200807042/1/R1. Datum uitspraak: 31 maart 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], 9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], en anderen 12. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], wonend te [woonplaats], 13. [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], wonend te [woonplaats], 14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats], 15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats], 16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellant sub 17A] en [appellant sub 17B], wonend te [woonplaats], 18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats], 19. [appellante sub 19] waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C], [vennoot D], [vennoot E] en [vennoot F], alle gevestigd dan wel wonend te [plaats], 20. [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], wonend te [woonplaats], 21. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats], 22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats], 23. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellante sub 24], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te [woonplaats], en [vennoot B], wonend te [woonplaats], 25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], 26. [appellante sub 26 A], gevestigd te [plaats], als rechtsopvolger van [appellante sub 26 B], gevestigd te [plaats], 27. het college van burgemeester en wethouders van Deurne, 28. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Motorclub De Bosrakkers, gevestigd te Deurne, 29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats], 30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats], 31. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats], 32. de stichting Stichting Werkgroep Behoud De Peel, gevestigd te Deurne, 33. [appellant sub 33], wonend te [woonplaats], 34. [appellant sub 34], wonend te [woonplaats], 35. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats], 36. [appellante sub 36], gevestigd te [plaats], 37. [appellant sub 37], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats], 38. [appellant sub 38], wonend te [woonplaats], 39. [appellante sub 39], gevestigd te [plaats], 40. [appellant sub 40A], wonend te [woonplaats], en andere, alsmede [appellante sub 40 B], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne bij besluit van 11 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 9]), [appellant sub 10], [appellant sub 11] en anderen, [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 13]), [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17A] en [appellant sub 17B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 17]), [appellant sub 18], [appellante sub 19] en anderen, [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 20]), [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellante sub 26], het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college van burgemeester en wethouders), de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Motorclub De Bosrakkers (hierna: De Bosrakkers), [appellant sub 29], [appellant sub 30], [appellant sub 31], de stichting Stichting Werkgroep Behoud De Peel (hierna: de stichting), [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellante sub 36], [appellante sub 37], [appellant sub 38], [appellante sub 39], [appellant sub 40A] en andere alsmede [appellante sub 40B] (hierna: [appellant sub 40] en andere) tijdig beroep ingesteld. De directeur/inspecteur Regio Zuid van de VROM-Inspectie, [belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C] zijn op hun verzoek als partij tot het geding toegelaten. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Het college, de raad, [appellant sub 23], [appellant sub 21], [appellant sub 7], [appellant sub 20], [appellant sub 8], [appellante sub 36], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 33], [appellant sub 31] en [appellant sub 11] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. [appellant sub 35], [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellante sub 36] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2, 3 en 4 november 2009, waar partijen in persoon, sommige bijgestaan door een raadsman, zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook het college en de raad hebben zich doen vertegenwoordigen. 2. Overwegingen Toetsingskader 2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Planbeschrijving 2.2. Het plan omvat het grondgebied van de gemeente Deurne, met uitzondering van de kernen van Deurne, Vlierden, Liessel, Neerkant en Helenaveen. Ook het terrein van de Kalkzandsteenfabriek te Liessel, het voormalige mobilisatie (MOB)-complex aan de Helmondsingel, het gebied "de Binderen-Zuid" ten westen van de kern Deurne en het projectvestigingsgebied voor de glastuinbouw ten oosten van de kern Deurne vallen buiten dit bestemmingsplan. Met het plan wordt beoogd de bestaande waarden en belangen in het buitengebied opnieuw veilig te stellen en vast te leggen, geactualiseerd op basis van recent beleid. Onder meer het reconstructieplan De Peel is vertaald in dit bestemmingsplan. In het plan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Verder is getracht een juridisch helder kader te scheppen voor de gebruikers in het buitengebied. Op plankaart 1 zijn de (gebieds- en detail)bestemmingsvlakken en de aanduidingen voor de gronden vermeld. Op plankaart 2 zijn de belemmeringszones en de ontwikkelingsmogelijkheden weergegeven, waaronder de integrale zonering van de intensieve veehouderij uit het reconstructieplan De Peel. Provinciaal beleid. 2.3. Op 27 juni 2008 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Streekplan 2002 (Brabant in balans) en de daarop gevolgde herzieningen ingetrokken en de Interimstructuurvisie Noord-Brabant (Brabant in ontwikkeling) vastgesteld. Het college heeft de kaderstellende ruimtelijke belangen zoals genoemd in de Interimstructuurvisie bij besluit van 1 juli 2008 uitgewerkt in de (beleidsregel) Paraplunota Ruimtelijke Ordening. Het college heeft het plan beoordeeld aan de hand van dit provinciale beleid. aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht, (artikel 31.2.2.) Algemene bezwaren. 2.4. [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 8], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 1] en [appellant sub 5] hebben in beroep algemene argumenten aangevoerd tegen de in het plan getroffen regeling voor de in het vorige plan onder het overgangsrecht gebrachte noodwoningen. [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat de noodwoningen in het plangebied ten onrechte voor een tweede keer onder het overgangsrecht zijn gebracht. [appellant sub 9], [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat dit in strijd is met de strekking van het overgangsrecht, nu niet aannemelijk is dat het - met het plan strijdige - gebruik als woning binnen de planperiode zal worden beëindigd. Zij beroepen zich daarbij op de jurisprudentie van de Afdeling. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 5], [appellant sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17] betogen dat het provinciale beleid niet in de weg staat aan een bestemming "Woondoeleinden", nu van verstening als gevolg van nieuwbouw geen sprake is. Voorts betogen [appellant sub 9], [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 8] dat een aantal beoordelingscriteria ten onrechte in de zogenoemde 'Beoordelingsladder noodwoningen' is opgenomen. [appellant sub 9], [appellant sub 1] en [appellant sub 5] voeren daartoe aan dat ten onrechte van belang wordt geacht of de woning op een agrarisch bouwvlak staat en of het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Sinds de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij is voor woningen binnen een landbouwontwikkelingsgebied een grotere stankbelasting toegestaan, aldus [appellant sub 1]. Voorts betoogt [appellant sub 8] dat voor inpassing als zelfstandige woning, een gebouw direct aan de openbare weg dient te liggen. [appellant sub 1] en [appellant sub 13] betogen dat indien een woning altijd in gebruik is geweest als bedrijfswoning ten onrechte de eis wordt gesteld dat de noodzaak dient te zijn aangetoond. 2.4.1. De raad heeft blijkens de plantoelichting met de vaststelling van dit plan getracht om 121 gebouwen, die in het voorheen geldende plan als 'noodwoning' waren aangemerkt, van een doelmatige bestemmingsregeling te voorzien. Het betreft volgens de plantoelichting veelal voorheen agrarische (bij)gebouwen en kleine houten gebouwen die in de jaren '50-'60, toen er sprake was van woningnood, in gebruik zijn genomen als (tijdelijke) woonruimte. Tegen deze gebouwen is sedertdien niet of nauwelijks handhavend opgetreden. Bij de totstandkoming van het voorheen geldende plan zijn die woningen geïnventariseerd en beoordeeld en onder het overgangsrecht van dat plan gebracht. De gebouwen zijn op de plankaart van dat plan aangeduid door middel van twee soorten sterretjes: 'noodwoning - overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 1)' of 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)’. Het beperkte overgangsrecht hield in dat alleen onderhoud was toegestaan. Verbeteringen of aanpassingen waren daardoor niet of nauwelijks mogelijk, hetgeen - aldus de plantoelichting - tot sociaal ongewenste woonsituaties kan leiden en tevens - door het ontbreken van een actueel en adequaat planologisch toetsingskader - tot vergroting van de afwijking tussen de feitelijke situatie en het geldende bestemmingsplan. De raad heeft bij de vaststelling van het plan per gebouw de keuze gemaakt het gebouw als "Woondoeleinden" te bestemmen of het gebouw opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De raad heeft, de 121 'noodwoningen' in het plangebied aldus beoordelend, ten aanzien van 45 vastgesteld dat die niet meer werden bewoond, 29 bestemd als woning en 47 onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. De raad heeft iedere op de plankaart van het voorheen geldende plan als zodanig aangeduide noodwoning getoetst aan de 'Beoordelingsladder noodwoningen'. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij het beoordelen van de noodwoningen niet is gekeken naar de ontstaansgeschiedenis, de staat van de woning en hoe lang of door wie deze woning in gebruik is. Voorts is geen waarde gehecht aan het feit dat een gebouw voor een bepaalde functie in gebruik was. Het feit dat de woning in het vorige bestemmingsplan als noodwoning was aangeduid, is bepalend geweest om de desbetreffende woning te toetsen aan de beoordelingssystematiek. 2.4.2. Die 'Beoordelingsladder noodwoningen' luidt als volgt: 1. Bestaat het gebouw met de aanduiding noodwoning in het vigerende bestemmingsplan nog? - indien nee, niet legaliseren. - indien ja, verder naar vraag 2. 2. Wordt het gebouw nog bewoond? - Indien nee, niet legaliseren. Beoordelen of het huidige gebruik binnen de hoofdbestemming toegestaan is. - Indien ja, verder naar vraag 3. 3. Wordt er gewoond in een (agrarisch) bedrijfsgebouw (stal)? - Indien ja, niet legaliseren. Het gebouw onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen en als zodanig aanduiden op de plankaart (en de hoofdbewoner(
