde zal zijn ontsloten via de dan doodlopende Graafsebaan. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor de vrees dat de ten behoeve van het weiland aan te leggen ontsluitingsweg tevens zal worden gebruikt voor de nabijgelegen supermarkt. Gelet op het feit dat behoud van de gehele schuur naast het perceel van [appellanten sub 2] in dat kader slechts van gering belang is, heeft de staatssecretaris voorts een groter belang kunnen hechten aan de aanleg van de ontsluitingsweg voor het weideperceel ter plaatse van een gedeelte van deze schuur dan aan het belang van [appellanten sub 2] bij het behoud van de schuur. Het betoog faalt. Het beroep van Division Holding en anderen 2.
- Division Holding en anderen voeren aan dat bij de keuze tussen de verschillende varianten voor de omlegging van de Graafsebaan geen deugdelijke inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bedrijfsbelangen die daardoor worden geraakt. Zij betogen dat niet is voldaan aan de gedane toezegging om de bedrijfsbelangen te inventariseren en het resultaat van deze inventarisatie te verspreiden en met alle betrokkenen te bespreken. Zij voeren voorts aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de muziekstudio en het boekingskantoor aan de Graafsebaan 40 bij behoud van hun bedrijfslocatie en dat ten onrechte niet is voorzien in een vervangende locatie. 2.29.
- De staatssecretaris stelt dat de resultaten van het onderzoek naar de diverse varianten voor de omlegging van de Graafsebaan onder meer zijn neergelegd in de Milieueffectenstudie Varianten Graafsebaan van het onderzoeksbureau Arcadis van 24 oktober 2007 (hierna: de milieueffectenstudie Graafsebaan). Op basis hiervan is gekozen voor de in het Tracébesluit opgenomen variant, waarbij van belang is geweest dat deze variant op veel milieuaspecten de voorkeur geniet boven een zuidelijke omlegging van de Graafsebaan en dat de nu gekozen variant betere mogelijkheden biedt voor eventuele verbreding van de Graafsebaan. Voor verplaatsing van de muziekstudio en het boekingskantoor naar bestaande gebouwen binnen de gemeenten 's-Hertogenbosch of Oss bestaan mogelijkheden, en nader onderzoek vindt nog plaats naar de mogelijkheid om binnen deze gemeenten een nieuw kantorencomplex met muziekstudio te bouwen, aldus de staatssecretaris. 2.29.
- Ter zitting hebben Division Holding en anderen met betrekking tot hun bezwaren omtrent de informatievoorziening verklaard dat de staatssecretaris geen toezeggingen heeft gedaan die niet zijn nagekomen. In de milieueffectenstudie Graafsebaan staat een overzicht van de acht onderzochte mogelijkheden voor de aanleg van een verbindingsweg over de Zuid-Willemsvaart ter hoogte van de Graafsebaan. In deze milieueffectenstudie is toegelicht dat twee van deze mogelijkheden zijn afgevallen omdat ze slechts realistisch zijn indien een los van het Tracébesluit staande infrastructurele ontwikkeling, de realisering van de 'stedelijke knoop', daadwerkelijk tot stand komt, maar dat deze ontwikkeling nog niet vaststaat. De zuidelijke omleggingen zijn voorts afgevallen omdat deze minder ruimte bieden voor ontwikkelingen in de toekomst. Gelet op deze toelichting geeft hetgeen Division Holding en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de verschillende varianten. In de milieueffectenstudie Graafsebaan zijn de effecten op de omgeving van drie mogelijke varianten voor omlegging van de Graafsebaan beschreven. Eén van de gehanteerde beoordelingscriteria voor de te kiezen variant was het aantal te verwijderen gebouwen. Bij de beschrijving van de gekozen variant staat in dit verband in de milieueffectenstudie Graafsebaan vermeld welke gebouwen dienen te worden verwijderd, waarbij ook de bebouwing aan de Graafsebaan 40 is opgenomen. Hoewel de gekozen variant tot gevolg heeft dat meer gebouwen dienen te worden verwijderd, heeft de staatssecretaris toch voor deze variant gekozen, nu deze wat milieuaspecten betreft de voorkeur verdient boven de andere varianten en omdat deze variant meer ruimte biedt voor een mogelijke verbreding van de Graafsebaan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de belangen van Division Holding en anderen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming omtrent omlegging van de Graafsebaan. De omstandigheid dat andere varianten minder belastend zijn voor Division Holding en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het Tracébesluit opgenomen variant voor omlegging van de Graafsebaan. Het betoog faalt. Het beroep van de Gezamenlijke Wijkraden voor het overige 2.
