(2009)2560, heeft de Europese Commissie, voor zover thans van belang, op grond van het NSL geen bezwaar gemaakt tegen het uitstel van het in de Richtlijn vastgestelde tijdstip om aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) te voldoen en heeft zij geen bezwaar gemaakt tegen de tijdelijke vrijstelling van de in de Richtlijn vastgestelde verplichting om aan de grenswaarden voor de vierentwintig uurgemiddelde en jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) te voldoen. De minister van VROM heeft vervolgens bij besluit van 30 juli 2009 het NSL als programma bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, vastgesteld. Het besluit is op 1 augustus 2009 in werking getreden en geldt tot 1 augustus
- 2.4.
- In het door [appellant] aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat de Richtlijn niet op juiste wijze is geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de bij die wet behorende bijlage
- 2.4.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat in het NSL-besluit van 30 juli 2009 in strijd met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer onvoldoende inzichtelijk is gemaakt of de door het project veroorzaakte negatieve effecten voor de luchtkwaliteit zodanig door maatregelen worden gecompenseerd dat tijdig aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes wordt voldaan, wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat niet het besluit tot vaststelling van het NSL ter beoordeling voorligt. Tegen dat besluit kan ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met onderdeel C, onder 3, van de bijlage bij die wet geen beroep worden ingesteld. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van zogeheten exceptieve toetsing van het NSL-besluit aan artikel 5.12 van de Wet milieubeheer en de bij die wet behorende bijlage
- In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt of de door het project veroorzaakte negatieve effecten voor de luchtkwaliteit zodanig door maatregelen worden gecompenseerd, dat de in de Richtlijn gestelde grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) en de grenswaarden voor de vierentwintig uurgemiddelde en jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) tijdig worden bereikt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het NSL-besluit de compenserende maatregelen, in de agglomeratie Utrecht bestaande uit onder meer het weren van zwaar vrachtverkeer in de oude binnenstad, het inrichten van verkeersluwe gebieden en de aanschaf van bussen die op LPG rijden, van dien aard zijn dat binnen voormelde termijnen aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes zal worden voldaan. In dat verband kan tevens worden gewezen op de overweging van de Europese Commissie in de beschikking van 7 april 2009, nr. C
(2009)2560, dat zij met het oog op het door de Nederlandse autoriteiten ingevoerde omvangrijke kader voor het beheer en de bewaking van de luchtkwaliteit, ervan overtuigd is dat, voor zover van belang, in de agglomeratie Utrecht de jaarlijkse NO2-grenswaarden tegen 31 december 2014 en de PM10-grenswaarden tegen 10 juni 2011, derhalve tijdig, kunnen worden bereikt. Tevens wordt daarbij in aanmerking genomen dat voor elk kalenderjaar vanaf 2010, tot het kalenderjaar volgende op de datum waarop de respectievelijke uitstel- en vrijstellingsperiodes aflopen, Nederland, ingevolge artikel 3 van voormelde beschikking bij de Europese Commissie de gegevens moet indienen waaruit blijkt of de Nederlandse concentratieniveaus onder de in bijlage XI behorende bij de Richtlijn gespecificeerde grenswaarden plus de maximale overschrijdingsmarges voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes liggen en voorts dat het college ingevolge artikel 5.14 van de Wet milieubeheer jaarlijks voor 1 juli rapporteert aan de minister van VROM over de voortgang en uitvoering van het NSL en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, waaronder de bij besluit van 18 december 2007 gehandhaafde vrijstelling voor het project, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. 2.4.
- Aangezien het project is opgenomen in het NSL, dat een programma betreft als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kan de omstandigheid dat de realisering van het project gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gelet op het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met het tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, niet aan de verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in de weg staan. Ook indien het college bij het nemen van het besluit op bezwaar van 18 december 2007 onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit, bestaat daarom in het door [appellant] aangevoerde bij een beoordeling op dit moment in zoverre geen grond voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 december 2007 waarbij vrijstelling is verleend voor het project, niet in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak blijft derhalve, voor zover de rechtbank de gevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand heeft gelaten, in zoverre, zij het op andere gronden, in stand. 2.