- s)opnemen op de lijst behorende bij het bestemmingsplan). - Indien nee, verder naar 4. 4. In welk gebied ligt het gebouw: landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied, extensiveringsgebied overig of extensiveringsgebied natuur? - Indien in landbouwontwikkelingsgebied gelegen, niet legaliseren. Het gebouw onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen en als zodanig aanduiden op de plankaart (en de hoofdbewoner(
- s)opnemen op de lijst behorende bij het bestemmingsplan), tenzij sprake is van een eerste bedrijfswoning (mits aan het volwaardigheidscriterium wordt voldaan) of een tweede agrarische bedrijfswoning (mits positief advies van Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB)). - Indien het gebouw niet in het landbouwontwikkelingsgebied is gelegen, maar in het verwevingsgebied, extensiveringsgebied rood of extensiveringsgebied groen, ga verder naar vraag 5. 5. Is het gebouw inpasbaar als zelfstandige woning gelet op de gebiedskwaliteiten? Voor deze beoordeling wordt gekeken hoe het gebouw is gelegen ten opzichte van omliggende bebouwing en omgeving. Voor een positieve beoordeling moet aan alle volgende punten worden voldaan: - is het gebouw solitair gelegen; - is het gebouw goed ontsloten en gelegen aan de openbare weg; - is een 'woonbestemming' vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord (bijvoorbeeld niet 'verscholen' achter aanwezige bebouwing); - is het gebouw gelegen op een perceel met een redelijke omvang; - past 'wonen' op de desbetreffende locatie in het gebied gelet op de aanwezigheid van hindercirkels en de overige functies in het gebied (dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer het gebouw is gelegen binnen een agrarisch bouwblok de woning niet wordt gelegaliseerd, tenzij het als bedrijfswoning is aan te merken). - indien ja, legaliseren. Positief als woning bestemmen in de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. - indien nee, niet legaliseren. De woning onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen en als zodanig aanduiden op de plankaart (en de hoofdbewoner(
- s)opnemen op de lijst behorende bij het bestemmingsplan). Voor de beoordeling of een noodwoning als bedrijfswoning kan worden bestemd, heeft de raad niet de 'Beoordelingsladder noodwoningen' toegepast, maar het reguliere beleid voor het toekennen van bedrijfswoningen in het buitengebied. 2.4.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de in het bestemmingsplan opgenomen regeling aansluit bij het provinciaal beleid dat ziet op de kwaliteit van en het contrast tussen het landelijk en stedelijk gebied. Een verdere verstening in de vorm van permanente woonvoorzieningen acht het college ongewenst. Met de regeling wordt het toevoegen van woonbestemmingen op een verantwoorde wijze, in overeenstemming met het provinciale beleid, mogelijk gemaakt, aldus het college. Het gaat vooral om noodwoningen in het landbouwontwikkelingsgebied ten oosten van Deurne, waar op grond van het reconstructiebeleid geen nieuwe woonbestemmingen mogen worden toegevoegd. Het college acht de handelwijze van de raad ook passend binnen de uitgangspunten van het overgangsrecht. Met het persoonsgebonden overgangsrecht wordt, aldus het college, bewerkstelligd dat uiteindelijk zicht bestaat op sanering van het gebruik van het gebouw. 2.4.4. Het betoog dat toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' onjuist is, omdat niet aannemelijk is dat het - met het plan strijdige - gebruik als woning binnen de planperiode zal worden beëindigd, faalt. Indien sprake is van bestaand gebruik dat in het daarvóór geldende plan onder het overgangsrecht viel en dat niet als zodanig in het plan kan worden bestemd, kan de raad er voor kiezen een persoonsgebonden overgangsrecht voor dat afwijkende gebruik op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. 2.4.5. Ook faalt het betoog dat het provinciale beleid niet in de weg staat aan een bestemming "Woondoeleinden" omdat van verstening als gevolg van nieuwbouw geen sprake is. De verstening waarop het provinciale beleid doelt betreft het juridisch-planologisch toevoegen van permanente woonvoorzieningen en niet, zoals [appellant sub 5], [appellant sub 30], [appellant sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17] betogen, slechts het feitelijk toevoegen van nieuwbouw. In hetgeen [appellant sub 5], [appellant sub 30], [appellant sub 15], [appellant sub 16] en [appellant sub 17] hieromtrent hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestemmingsplan opgenomen regeling in overeenstemming is met het provinciale beleid ter zake. 2.4.6. Het betoog dat in de algemene beleidslijn die de raad heeft gehanteerd - de Beoordelingsladder noodwoningen - ten onrechte van belang wordt geacht of de woning op een agrarisch bouwblok staat en of het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied ligt, faalt. Bij het onderzoek naar de vraag of voor de in geding zijnde noodwoningen thans een bestemming "Woondoeleinden" was aangewezen, heeft de raad terecht het provinciale beleid in aanmerking genomen. Dat beleid staat het toekennen van een nieuwe woonbestemming binnen een agrarisch bouwblok en/of binnen een landbouwontwikkelingsgebied niet toe. De inwerkingtreding van de Wet geurhinder behoefde voor het college geen aanleiding te zijn dat beleid niet onverkort toe te passen. Bovendien diende het college daarbij ook andere ruimtelijke aspecten, zoals luchtkwaliteit, geluidshinder of verkeersaantrekkende werking, te betrekken. 2.4.7. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 8] dat een noodwoning op grond van de beoordelingsladder niet voor een bestemming "Woondoeleinden" in aanmerking komt indien die noodwoning niet aan de openbare weg ligt, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij met de trede "is het gebouw goed ontsloten en gelegen aan de openbare weg" in de beoordelingsladder slechts beoogd heeft tot uitdrukking te brengen dat het perceel waarop die noodwoning staat op de openbare weg dient te zijn ontsloten. Die uitleg acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog van [appellant sub 8] faalt in zoverre. 2.4.8. Ook faalt het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 13] dat een langdurig gebruik als bedrijfswoning had moeten leiden tot een bestemming als zodanig. Uit de omstandigheid - wat daar verder ook van zij - dat vanwege het gebruiksovergangsrecht niet handhavend kon worden opgetreden tegen het gebruik als bedrijfswoning, volgt niet dat een noodwoning als bedrijfswoning dient te worden bestemd. In beginsel kan aan gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd. Om deze reden heeft het college dan ook, in overeenstemming met het daarvoor geldende gemeentelijke en provinciale beleid, in redelijkheid kunnen instemmen met de eis dat de noodzaak van een (eerste) bedrijfswoning moet zijn aangetoond, dan wel dat de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen positief heeft geadviseerd ten aanzien van een tweede bedrijfswoning. 2.4.9. Gelet op het voorgaande heeft de raad de Beoordelingsladder noodwoningen in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluitvorming om noodwoningen al dan niet opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De Afdeling acht het niet onredelijk dat het college daarmee heeft ingestemd. Het beroep van [appellant sub 1] 2.5. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 1] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.5.1. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de woning [locatie 1] moet worden bestemd als tweede bedrijfswoning bij het perceel [locatie 2] gelet op de ontstaansgeschiedenis van deze noodwoning en de ligging ervan tussen agrarische bedrijfsopstallen. 2.5.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de noodwoning [locatie 1] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht aangezien die noodwoning op een agrarisch bouwblok ligt, waar geen nieuwe woonfuncties zijn toegestaan. Het toekennen van de aanduiding '2DW' (maximaal twee dienstwoningen toegestaan) aan het bouwblok acht het college in strijd met het provinciale en gemeentelijke beleid, nu geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat een tweede agrarische bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. 2.5.3. [appellant sub 1] exploiteert aan de [locatie 2] een melkrundveehouderij. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied met meerwaarden" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok', 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Daardoor mag ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften op deze gronden één grondgebonden agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en mag één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht. Niet in geschil is dat dat de woning [locatie 2] betreft. Evenmin is in geschil dat de in geding zijnde noodwoning op de plankaart van het voorheen geldende plan was aangeduid als 'noodwoning' - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.5.4. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] aan de Beoordelingsladder noodwoningen geen aanspraak kan ontlenen op een bestemming "Woondoeleinden" voor de in geding zijnde noodwoning vanwege de ligging van die woning op een agrarisch bouwblok. Voorts behoefde het college in het betoog van [appellant sub 1] dat de noodwoning nodig is als tweede agrarische bedrijfswoning geen aanleiding te vinden om de noodwoning als zodanig te bestemmen. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] ter zitting heeft verklaard dat hij in het verleden nimmer gegevens heeft verstrekt waaruit de noodzaak van een tweede bedrijfswoning kan worden afgeleid. Overigens blijkt uit het deskundigenbericht dat [appellant sub 1] de noodwoning sinds enkele jaren verhuurt aan derden die niet werkzaam zijn in zijn agrarische bedrijf. Ook overigens is uit het aangevoerde niet gebleken van een bijzondere omstandigheid die ten aanzien van deze noodwoning had moeten leiden tot afwijking van het gehanteerde beleid. 2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 1] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 2.6. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroep ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de aanduiding 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) dat is toegekend aan het perceel [locatie 3]/[locatie 4] te [plaats], en tegen de bestemming 'Agrarisch gebied met meerwaarden' met de aanduiding 'ahs-ls' (leefgebied das) voor de omliggende gronden. 2.6.1. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 4] te [plaats]. Hij betoogt dat ten onrechte is getoetst aan de Beoordelingsladder noodwoningen aangezien geen sprake is van een noodwoning, maar van een tweede bedrijfswoning. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de woning en de bewoning ervan sinds 1944 had de woning als zodanig moeten worden bestemd. 2.6.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de raad de woning [locatie 4] terecht heeft getoetst aan de Beoordelingsladder noodwoningen. De aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning acht het college juist vanwege de ligging van de woning in een landbouwontwikkelingsgebied, waar geen nieuwe woonfuncties kunnen worden toegevoegd. Daarnaast is de woning gesitueerd op een agrarisch bouwblok, waar een (niet-noodzakelijke) tweede agrarische bedrijfswoning onwenselijk is, aldus het college. 