← Nederland

ECLI:NL:RVS:2010:BL9602

201000548/2/R

  1. Datum uitspraak: 25 maart 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoeker A] en [verzoeker B], allen gevestigd te [plaats], [verzoekers] en de raad van de gemeente Hilvarenbeek, verweerder.
  2. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden en bedrijventerreinen Hilvarenbeek" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2010, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 maart 2010, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, en de raad, vertegenwoordigd door J.J.M. Lubbers-Kluijtmans, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. E. Harleman, werkzaam bij stedenbouwkundig bureau SAB, zijn verschenen.
  3. Overwegingen 2.
  4. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.
  5. Het plan legt de bestaande planologische situatie van woongebieden en twee bedrijventerreinen vast in de kern van Hilvarenbeek. Voorts wordt voorzien in de mogelijkheid tot kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen. 2.
  6. [verzoekers] kunnen zich niet met het plan verenigen, wat betreft de hierbij toegelaten milieucategorie voor bedrijven. De voorzitter vat hun verzoekschrift, zoals toegelicht ter zitting, aldus op dat zij hebben gevraagd om schorsing van het plan, wat betreft hun bedrijfspercelen. Weliswaar kunnen de bestaande bedrijven op hun percelen worden voortgezet, maar voor nieuwe bedrijfstypen is volgens hen ten onrechte een beperking aangebracht in de toegelaten milieucategorie. Hierdoor worden de mogelijkheden tot verkoop van hun percelen beperkt. Voor het bedrijfsperceel van [verzoeker A] werden onder het vorige plan bedrijfsactiviteiten toegelaten tot en met milieucategorie 4, terwijl in het voorliggende plan slechts milieucategorie 3.1 is toegestaan. Voor het bedrijfsperceel van [verzoeker B], die een chocolaterie exploiteert, werden onder het vorige plan bedrijfsactiviteiten toegelaten tot en met milieucategorie 3, terwijl in het voorliggende plan slechts milieucategorie 2 is toegestaan. 2.3.
  7. Ter zitting is naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aannemelijk geworden dat mogelijke kopers van de percelen voldoende tijd en mogelijkheden zouden hebben om nieuwe bedrijfstypen te vestigen en feitelijk in bedrijf te hebben voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Gelet hierop zijn verzoekers in zoverre niet gebaat bij schorsing. 2.3.
  8. Voor zover het verzoek van [verzoekers] is gericht tegen de weigering van de raad om aan hun perceel een hogere milieucategorie toe te kennen overweegt de voorzitter dat [verzoekers] niet zijn gebaat bij schorsing van dat deel van het bestreden besluit aangezien daarmee niet het door hen gewenste resultaat kan worden bereikt. Een voorlopige voorziening die daarin wel zou voorzien acht de voorzitter te verstrekkend. 2.
  9. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  11. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Breunese-van Goor voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010 208-605.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.