- Voorts betoogt [appellant] met juistheid dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het project heeft kunnen verlenen, omdat het project volgens [appellant] geluidhinder en visuele hinder veroorzaakt, het project in strijd is met het ter zake door het college gevoerde verkeersbeleid en ten gevolge van het project te veel bomen moeten worden gekapt. Dit betoog kan echter niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel, gelet op het hierna volgende. 2.5.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het project in strijd met de Wet geluidhinder onaanvaardbare geluidhinder veroorzaakt, wordt het volgende overwogen. Aan het besluit op bezwaar van 18 december 2007 heeft het college de conclusies ten grondslag gelegd die zijn vermeld in de notitie van DSO Afdeling Milieu en Duurzaamheid van 3 augustus 2005 "24 Oktoberplein". Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting niet zodanig toeneemt dat sprake is van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, zodat het betoog dat realisering van het project strijd oplevert met die wet, faalt. Het college wijst er voorts op dat de bouwaanvraag voor het project is aangepast in verband met het aanbrengen van een verhoogde geluidsbarrière en dat door gebruik te maken van geluidreducerend asfalt op een groot aantal trajectonderdelen van het project sprake is van een afname van de geluidsbelasting ten opzichte van de huidige situatie. Onder die omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidhinder niet aan verlening van vrijstelling in de weg hoeft te staan. 2.5.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het project onaanvaardbare visuele hinder teweeg brengt, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de beoogde locatie van de fly-over zich in een stedelijke omgeving bevindt, die mede wordt gekenmerkt door hoge gebouwen. In een stedelijke omgeving is het volgens het college tevens redelijkerwijs te verwachten dat de gemeentelijke infrastructuur, zoals het 24-Oktoberplein, wordt aangepast om het gewijzigde verkeersaanbod te kunnen verwerken. Het college heeft zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. Terecht heeft het college daarbij in aanmerking genomen dat in een stedelijke omgeving, waar infrastructurele ingrepen nodig zijn om het verkeersaanbod te verwerken, een zekere mate van hinder moet worden geduld. 2.5.
- Verder faalt het betoog van [appellant] dat het project in strijd is met het ter zake gevoerde verkeersbeleid. Het college heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de realisering van het project past in zijn verkeersbeleid, reeds omdat aannemelijk is dat daardoor verkeersknelpunten worden weggenomen en de leefbaarheid in en de bereikbaarheid van en naar het centrum van Utrecht worden verbeterd. 2.5.
- Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat ten gevolge van het project te veel bomen worden gekapt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onvermijdelijk is om een aantal bomen te kappen teneinde het project te kunnen realiseren en dat de daarmee te dienen belangen in termen van bereikbaarheid en leefbaarheid van Utrecht zwaarder wegen dan het behoud van de plaatselijke groenvoorziening. Daarbij wordt van betekenis geacht dat het college heeft aangegeven ter plaatse compenserende maatregelen te treffen door het planten van nieuwe bomen. 2.5.
- Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van het project niet zodanige gevolgen heeft dat het van de verlening van vrijstelling heeft moeten afzien. 2.
- Tenslotte betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Hij voert daartoe aan dat hij geen vergoeding heeft gekregen voor het verschijnen op de nadere zitting van 3 oktober 2008 en voor het aanleveren van zijn zienswijze als bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb. 2.6.
- Dit betoog slaagt. Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd blijkt dat de rechtbank hem een proceskostenvergoeding had moeten toekennen van € 966,
- De hem toegewezen vergoeding bedroeg echter € 644,
- De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend. 2.
- Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de veroordeling van het college tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college op na te melden wijze in de proceskosten van het beroep veroordelen. 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 februari 2009 in zaak nr. 08/218, voor zover het college daarbij is veroordeeld in de proceskosten; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.632,39 (zegge: zestienhonderdtweeëndertig euro en negenendertig cent), waarvan € 1.610,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010 163-543.