2.6.3. Ter zitting heeft de raad zijn standpunt dat de Beoordelingsladder noodwoningen juist is toegepast op de woning [locatie 4] herzien, omdat inmiddels is gebleken dat de woning is gebouwd als (eerste) bedrijfswoning en ook als zodanig is gebruikt. De raad heeft ter zitting verklaard nader te willen onderzoeken of deze ontstaansgeschiedenis van de woning ertoe noopt om deze als tweede bedrijfswoning aan te merken. 2.6.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de aanduiding ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’ voor het perceel [locatie 3]/[locatie 4] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door niettemin goedkeuring te verlenen aan deze aanduiding heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van de aanduiding ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’ voor het perceel [locatie 3]/[locatie 4]. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze aanduiding. Het beroep van [appellant sub 3] 2.7. Het beroep van [appellant sub 3] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' en 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouw(en)) voor het perceel [locatie 5]/[locatie 6] te [plaats]. Hij betoogt dat de woning [locatie 6] geen noodwoning is, maar een voormalige bedrijfswoning die als zodanig wordt gebruikt. De aanduiding als noodwoning heeft tot gevolg dat zijn bestaande rechten en vermogenspositie onevenredig worden aangetast mede gelet op de omstandigheid dat de woning [locatie 5] die hij voorheen bewoonde, wordt verkocht aan derden en hij thans de woning [locatie 6] in gebruik heeft. Hij betoogt dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de woningen op het perceel Hemelrijkseweg 15a en Goorweg 27. Voorts heeft hij naar zijn mening recht om een woning te bouwen ter vervanging van het thans nog aanwezige bedrijfsgebouw. Daarnaast betoogt hij dat de raad ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om op het perceel kleinschalige bedrijfsactiviteiten toe te laten. De provinciale beleidsnota "Buitengebied In Ontwikkeling" en de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" voor het naburige perceel Hemelrijkseweg 18 wijzen er naar zijn stelling op dat een bescheiden bedrijfsfunctie in het kernrandgebied aanvaardbaar is. 2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de noodwoning [locatie 6] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht, aangezien die noodwoning is gesitueerd in het bedrijfsgebouw van een voormalige champignonkwekerij. Voorts acht het college in navolging van de raad nieuwvestiging of omschakeling naar niet-agrarische bedrijvigheid niet passend voor de gronden van [appellant sub 3], nu in de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties voor de kernrandzone Hemelrijkseweg de nadruk is gelegd op 'wonen'. Door de sloop van alle voormalige bedrijfsbebouwing met daarin de aanwezige noodwoning kan naar de stelling van de raad een ruimtelijke kwaliteitswinst worden behaald. In dat geval kan de toevoeging van een woning, onder voorwaarden, op het perceel mogelijk worden. Hiervoor moet, aldus de raad, eerst nader onderzoek worden verricht, waarna in een afzonderlijke procedure daarover kan worden beslist. 2.7.2. Op het perceel [locatie 5] staan een woning en een bedrijfsgebouw van een voormalige champignonkwekerij. In het bedrijfsgebouw is een tweede woning gebouwd. Voor het overige wordt dit bedrijfsgebouw gebruikt voor opslag. Het perceel heeft op plankaart 1 de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' en 'VAB'. Op plankaart 2 ligt het perceel in 'kernrandzone 1'. Ingevolge het voor "Woondoeleinden" geldende artikel 8 van de planvoorschriften is per bestemmingsvlak één woning toegestaan. Niet in geschil is dat dit de woning [locatie 5] betreft. De aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning [locatie 6], die zich in het bedrijfsgebouw van de voormalige champignonkwekerij bevindt. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.5., van de planvoorschriften geldt voor het bestemmingsvlak met de aanduiding 'VAB' op de plankaart dat binnen deze vlakken de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen (…) mogen worden gebruikt voor statische opslag tot een maat van maximaal 1000 m². Ingevolge artikel 8, lid 8.4., van de planvoorschriften, voor zover van belang, kan het college van burgemeester en wethouders gronden voor zover gelegen binnen de aanduidingen 'kernrandzone' op plankaart 2, dan wel bestemmingsvlakken met de aanduiding 'VAB' op plankaart 1, onder voorwaarden wijzigen in de bestemming 'niet-agrarische bedrijven met de nadere aanduiding 'agrarisch verwant bedrijf' of de bestemming 'recreatieve doeleinden'. Aan de bevoegdheid om deze gronden te wijzigen in de bestemming 'niet-agrarische bedrijven' heeft het college goedkeuring onthouden. Op de plankaart van het voorheen geldende plan was de in geding zijnde noodwoning aangeduid als 'noodwoning' - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.7.3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 3] aan de Beoordelingsladder noodwoningen geen aanspraak kan ontlenen op een bestemming "Woondoeleinden" voor de in geding zijnde noodwoning vanwege de situering van de woning in een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw. Voor het oprichten van de woning is geen bouwvergunning verleend. In de omstandigheid dat de woning in strijd met de aanduiding als bedrijfswoning in gebruik is en reeds lange tijd is geweest, behoefde het college geen aanleiding te zien om af te wijken van het beleid. Er bestaat voorts geen grond voor de verwachting dat de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' een onevenredige aantasting van de bestaande rechten en de vermogenspositie van [appellant sub 3] tot gevolg heeft. De woning was in het voorheen geldende plan al onder het overgangsrecht gebracht en voorzien van de aanduiding 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing'. Hiermee heeft de raad aangegeven dat de aanwezigheid van de woning slechts beperkte rechten oplevert en dat het verdwijnen van deze woning wordt beoogd. Door in dit plan het gebruik van de woning onder het persoonsgebonden overgangsrecht te brengen, waarmee wordt bewerkstelligd dat het gebruik als woning op termijn wordt beëindigd, heeft de raad nader invulling gegeven aan zijn oogmerk. Dat [appellant sub 3] in de als noodwoning aangeduide woning [locatie 6] is gaan wonen en de woning [locatie 5] heeft verkocht aan derden komt voor zijn risico en rekening. 2.7.4. Het betoog van [appellant sub 3] dat hij recht heeft op de bouw van een woning op het perceel ter vervanging van het thans nog aanwezige bedrijfsgebouw, welk recht niet in het plan is vastgelegd, faalt. Van een bestaand recht van [appellant sub 3] dat in het voorliggende plan dient te worden opgenomen is niet gebleken. Voorts staat het gemeentelijke beleid op basis van de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties weliswaar het toevoegen van een woning in dit gebied toe, maar eerst nadat is voldaan aan nader in dat beleid gestelde voorwaarden gericht op kwaliteitsverbetering van het gebied, waaronder de sloop van voormalige bedrijfsbebouwing. Daarvan is thans geen sprake. 2.7.5. Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de percelen Hemelrijkseweg 15a en Goorweg 27 wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Op de plankaart van het voorheen geldende plan waren die percelen niet voorzien van de aanduiding 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing'. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.7.6. Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met het perceel Hemelrijkseweg 18 wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Op de plankaart van het voorheen geldende plan had dit perceel reeds een niet-agrarische bedrijfsbestemming. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.7.7. Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte niet is voorzien in de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" voor het perceel wordt overwogen dat de raad het provinciale beleid ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van bebouwingsconcentraties zoals vervat in de beleidsnota "Buitengebied in Ontwikkeling" van 20 juli 2004 heeft neergelegd in de gemeentelijke Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties. Anders dan [appellant sub 3] stelt, biedt de provinciale beleidsnota zelf geen mogelijkheid voor een bescheiden bedrijfsfunctie op zijn perceel. De gemeentelijke gebiedsvisie legt voor het gebied waarin het perceel ligt de nadruk op de woonfunctie. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant sub 3] gewenste aanduiding kleinschalige bedrijvigheid en ateliers in de bedrijfscategorieën 1 en 2 op het perceel niet gewenst is. 2.7.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4] 2.8. Het beroep van [appellant sub 4] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'VAB' (vrijgekomen agrarisch bedrijfsgebouw(en)) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor het perceel [locatie 7] te [plaats]. Hij betoogt dat de woning [locatie 7] een voormalige bedrijfswoning betreft die als zodanig is vergund. De aanduiding als noodwoning heeft tot gevolg dat zijn bestaande rechten en vermogenspositie onevenredig worden aangetast. Hij betoogt dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de woningen op het perceel Hemelrijkseweg 15a, Hemelrijkseweg 18 en Goorweg 27. Voorts stelt hij het recht te hebben om een vervangende woning te bouwen. Daarnaast betoogt hij dat de raad ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om op het perceel kleinschalige bedrijfsactiviteiten toe te laten. De provinciale beleidsnota "Buitengebied In Ontwikkeling" en de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" voor het naburige perceel Hemelrijkseweg 18 wijzen er naar zijn stelling op dat een bescheiden bedrijfsfunctie in het kernrandgebied aanvaardbaar is. 2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de noodwoning [locatie 7] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht, aangezien die noodwoning is gesitueerd in het bedrijfsgebouw van een voormalige champignonkwekerij. Voorts acht het college nieuwvestiging of omschakeling naar niet-agrarische bedrijvigheid niet passend voor het perceel van [appellant sub 4]. 2.8.2. Op het perceel [locatie 7] staat een bedrijfsgebouw dat voorheen als champignonkwekerij in gebruik was. Daarin bevindt zich de woning [locatie 7]. Het bedrijfsgebouw wordt voor het overige gebruikt voor opslag. Het perceel heeft op plankaart 1 de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' en 'VAB'. Ingevolge artikel 3, lid 3.2., van de planvoorschriften zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bouwblok' op plankaart 1 agrarische bedrijven toegestaan. Per agrarisch bouwblok is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.8., van de planvoorschriften geldt voor bestaande gebouwen met de aanduiding 'VAB' op de plankaart dat deze bedrijfsgebouwen mogen worden gebruikt voor statische opslag tot een maat van maximaal 1000 m². 2.8.