- De Gezamenlijke Wijkraden betogen dat het Tracébesluit onvoldoende voorziet in vervangende wegverbindingen voor de als gevolg van het verleggen van de Zuid-Willemsvaart te vervallen verbindingen tussen Rosmalen en 's-Hertogenbosch. Zij wijzen er in dit verband op dat de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan wordt doorsneden door de Zuid-Willemsvaart, terwijl hiervoor geen vervangende verbinding terugkomt. Verder voeren zij aan dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom is afgezien van de realisering van een beweegbare fietsbrug op maaiveldniveau ter hoogte van de voorziene kruising van de Graafsebaan met het nieuwe traject van de Zuid-Willemsvaart. 2.30.
- Ook in de huidige situatie wordt de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan doorsneden en wel door de rijksweg A2, aldus de staatssecretaris. Aan de bezwaren tegen het vervallen van een ontsluitingsweg als gevolg van de verlegging van de Zuid-Willemsvaart wordt volgens de staatssecretaris tegemoetgekomen door de aanwezigheid van de nabijgelegen Tivoliweg en de te verleggen Graafsebaan. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de gewenste beweegbare fietsbrug op onoverkomelijke technische en scheepvaartkundige bezwaren stuit. 2.30.
- Ingevolge artikel 2 van het Tracébesluit, voor zover thans van belang, is de Burgemeester Jonkheer von Heijdenstraat een kruisende wegverbinding die wordt aangepast, maar niet als kruisende verbinding wordt teruggebracht. De weg blijft een functie voor bestemmingsverkeer houden. 2.30.
- Ter onderbouwing van hun betoog dat onvoldoende rekening is gehouden met de verbindingen tussen oost en west, hebben de Gezamenlijke Wijkraden er op gewezen dat het Tracébesluit het herstel van de verbinding tussen de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan en de Stadionlaan bemoeilijkt nu deze in de toekomst niet alleen wordt doorsneden door de A2, maar ook door het Zuid-Willemsvaart. Volgens het deskundigenbericht zijn als verbinding tussen Rosmalen en 's-Hertogenbosch met name van belang de Graafsebaan, de Tivoliweg en de Rodenborchweg. De Graafsebaan en de Tivoliweg liggen hemelsbreed op een afstand van ongeveer 800 meter van elkaar. De Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan ligt ten zuiden van de Tivoliweg en ten noorden van de Graafsebaan. Aan de oostzijde van het voorziene tracé van de Zuid-Willemsvaart is de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan aangesloten op de Empelseweg. Aan de westzijde voorziet het Tracébesluit in een ontsluiting op de Graafsebaan. In het in zoverre onweersproken deskundigenbericht staat dat de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan geen gebiedsontsluitingsweg is. Gelet hierop en nu de nabij de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan gelegen Graafsebaan en de Tivoliweg als verbindingswegen tussen Rosmalen en 's-Hertogenbosch blijven gehandhaafd en niet is gebleken dat deze wegen onvoldoende capaciteit hebben, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze wegen voldoende zijn toegerust op de daar te verwachten verkeerstoename als gevolg van de eerder vervallen verbinding van oost naar west via de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan. Dat de omlegging van de Zuid-Willemsvaart de eventuele aanleg van een verbinding tussen de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan en de Stadionlaan bemoeilijkt leidt dan ook niet tot het oordeel dat in het Tracébesluit onvoldoende rekening is gehouden met het behoud van voldoende verbindingen tussen Rosmalen en 's-Hertogenbosch, mede gezien de omstandigheid dat ook de Rodenborchweg als verbindingsweg tussen Rosmalen en 's-Hertogenbosch behouden blijft. 2.30.
- Het Tracébesluit heeft tot gevolg dat het fietsverkeer over de Graafsebaan in de toekomst via de te verleggen Graafsebaan de Zuid-Willemsvaart dient te passeren over een viaduct, waarbij een hoogteverschil dient te worden overbrugd. De staatssecretaris heeft aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de voorgestelde beweegbare fietsbrug in plaats van het viaduct het scheepvaartverkeer zou vertragen omdat daa
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.