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening IX: correctieve herziening" van 1988 was aan het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok A (met woning) toegekend, met de aanduiding 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.8.4. Niet in geschil is dat in 1969 een bouwvergunning voor het perceel van [appellant sub 4] is verleend voor de bouw van een champignonkwekerij met tijdelijke bewoning. Ook is niet in geschil dat [appellant sub 4] de mogelijkheid die de voorheen geldende bestemming voor het perceel bood om een bedrijfswoning op het perceel te bouwen, niet heeft benut. Bij het toekennen van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' heeft de raad geen rekening gehouden met de bouwvergunning uit 1969. Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat per abuis geen bouwblok op de plankaart is ingetekend ter plaatse van het perceel van [appellant sub 4], waardoor het aanwezige bedrijfsgebouw onder het overgangsrecht is gebracht. Het college heeft een en ander niet onderkend. Gelet op het voorgaande is het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' en 'VAB' voor het perceel [locatie 7], onzorgvuldig vastgesteld. 2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' en 'VAB' voor het perceel [locatie 7] te [plaats]. De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. 2.8.6. Vanwege het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het beroep van [appellant sub 5] 2.9. Het beroep van [appellant sub 5] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 8] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.9.1. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het college niet concreet ingaat op zijn ingebrachte bedenkingen en dat de aanwijzing van het gebied waarin het perceel ligt als landbouwontwikkelingsgebied onjuist is. Daarnaast betoogt hij dat het college aan de hand van de individuele omstandigheden had moeten beoordelen of sprake is van een noodwoning dan wel van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, die noodzaken tot afwijken van de algemene beleidslijn. Als bijzondere omstandigheden voert hij aan dat op het perceel extra ruimte kan worden gecreëerd en dat uitbouw van de woning tot de maximaal toegestane inhoudsmaat mogelijk is. Voorts voert hij aan dat de woning indertijd op verzoek van het gemeentebestuur is verplaatst van de Zandbosweg naar de huidige locatie, dat de woning langdurig en bestendig als zodanig wordt gebruikt, dat het college van burgemeester en wethouders het gebruik van de woning heeft gedoogd en geen gemeentelijk beleid heeft voor het beëindigen van de bewoning. Hierdoor is bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de woning in de toekomst bewoond mocht blijven. Ook lijdt hij financiële schade door de waardedaling van de woning. Een bestemming "Woondoeleinden" is naar zijn mening mogelijk, nu de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties het gebied waar de woning staat, aanduidt als ontwikkelingscluster met de mogelijkheid om de lintbebouwing op te vullen. Voorts ligt de woning op zeer korte afstand van de stedelijke kern van Deurne in een omgeving waar reeds vele burgerwoningen staan en waar nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet is toegestaan. 2.9.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de woning [locatie 8] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht vanwege de ongunstige situering van de woning op het perceel die wordt veroorzaakt door het nagenoeg ontbreken van een achtertuin bij de woning. Hierdoor voldoet de woning in stedenbouwkundig opzicht niet aan de criteria van de beoordelingssystematiek, aldus het college. 2.9.3. Het betoog van [appellant sub 5] dat het college niet concreet is ingegaan op de ingebrachte bedenkingen faalt. Het college heeft in zijn besluit de beoordeling van de zienswijzen door de raad, zoals die is neergelegd in het raadsbesluit, onderschreven, voor zover in de beoordeling van de bedenkingen niet anders is aangeven. De beoordeling van de raad maakt daardoor als zodanig deel uit van de overwegingen van het college. Nu de ingebrachte bedenkingen niet wezenlijk afwijken van de ingebrachte zienswijzen, is het college voldoende ingegaan op de bedenkingen. 2.9.4. Op het perceel staan de in geding zijnde zelfstandige woning [locatie 8], de woning [locatie 9] met een voormalige varkensstal, en een garage. Het perceel heeft in het plan de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge het voor "Woondoeleinden" geldende artikel 8 van de planvoorschriften is per bestemmingsvlak één woning toegestaan. Niet in geschil is dat dat de woning [locatie 9] betreft. De aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning [locatie 8]. 2.9.5. Het betoog van [appellant sub 5] dat het gebied waarin zijn perceel ligt ten onrechte is aangeduid als landbouwontwikkelingsgebied mist feitelijke grondslag, nu dat gebied op plankaart 2 is aangeduid als verwevingsgebied. 2.9.6. De in geding zijnde woning was in het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening IX: correctieve herziening" van 1988 aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. Derhalve heeft het college in navolging van de raad deze woning voor de toepassing van het beleid terecht aangemerkt als noodwoning. Het betoog dat aanspraak bestaat op een woonbestemming omdat de woning op verzoek van het college van burgemeester en wethouders is verplaatst naar de huidige locatie faalt. Voor het oprichten van de woning is geen bouwvergunning verleend. [appellant sub 5] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hiervoor anderszins toestemming is verleend. 2.9.7. In de plantoelichting is een toelichting op de onderscheiden treden van de Beoordelingsladder opgenomen. Volgens deze toelichting geldt voor de vraag die moet worden beantwoord bij trede 5 van de Beoordelingsladder, namelijk of het gebouw is gelegen op een perceel met een redelijke omvang, dat een redelijke omvang een omvang is die aansluit bij de omvang van de woonpercelen in de omgeving. Hierbij is ook van belang, aldus de toelichting, waar het gebouw op het perceel staat. Voorts is van belang of het perceel over een achtertuin beschikt of daarover kan beschikken en of het gebouw kan worden vergroot gelet op de perceelsomvang tot een woning die voldoet aan de eisen van deze tijd. 2.9.8. Volgens het deskundigenbericht ligt tussen de noodwoning en de daarachter gelegen voormalige varkensstal een tuin met een diepte van tenminste 5 meter. [appellant sub 5] heeft ter zitting aangegeven dat hij bereid is om het achterste gedeelte van de voormalige varkensstal te verwijderen en de achtertuin te vergroten. Ook bevestigt het deskundigenbericht het standpunt van [appellant sub 5] dat de woning kan worden vergroot tot de maximale inhoudsmaat door de bouw van een extra verdieping op de woning. De raad noch het college hebben een en ander betwist. 2.9.9. Naar het oordeel van de Afdeling hebben het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de woning [locatie 8] de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' moet worden toegekend op de grond dat eerst ruimtelijke ingrepen moeten plaatsvinden alvorens een stedenbouwkundig aanvaardbare situatie ontstaat. Met dit standpunt gaan het college en de raad eraan voorbij dat volgens de plantoelichting ook de mogelijkheden om de achtertuin en de woning zelf te vergroten in ogenschouw moeten worden genomen. Nu uit het deskundigenbericht volgt dat zowel de noodwoning als de achtertuin kunnen worden vergroot, hebben het college en de raad niet kunnen volstaan met het enkel beoordelen van de bestaande situatie. 2.9.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de aanduiding ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’ voor de woning [locatie 8] in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Door niettemin goedkeuring te verlenen aan deze aanduiding heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van die aanduiding. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze aanduiding. 2.9.11. Vanwege het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het beroep van [appellant sub 6] 2.10. Het beroep van [appellant sub 6] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de tweede woning op zijn perceel [locatie 10]/[locatie 11] te [plaats]. Hij betoogt dat die woning in het plan ten onrechte is aangemerkt als noodwoning. 2.10.1. [appellant sub 6] exploiteert aan de [locatie 10]/[locatie 11] een veehouderij. Op het perceel staan voorts de woningen [locatie 10] en [locatie 11]. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok', 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en mag één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht. 2.10.2. In het voorheen geldende plan waren de gronden eveneens bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en mocht eveneens ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd. Tevens was het plandeel op de plankaart voorzien van de aanduiding 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41 lid A, sub 2)'. 2.10.3. Op plankaart 1 van het voorliggende plan is de woning [locatie 10] aangeduid als 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Hieruit volgt dat de woning [locatie 11] in het plan is aangemerkt als de bedrijfswoning als bedoeld in artikel 3 van de planvoorschriften. In het voorheen geldende plan was echter voor de woning [locatie 11] voorzien in de aanduiding "noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)". De raad en het college hebben ter zitting verklaard dat in dit plan abusievelijk de woning [locatie 10] is aangeduid als 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' in plaats van de woning [locatie 11]. Gelet hierop is de in geding zijnde aanduiding 'noodwoning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 10] onzorgvuldig vastgesteld. 2.10.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door de aanduiding niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding 'noodwoning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 10]. De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan deze aanduiding. Het beroep van [appellant sub 7] 2.11. Het beroep van [appellant sub 7] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) op plankaart 1 met betrekking tot het perceel [locatie 12] te [plaats], omdat daarmee geen sprinkhanenkwekerij op het perceel wordt toegestaan, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Eveneens steunt het beroep voor zover gericht tegen de aanduidingen 'landbouwontwikkelingsgebied primair' en 'landbouwontwikkelingsgebied secundair' op plankaart 2 met betrekking tot het perceel, niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.11.1. Het beroep van [appellant sub 7] richt zich voorts tegen de aanduiding "woning met persoonsgebonden overgangsrecht" voor de noodwoning op zijn perceel [locatie 12]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.11.2. [appellant sub 7] betoogt verder dat de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' pas na de terinzageligging van het ontwerpplan aan de plankaart is toegevoegd. Daardoor heeft de raad niet kunnen oordelen over zijn bezwaren ten aanzien van de wijziging. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in de algemene beleidslijn die de gemeenteraad heeft gehanteerd - de Beoordelingsladder noodwoningen - ten onrechte geen belang wordt gehecht aan de legale status van het huidige gebruik en geen rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval. Het beroep van [appellant sub 7] richt zich ten slotte tegen de goedkeuring van de aanduiding '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) met betrekking tot zijn perceel [locatie 12]. [appellant sub 7] betoogt dat hem ten onrechte de mogelijkheid wordt ontnomen om een bedrijfswoning op het perceel te realiseren, terwijl het voorgaande bestemmingsplan deze mogelijkheid wel bood. Hij stelt dat de bedrijfswoning noodzakelijk is voor het voortzetten van zijn aldaar gevestigde agrarische bedrijf. Voorts stelt hij dat hij vermogens- en inkomensschade zal lijden en dat de waarde van zijn perceel zal dalen. 2.11.3. Het college heeft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' goedgekeurd nu gelet op de Beoordelingsladder noodwoningen geen recht bestaat op een woonbestemming voor de noodwoning. Het college heeft de aanduiding '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) goedgekeurd omdat bij een bedrijfsbezoek in het voorjaar van 2006 nagenoeg geen agrarische activiteiten zijn geconstateerd. Een bedrijfswoning kan worden toegestaan, aldus het college, zodra dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. 2.11.4. Ten aanzien van de woning [locatie 12] heeft de raad aan de hand van de Beoordelingsladder noodwoningen besloten die niet te bestemmen als "Woondoeleinden" omdat het perceel waarop de noodwoning staat, in het landbouwontwikkelingsgebied ligt en omdat de noodwoning eveneens binnen een agrarisch bouwblok ligt. Het persoonsgebonden overgangsrecht voor de noodwoning garandeert dat het gebruik als woning in het buitengebied op termijn zal worden beëindigd, aldus de raad. De raad heeft de aanduiding '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) opgenomen en de woning niet als bedrijfswoning aangemerkt omdat er geen sprake is van een bestaand, volwaardig agrarisch bedrijf. Voorts biedt, aldus de raad, de in het plan opgenomen vrijstellingsmogelijkheid voor het oprichten van bedrijfswoningen evenveel ruimte als de vrijstellingsmogelijkheid die het voorgaande plan aan [appellant sub 7] bood. 2.11.5. [appellant sub 7] oefent op het perceel [locatie 12] een agrarisch bedrijf uit waar hij vaste planten, asperges en sprinkhanen kweekt. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok', 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf), '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en is geen bedrijfswoning op het perceel toegestaan. De binnen het bouwblok voorkomende aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning. 2.11.6. Voorop staat dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Het betoog faalt derhalve. 2.11.7. De Afdeling stelt vast dat voor het perceel voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied" van 1980 gold. De in geding zijnde noodwoning was op de plankaart aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. Op 2 juli 1970 is een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte op het perceel. Onweersproken is gesteld dat binnen het bestaande bedrijfsgebouw zonder bouwvergunning aan de voorzijde een woning is gerealiseerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 7] aan de zogenoemde "Beoordelingsladder noodwoningen" geen aanspraak kan ontlenen op een bestemming "Woondoeleinden" voor de in geding zijnde noodwoning. Immers, er wordt gewoond in een (agrarisch) bedrijfsgebouw, hetgeen gelet op trede 3 van de Beoordelingsladder noodwoningen zoals hiervoor onder 'Algemene bezwaren' overwogen, niet is toegestaan. Van specifieke omstandigheden op grond waarvan de raad had moeten afwijken van de Beoordelingsladder noodwoningen is uit het aangevoerde niet gebleken. Het betoog van [appellant sub 7] dat geen belang wordt gehecht aan de legale status van het huidige gebruik, kan niet tot vernietiging leiden. Voor zover sprake is van legaal gebruik betreft dit gebruik dat op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan was toegestaan. Aan zodanig gebruik kan evenwel op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachting worden ontleend op een bestemming overeenkomstig dat gebruik, nu het overgangsrecht er juist op is gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt ook in zoverre. 2.11.8. Het betoog van [appellant sub 7] dat, in tegenstelling tot het vorige plan, in het huidige plan ten onrechte geen bedrijfswoning op het perceel wordt toegestaan, slaagt evenmin. Ingevolge artikel 11 van het vorige plan waren de gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en mocht ten dienste van een bestaand agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden dan de voorheen geldende vaststellen. De raad heeft in dit geval daartoe kunnen besluiten, nu voor een (bedrijfs)woning op het perceel nooit een bouwvergunning is verleend en van een concreet plan voor het oprichten daarvan niet is gebleken. Voorts heeft [appellant sub 7], mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat een bedrijfswoning niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het opnemen van de aanduiding '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) met betrekking tot het perceel. 2.11.9. De stelling van [appellant sub 7] dat hij door het plan inkomens- en vermogensschade zal lijden, heeft hij niet nader onderbouwd. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel [locatie 12] te [plaats], bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. 2.11.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduidingen '0DW' (geen (bedrijfs)woning toegestaan) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor het perceel [locatie 12] te [plaats] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.12. Het beroep van [appellant sub 8], woonachtig aan de [locatie 13], richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met betrekking tot het perceel [locatie 14] te [plaats]. [appellant sub 8] betoogt dat het positief bestemmen van de noodwoning in strijd is met het provinciale beleid en dat het college ten onrechte heeft gesteld dat de raad op zorgvuldige wijze de noodwoningen in het plangebied heeft bestemd. Voorts betoogt zij dat de noodwoning op het perceel [locatie 14] ten onrechte is getoetst aan de Beoordelingsladder noodwoningen. Zij voert daartoe aan dat het overgangsrecht niet meer op de noodwoning van toepassing was omdat de originele noodwoning niet meer bestaat en omdat bewoning ervan tussentijds gestaakt is geweest. Verder had de noodwoning gelet op de Beoordelingsladder noodwoningen geen positieve woonbestemming kunnen krijgen, zo stelt [appellant sub 8]. 2.12.1. Het perceel [locatie 14] is op plankaart 1 aangewezen voor "Woondoeleinden", "Agrarisch gebied (AHS)" en "Bos en natuur (GHS)". De plandelen die zijn aangewezen voor "Agrarisch gebied (AHS)" zijn tevens voorzien van de aanduiding 'bosovergangsgebied'. Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften zijn de voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met aan huis gebonden beroepen en kleinschalig kamperen. Daarnaast is per bestemmingsvlak één woning toegestaan. 2.12.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmen van de in het plangebied aanwezige noodwoningen in overeenstemming is met provinciaal beleid en dat de raad dit op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd. Het college is van mening dat de noodwoning op het perceel [locatie 14] terecht aan de Beoordelingsladder noodwoningen is getoetst en dat de woonbestemming in dit geval aanvaardbaar is. 2.12.3. De raad stelt zich op het standpunt dat de noodwoning gelet op de Beoordelingsladder noodwoningen positief kon worden bestemd. Hierbij is de raad ervan uitgegaan dat de - zuidelijke - weg waarop de noodwoning bij de beoordeling was ontsloten een openbare weg was. De raad stelt dat, hoewel de huidige - noordelijke - bosweg, waarmee het perceel wordt ontsloten, niet op de wegenlegger staat, het waarschijnlijk is dat het stuk bos waarin de weg ligt meer dan 40 jaar openbaar toegankelijk is geweest. 2.12.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1980 waren de gronden van het perceel [locatie 14] bestemd als "Bos en bosschages". De in geding zijnde noodwoning was op de plankaart aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.12.5. Het provinciale ruimtelijke beleid, als neergelegd in de "Paraplunota Ruimtelijke ordening" van 2008, staat in beginsel toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied niet toe. Ter zitting heeft het college toegelicht dat in een concrete situatie sanering van feitelijk aanwezige noodwoningen een toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied kan rechtvaardigen. Het college stelt dat het gemeentelijke beleid de kwaliteit van het buitengebied verbetert, zodat dit beleid in overeenstemming is met het provinciale beleid. Deze uitleg van het college acht de Afdeling niet onredelijk. Gelet hierop faalt het betoog dat het als woning bestemmen van een noodwoning in strijd is met het provinciaal beleid. [appellant sub 8] kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat de raad de noodwoningen onzorgvuldig zou hebben getoetst. Het feit dat de noodwoning die op het naburige perceel [locatie 13] aanwezig was niet in de inventarisatie is meegenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Niet aannemelijk is geworden dat door deze enkele omstandigheid de door de raad uitgevoerde inventarisatie ondeugdelijk zou zijn. Daarbij geldt voorts dat die noodwoning inmiddels niet meer als zelfstandige woning in gebruik is, maar aan de woning van [appellant sub 8] is toegevoegd. 2.12.6. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 8] dat het overgangsrecht niet meer op de noodwoning op het perceel [locatie 14] van toepassing was, wordt overwogen dat de raad bij de beoordeling of de noodwoningen in het plangebied positief konden worden bestemd, is uitgegaan van de aanduiding van die woningen op de plankaart van het voorheen geldende plan. Iedere woning die op die plankaart was aangeduid als 'noodwoning' heeft de raad aan de Beoordelingsladder noodwoningen getoetst. Daarbij is de raad uitgegaan van de op dat moment aanwezige, feitelijke situatie van de bebouwing en van het gebruik. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad een beleidsuitgangspunt te kiezen en het in dit geval door de raad gekozen uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk. Nu de noodwoning [locatie 14] voldoet aan dit uitgangspunt, heeft de raad deze woning terecht getoetst aan de Beoordelingsladder noodwoningen. De gestelde illegale verbouwingen en onduidelijkheid over het in het verleden gestaakte gebruik zijn bij die toetsing niet van belang. 2.12.7. Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 8] dat de noodwoning gelet op de Beoordelingsladder noodwoningen niet in aanmerking kwam voor een woonbestemming, overweegt de Afdeling dat het college in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de noodwoning aan de treden 1 tot en met 4 van de Beoordelingsladder noodwoningen voldoet. In trede 5 van de Beoordelingsladder noodwoningen staat dat onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarden dat een 'woonbestemming' vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord dient te zijn en dat het gebouw goed is ontsloten én aan de openbare weg is gelegen. Hiervoor bij de bespreking van de 'Algemene bezwaren' is onder 2.4.7. de uitleg van de raad dat hij daarmee slechts beoogd heeft tot uitdrukking te brengen dat het perceel waarop de noodwoning staat op de openbare weg dient te zijn ontsloten, aanvaard. Bij de inventarisatie van het plan is er vanuit gegaan dat de zuidelijke weg naar de noodwoning, die thans niet meer aanwezig is, de openbare toegangsweg betrof. Uit de beantwoording van de zienswijze en de reactie op het deskundigenbericht blijkt dat de raad ten tijde van de planvaststelling heeft onderzocht of het vervallen van de zuidelijke weg als toegangsweg aanleiding was om tot een andere beoordeling te komen maar daartoe niet is overgegaan, omdat inmiddels een ontsluiting via de noordzijde van het perceel was gerealiseerd. Derhalve wordt thans uitsluitend de noordelijke toegangsroute - een bospad - in beschouwing genomen. 2.12.8. Met betrekking tot het betoog dat de woning niet goed is ontsloten op de openbare weg, wordt overwogen dat vast is komen te staan dat het bospad niet voorkomt op de overgelegde wegenlegger. De openbaarheid van die weg vloeit derhalve niet voort uit artikel 49 van de Wegenwet. De raad heeft gesteld dat het bospad door verjaring ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet een openbare weg is geworden, omdat deze gedurende een periode van 30 jaar aaneengesloten voor iedereen toegankelijk is geweest. De raad heeft zijn stelling echter met geen enkel stuk aannemelijk gemaakt. De enkele stelling ter zitting dat het pad in een bouwvergunning uit 1954 voor het verbouwen van de woning [locatie 13] al als doorgaande weg staat aangegeven, wat daarvan verder ook zij, wordt daarvoor niet voldoende geacht. Door zonder nader onderzoek ervan uit te gaan dat de noodwoning vanwege haar ligging aan het bospad voldoet aan de voorwaarde dat de woning op de openbare weg is ontsloten, heeft de raad dit plandeel in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel vastgesteld. Het college heeft dit niet onderkend. 2.12.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel [locatie 14] te [plaats]. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Het beroep van [appellant sub 9] 2.13. Het beroep van [appellant sub 9] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning, aangeduid als [locatie 15] op zijn perceel [locatie 16] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.13.1. [appellant sub 9] betoogt voorts dat het moeten aantonen van de noodzaak voor een tweede agrarische bedrijfswoning in strijd is met de ontstaansgeschiedenis van de noodwoning, nu deze altijd is bewoond als bedrijfswoning bij zijn agrarische bedrijf. 2.13.2. De aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de noodwoning [locatie 15] acht het college juist. Bestemmen als tweede bedrijfswoning acht het college in strijd met het provinciale beleid, omdat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat een tweede agrarische bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. 2.13.3. [appellant sub 9] exploiteert op zijn perceel een rundveehouderij. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok', 'GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) en 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en mag één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht. De binnen het bouwblok voorkomende aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning. 2.13.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1980 waren de gronden van het perceel [locatie 16] grotendeels bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en mocht eveneens ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd. De gronden in de zuidwesthoek van het perceel met daarop de in geding zijnde noodwoning, waren bestemd voor "Woondoeleinden (vrijstaande woning)". De in geding zijnde noodwoning op deze gronden was op de plankaart aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.13.5. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 9] in dit plan geen aanspraak kan maken op een aanduiding als tweede agrarische bedrijfswoning voor de in geding zijnde noodwoning. [appellant sub 9] heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering op het perceel. De omstandigheid dat de noodwoning altijd gefunctioneerd heeft als tweede agrarische bedrijfswoning behoefde voor het college geen aanleiding te zijn om op dit punt van het provinciale beleid af te wijken, nu het een gebruik betreft dat slechts op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan was toegestaan. Aan zodanig gebruik kan evenwel op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachting worden ontleend op een bestemming overeenkomstig dat gebruik, nu het overgangsrecht er juist op is gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt. 2.13.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 15] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10] 2.14. Het beroep van [appellant sub 10] richt zich tegen de goedkeuring van de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met betrekking tot zijn perceel [locatie 17]/[locatie 18] te [plaats], voor zover daaraan niet de aanduiding '2DW' (maximaal twee bedrijfswoningen toegestaan) is toegekend. [appellant sub 10] betoogt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat het college zich bij het nemen van het besluit heeft gebaseerd op onjuiste informatie. Het college is er ten onrechte vanuit gegaan dat de woning [locatie 18] een noodwoning betrof die ingevolge de Beoordelingsladder noodwoningen beoordeeld diende te worden, zo stelt [appellant sub 10]. Voorts stelt [appellant sub 10] dat op het perceel een tweede bedrijfswoning toegestaan moet worden omdat met het gemeentebestuur schriftelijk is overeengekomen dat het pand mocht worden bewoond. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de woning steeds een relatie met het bedrijf had. Verder stelt [appellant sub 10] dat niet aannemelijk is dat de bewoning van de woning [locatie 18] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het is daarom niet redelijk om deze woning nu opnieuw onder het overgangsrecht te brengen, zo betoogt [appellant sub 10]. 2.14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het provinciale beleid erop is gericht dat bedrijfswoningen bij aan het buitengebied gebonden bedrijven slechts kunnen worden toegestaan indien zij noodzakelijk worden geacht voor de bedrijfsvoering. Het college heeft ten aanzien van de woning [locatie 18] geen daarop betrekking hebbende gegevens ontvangen, zodat de noodzakelijkheid niet is aangetoond. 2.14.2. De raad stelt zich op het standpunt dat op het perceel reeds een bedrijfswoning aanwezig is in de vorm van de woning [locatie 17]. De raad stelt dat de woning [locatie 18] niet als bedrijfswoning kan worden bestemd omdat er nooit een bouwvergunning is verleend voor een tweede bedrijfswoning. Voorts betoogt de raad dat voor het bestemmen als bedrijfswoning een aparte procedure dient te worden doorlopen. Daarbij dient de noodzakelijkheid voor de bedrijfsvoering te worden aangetoond en in dit geval is dat niet gebeurd, zo stelt de raad. 2.14.3. [appellant sub 10] exploiteert op het perceel een potplantenkwekerij. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok' en 'glastuinbouw'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en mag één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht. 2.14.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening XX: tuinbouwgebied Goorweg" van 1993 waren de gronden bestemd als "Glastuinbouw" en mocht eveneens ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd. 2.14.5. Op 26 mei 1987 is met het gemeentebestuur overeengekomen dat de bestaande bedrijfsruimte aan de [locatie 17], thans de woning [locatie 18], tijdelijk bewoond mocht worden door de ouders van [appellant sub 10]. Vaststaat dat de ouders van [appellant sub 10] nog wonen in de desbetreffende bedrijfsruimte. Ter zitting heeft de raad verklaard dat, tenzij verandering komt in die situatie, daartegen niet handhavend zal worden opgetreden. 2.14.6. De Afdeling volgt [appellant sub 10] niet in zijn betoog dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat het voor zijn perceel in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen. In zijn reactie op het deskundigenbericht en ter zitting heeft het college weliswaar aangegeven dat het in het goedkeuringsbesluit abusievelijk is ingegaan op het beleid ten aanzien van noodwoningen, maar het college heeft zich voor het overige op het standpunt gesteld dat de woning [locatie 18] terecht niet is bestemd als tweede agrarische bedrijfswoning. 2.14.7. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 10] dat een tweede bedrijfswoning op het perceel dient te worden toegestaan, wordt overwogen dat voor het deels inrichten als woning van de met bouwvergunning opgerichte bedrijfsruimte geen bouwvergunning is verleend. Voorts volgt uit de bouwtekening behorende bij de bouwvergunning voor het oprichten van een berging-opslagruimte op het perceel [locatie 17] - anders dan [appellant sub 10] stelt - niet dat deze vergunning mede ziet op het veranderen van de woning op het perceel [locatie 18]. De raad behoefde in de overeenkomst van 26 mei 1987 geen aanleiding te zien om de woning als bedrijfswoning te bestemmen, nu in die overeenkomst enkel wordt voorzien in een persoonsgebonden toestemming tot tijdelijke bewoning van een bij het bedrijf behorende bedrijfsruimte. Uit de overeenkomst kan geenszins afgeleid worden dat de woning tot tweede bedrijfswoning bestemd diende te worden. Het beleid van de raad dat van de noodzaak van een tweede bedrijfswoning moet zijn gebleken, is niet onredelijk te achten. [appellant sub 10] heeft nimmer stukken overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel een tweede bedrijfswoning noodzakelijk was. Het feit dat de woning [locatie 18] altijd een relatie heeft gehad met het agrarische bedrijf, wat daarvan verder ook zij, wordt voor het aannemen van noodzakelijkheid onvoldoende geacht. De raad heeft derhalve geen aanleiding behoeven te zien voor het als bedrijfswoning bestemmen van de woning [locatie 18]. 2.14.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 18] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 11] en anderen 2.15. Het beroep van [appellant sub 11] en anderen richt zich tegen de goedkeuring van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' met betrekking tot de noodwoning [locatie 19] op het perceel [locatie 20] te Deurne. Voorts richt het beroep zich tegen de ligging van het bouwblok, waarin de woning [locatie 21] mede is betrokken. [appellant sub 11] en anderen betogen dat de woning [locatie 19] ten onrechte onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht. Zij stellen dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de woning altijd bewoond is geweest en dat de gemeente nooit handhavend is opgetreden. Voorts had ook gelet op het beleid voor noodwoningen aan [locatie 19] een woonbestemming toegekend dienen te worden, nu de woning passend is in de Beoordelingsladder noodwoningen, zo betogen [appellant sub 11] en anderen. Daarnaast stellen zij dat eveneens gelet op een aantal vergelijkbare situaties, een bestemming als burgerwoning passend was geweest. Het aanmerken van de woning [locatie 19] als bedrijfswoning heeft geen nadelige planologische gevolgen nu deze in het kader van milieuregelgeving reeds als bedrijfswoning werd beoordeeld. [appellant sub 11] en anderen betogen dat de eis om de noodzaak van een bedrijfswoning aan te tonen niet terecht is nu het in dit geval gaat om een reeds bestaande woning. [appellant sub 11] en anderen betogen verder dat het bouwblok van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 20] onterecht mede betrekking heeft op het perceel [locatie 21]. Zij stellen dat de woning [locatie 21] nooit deel heeft uitgemaakt van de inrichting van dat agrarische bedrijf. Voorts betogen zij dat ten onrechte is geoordeeld dat de woning altijd binnen het bouwblok van [locatie 20] heeft gelegen en dat de woning niet is vergund bij dat agrarische bedrijf. De woning is in eigendom van derden en is nooit gebruikt als bedrijfswoning. 2.15.1. Het college heeft goedkeuring verleend aan het bouwblok en aan de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 19]. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de noodwoning [locatie 19] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen. Het bestemmen van de noodwoning als bedrijfswoning acht het college niet noodzakelijk, omdat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat een derde agrarische bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de woning [locatie 21] gelet op de plansystematiek al sinds 1968 is bestemd en vergund als agrarische bedrijfswoning. Het planologisch afsplitsen van bedrijfswoningen als gevolg van de privaatrechtelijke eigendomsverhouding ondersteunt het college niet omdat daarmee nieuwe bebouwingsmogelijkheden worden geboden en een nieuwe burgerwoning wordt toegevoegd aan het buitengebied, hetgeen niet past binnen het provinciaal beleid. 2.15.2. Ten aanzien van de woning [locatie 19] heeft de raad aan de hand van de Beoordelingsladder noodwoningen besloten die niet te bestemmen als "Woondoeleinden" omdat deze ligt op een agrarisch bouwblok. De raad stelt zich op het standpunt dat, omdat de gevraagde vormverandering van het bouwblok niet wordt toegekend, verzocht wordt om een derde bedrijfswoning. De raad stelt dat voor het bestemmen van de noodwoning als extra bedrijfswoning een aparte procedure dient te worden doorlopen. Daarbij dient de noodzakelijkheid voor de bedrijfsvoering te worden aangetoond en in dit geval heeft een dergelijk verzoek, gelet op de huidige beperkte agrarische bedrijfsomvang, geen kans van slagen, zo stelt de raad. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning [locatie 21] in 1968 is vergund en heeft ter zitting verklaard dat uit de bouwvergunning niet is te achterhalen met welke reden deze woning tot stand is gekomen. Het bestemmen van deze woning als burgerwoning acht de raad in strijd met gemeentelijk en provinciaal beleid en eveneens uit milieuoogpunt niet toelaatbaar. 2.15.3. [appellant sub 11] en [appellant sub 11A] exploiteren op het perceel [locatie 20] een intensieve veehouderij. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok', 'GG/IVH' (combinatiebedrijf grondgebonden agrarisch bedrijf/intensieve veehouderij) en '2DW' (maximaal twee bedrijfswoningen toegestaan). De woning [locatie 19] is daarbij aangeduid als 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden één agrarisch bedrijf worden uitgeoefend en mogen maximaal twee bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht. [appellant sub 11] en [appellant sub 11A] zijn woonachtig aan [locatie 20]. [appellante sub 11B] is woonachtig aan [locatie 19]. [appellant sub 11C] is woonachtig aan [locatie 21]. Alle drie de woningen liggen in het plan binnen één agrarisch bouwblok. 2.15.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1980 waren de percelen [locatie 21] en [locatie 20] bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en mocht eveneens ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd. De woning [locatie 19], de in geding zijnde noodwoning, was op de plankaart aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.15.5. De Afdeling volgt [appellant sub 11] en anderen niet in hun betoog dat de noodwoning [locatie 19] als burgerwoning bestemd had moeten worden. In het bestemmingsplan "Buitengebied" van 1980 lag de noodwoning, evenals in het in geding zijnde plan, binnen het agrarisch bouwblok van het agrarische bedrijf [locatie 20]. Gelet op de zogenoemde "Beoordelingsladder noodwoningen" dient de noodwoning niet als zelfstandige woning te worden bestemd, indien deze binnen een agrarisch bouwblok ligt. Dat de noodwoning gelet op de gebiedskwaliteiten als zelfstandige woning - zoals verwoord in de Beoordelingsladder noodwoningen - inpasbaar is, wordt derhalve onjuist geacht. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 11] en anderen aan de Beoordelingsladder noodwoningen geen aanspraak kunnen ontlenen op een bestemming "Woondoeleinden" voor de in geding zijnde noodwoning. Voorts behoefde het college in het betoog van [appellant sub 11] en anderen dat de woning reeds lange tijd wordt bewoond en dat hiertegen nooit handhavend is opgetreden geen aanleiding te vinden om van het beleid af te wijken. Voor zover sprake is van legaal gebruik betreft dit gebruik dat op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan was toegestaan. Aan zodanig gebruik kan evenwel op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachting worden ontleend op een bestemming overeenkomstig dat gebruik, nu het overgangsrecht er juist op is gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt in zoverre. Het betoog van [appellant sub 11] en anderen dat in een tweetal vergelijkbare gevallen wel noodwoningen als burgerwoning zijn bestemd kan eveneens niet slagen, omdat de aangehaalde gevallen betrekking hebben op noodwoningen die liggen buiten een agrarisch bouwblok. Reeds hierom zijn de noodwoningen in die gevallen niet op een gelijke manier beoordeeld. 2.15.6. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 11] en anderen dat de noodwoning als bedrijfswoning had moeten worden bestemd, wordt overwogen dat in 1962 een bouwvergunning is verleend voor een berging en dat deze, zoals uit het deskundigenbericht volgt, in gebruik is genomen als noodwoning. Er is geen bouwvergunning verleend voor het veranderen van de noodwoning in een bedrijfswoning. Het beleid van de raad, dat van de noodzaak van een extra bedrijfswoning moet zijn gebleken, is niet onredelijk. Dat een bestemming als bedrijfswoning geen belemmeringen oplevert in het kader van milieuregelgeving of dat sprake is van een bestaande woning, is voor die beoordeling niet van overwegende betekenis. [appellant sub 11] en anderen hebben voorts geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel een extra bedrijfswoning noodzakelijk was. 2.15.7. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet mocht instemmen met het opnemen van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' met betrekking tot de noodwoning [locatie 19]. Dit betoog faalt derhalve. 2.15.8. Ten aanzien van het betoog dat het bouwblok ten onrechte mede betrekking heeft op de woning [locatie 21], is ter zitting onweersproken gesteld dat het desbetreffende perceel in het toenmalige bestemmingsplan "Uitbreidingsplan gemeente Deurne" uit 1951 - zoals gewijzigd in 1964 - was bestemd als "Landelijk gebied 1". Die bestemming bood de mogelijkheid ter plaatse een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning op te richten. Bij besluit van 1 maart 1968 is die mogelijkheid benut en is aan één van de eigenaren van het perceel [locatie 20] die het perceel [locatie 22], thans [locatie 21], had gekocht, een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis met stalling op dit perceel met het oogmerk om op dat perceel een nieuw agrarisch bedrijf te starten. Derhalve stellen [appellant sub 11] en anderen terecht dat de woning [locatie 21] als bedrijfswoning is vergund op een perceel dat geen deel uitmaakte van het perceel [locatie 20]. In het bestemmingsplan "Buitengebied" van 1980 is het perceel met de woning [locatie 21] opgenomen in het bouwblok van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 20], echter zonder een bestemming toe te kennen voor die woning. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de woning bij het van kracht worden van dat plan als burgerwoning in gebruik was. Gelet op een en ander is de woning onder het overgangsrecht van dat plan gebracht. Immers ingevolge het vorige plan was slechts één agrarische bedrijfswoning binnen het bouwblok toegestaan en deze was in de vorm van woning [locatie 20] reeds aanwezig. Bovendien werd de woning gebruikt als burgerwoning. Ingevolge artikel 31, tweede lid, onder 1, van het in geding zijnde plan mag het gebruik van de grond en/of opstallen, dat strijdig is met het plan op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, worden voortgezet. Vastgesteld wordt dat het gebruik als burgerwoning nu weer onder het overgangsrecht valt, nu de woning als tweede bedrijfswoning is bestemd maar nog steeds wordt gebruikt als burgerwoning. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden omgezet in een gebruik als agrarische bedrijfswoning. De Afdeling volgt voorts het college niet in zijn standpunt dat de woning [locatie 21] als bedrijfswoning binnen het agrarisch bouwblok van [locatie 20] behoort te liggen. In tegenstelling tot hetgeen het college heeft betoogd, zijn de gronden van [locatie 21] in 1968 niet privaatrechtelijk afgesplitst. De desbetreffende gronden zijn naar onweersproken is gesteld aangekocht door de toenmalige aanvrager met het oogmerk er een afzonderlijk bedrijf te beginnen. Het betoog dat de woning [locatie 21] reeds in het vorige plan deel uitmaakte van het agrarisch bouwblok van [locatie 20], kan in dit verband niet van doorslaggevende betekenis worden geacht, nu de woning en de daarbij behorende gronden niet bij het bedrijf [locatie 20] hoorden of inmiddels horen. Verder is gesteld noch gebleken dat ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering een tweede bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is. Het college heeft deze aspecten niet bij zijn besluitvorming betrokken. Gelet hierop heeft het college bij zijn besluit in zoverre gehandeld in strijd met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.15.9. Nu de ligging van het bouwblok is ingegeven door het onjuiste standpunt dat de woning [locatie 21] daarin behoorde te worden opgenomen, kan de goedkeuring van de aanduiding 'bouwblok' voor zover die mede betrekking heeft op het perceel [locatie 21] niet in stand blijven. 2.15.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 11] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de goedkeuring van de aanduiding 'agrarisch bouwblok' met betrekking tot de percelen [locatie 21] en [locatie 20] te Deurne, voor zover die aanduiding mede betrekking heeft op het perceel [locatie 21]. Het beroep is ongegrond voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' met betrekking tot de noodwoning [locatie 19]. Het beroep van [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] 2.16. Het beroep van [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor hun woning [locatie 23] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.16.1. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] betogen voorts dat niet concreet op hun bedenkingen is ingegaan nu het college geen afzonderlijke beoordeling van hun situatie heeft gemaakt. Verder betogen zij dat de wethouder voorafgaand aan de aankoop van de woning indertijd heeft toegezegd dat de woning bestemd zou worden als burgerwoning. Daarnaast is bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de woning in de toekomst bewoond mocht blijven nu gemeentelijk beleid inzake het beëindigen van bewoning ontbreekt. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] betogen dat het college de individuele omstandigheden had moeten beoordelen en nader had moeten motiveren of sprake is van een noodwoning dan wel van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, die noodzaken tot afwijken van de algemene beleidslijn. Als bijzondere omstandigheden voeren zij onder meer aan dat het gebouw langdurig en bestendig als woning is gebruikt, dat in de omgeving meer burgerwoningen aanwezig zijn, dat ter plaatse in feite geen nieuwe agrarische bedrijven opgericht kunnen worden en dat de reeds aanwezige agrarische bedrijven niet onevenredig zullen worden belemmerd. Voorts wordt hun woning feitelijk waardeloos nu voor het gebouw geen andere gebruiksmogelijkheid resteert. 2.16.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de woning [locatie 23] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen. Op grond daarvan komt de woning niet voor een bestemming wonen in aanmerking, omdat deze in het landbouwontwikkelingsgebied ligt waarbinnen geen nieuwe woonfuncties kunnen worden toegevoegd, aldus het college. 2.16.3. De gronden voor het perceel [locatie 23] zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften mag op deze gronden onder meer een agrarisch bedrijf worden uitgeoefend. De aan het perceel toegekende aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning. 2.16.4. De Afdeling volgt [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] niet in hun betoog dat niet concreet op hun bedenkingen is ingegaan. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken, noch dat het college geen afzonderlijke beoordeling van de situatie heeft gemaakt. 2.16.5. Ook faalt het betoog dat het college nader had moeten motiveren dat ten aanzien van de woning [locatie 23] sprake is van een noodwoning. De woning was in het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1980 op de plankaart aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. Derhalve heeft het college in navolging van de raad de woning voor de toepassing van het beleid terecht aangemerkt als noodwoning. 2.16.6. Ten aanzien van het betoog dat de wethouder destijds heeft toegezegd dat de woning bestemd zou worden als burgerwoning, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan verwachtingen die zijn gewekt door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de gemeenteraad. Daargelaten of in dit concrete geval de beweerdelijk gewekte verwachtingen zijn toe te rekenen aan de raad, had het college evenwel uit de omstandigheden die zich in dit geval voordoen in redelijkheid niet hoeven af te leiden dat het hier om gerechtvaardigde verwachtingen ging welke gehonoreerd dienden te worden. Hierbij wordt van belang geacht dat, zoals ter zitting is gebleken, de gestelde toezegging van een wethouder niet schriftelijk is vastgelegd en het bestaan ervan ook anderszins niet aannemelijk is gemaakt. Ook hebben [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van 16 oktober 2002 naar aanleiding van een gesprek met de wethouder over de verbouwmogelijkheden van de noodwoning niet kunnen afleiden dat aan een bestemming als burgerwoning medewerking zou worden verleend. Immers, in die brief is reeds uitdrukkelijk gesteld dat een bestemming als burgerwoning onder meer afhing van de individuele situatie en medewerking van het college. 2.16.7. Aan het betoog van [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] dat zij vanwege het langdurige en bestendige gebruik en het ontbreken van gemeentelijk beleid inzake het beëindigen van de bewoning erop mochten vertrouwen dat de noodwoning in de toekomst bewoond mocht blijven, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. In beginsel kunnen geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen worden ontleend aan gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt. 2.16.8. Ook in het betoog dat in de omgeving meer burgerwoningen aanwezig zijn, dat ter plaatse in feite geen nieuwe agrarische bedrijven opgericht kunnen worden en dat de reeds aanwezige agrarische bedrijven niet onevenredig zullen worden belemmerd, behoefde het college, in navolging van de raad, geen aanleiding te zien om van het beleid af te wijken. Het standpunt van de raad dat het als burgerwoning bestemmen van de woning [locatie 23] nu of in de toekomst een belemmerende invloed kan hebben op agrarische bedrijven in de omgeving wordt niet onredelijk geacht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het in deze concrete situatie gaat om het toevoegen van een burgerwoning in het landbouwontwikkelingsgebied waar het provinciale beleid geen omschakeling toestaat naar functies die een beperkende invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van agrarische bedrijven. 2.16.9. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de noodwoning en de gebruiksmogelijkheden daarvan, bestaat geen grond voor de verwachting dat die negatieve invloed zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. 2.16.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 23] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13] 2.17. Het beroep van [appellant sub 13] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 24] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.17.1. [appellant sub 13] betoogt voorts dat er ten aanzien van zijn woning sprake is van een rechtsongelijke behandeling nu alleen burgerwoningen in beschouwing zijn genomen en bovendien een doorslaggevend belang is toegekend aan de ligging van zijn woning. 2.17.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de woning [locatie 24] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en dat de raad deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht. Het college acht met de raad de noodwoning niet als zelfstandige woning inpasbaar, omdat deze verscholen ligt achter de woning [locatie 25] en daardoor niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. 2.17.3. Op de plankaart van het voorheen geldende plan was de in geding zijnde noodwoning aangeduid als 'noodwoning' - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.17.4. De Afdeling volgt [appellant sub 13] niet in zijn betoog dat voor de toepassing van het gemeentelijke beleid op zijn woning ten onrechte onderscheid is gemaakt tussen burgerwoningen en bedrijfswoningen. Het provinciale beleid staat immers in beginsel geen burgerwoningen toe in het buitengebied. Voor zover een burgerwoning in afwijking van dat beleid wordt toegestaan, is het niet onredelijk dat aan de ligging van die woning ten opzichte van andere functies een zwaarwegend belang wordt gehecht. Ook is het standpunt van het college dat uit stedenbouwkundig oogpunt eisen moeten worden gesteld aan de noodwoning om als zelfstandige woning inpasbaar te zijn in de omgeving, niet onredelijk. De raad heeft derhalve bij het onderzoek naar de vraag of voor de in geding zijnde noodwoning thans een bestemming "Woondoeleinden" was aangewezen, in overeenstemming met de beoordelingssystematiek voor noodwoningen, betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de noodwoning [locatie 24] verscholen ligt achter de ter plaatse aanwezige bebouwing en daardoor niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. [appellant sub 13] heeft geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van het beoordelingskader rechtvaardigen. Evenmin heeft [appellant sub 13] aannemelijk gemaakt dat op dit punt sprake is van een ongelijke behandeling in vergelijkbare situaties. 2.17.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 24] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 13] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 14] 2.18. Het beroep van [appellant sub 14] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 26] te [plaats] . 2.18.1. [appellant sub 14] betoogt dat ten onrechte is geoordeeld dat zijn woning niet voldoet aan het criterium van het algemene beoordelingskader dat de raad heeft gehanteerd voor noodwoningen, namelijk dat sprake moet zijn van een solitaire ligging van het gebouw. Bovendien is ten aanzien van zijn woning sprake van een bijzonder geval dat noodzaakt tot afwijken van de algemene beleidslijn. Hij voert hiertoe aan dat de woning vele jaren is bewoond en passend is in de omgeving gelet op de gemeentelijke ‘Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties'. Voorts betoogt hij dat de beoordelingssystematiek van de noodwoningen niet consequent is toegepast. Zo zijn andere noodwoningen die evenmin solitair zijn gelegen wel als woning bestemd. 2.18.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de woning [locatie 26] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en dat deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht vanwege de omstandigheid dat deze niet solitair is gelegen. Voorts stelt het college zich met de raad op het standpunt dat de ‘Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties’ van de gemeente Deurne, als uitwerking van de provinciale Nota ‘Buitengebied in Ontwikkeling’, geen rechtstreekse mogelijkheden biedt om een nieuwe woonbestemming toe te staan, maar alleen indien dit in samenhang met andere te treffen maatregelen leidt tot een kwaliteitsverbetering van het gebied. Dit doet zich niet voor in het geval van de woning [locatie 26], aldus het college. 2.18.3. Op de plankaart van het voorheen geldende plan was de in geding zijnde noodwoning aangeduid als 'noodwoning' - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. 2.18.4. Wat betreft het betoog inzake de solitaire ligging heeft de raad ter zitting toegelicht dat met deze trede van de beoordelingsladder is beoogd tot uitdrukking te brengen dat het gebouw uit stedenbouwkundig oogpunt als zelfstandige woning moet passen bij de situering van de (bedrijfs)woningen in de omgeving. Die uitleg acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat de woning [locatie 26] duidelijk ondergeschikt is aan de hoofdwoning [locatie 27] en dat deze woningen bouwtechnisch niet eenvoudig van elkaar zijn te scheiden. Het college heeft derhalve het standpunt kunnen innemen dat een bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 26] niet passend is in de omgeving. Aan het betoog van [appellant sub 14] dat afwijking van het beleid is gerechtvaardigd vanwege het langdurige gebruik van de woning kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Voor zover sprake is van legaal gebruik betreft dit gebruik dat op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan was toegestaan. Aan zodanig gebruik kan evenwel op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachting worden ontleend op een bestemming overeenkomstig dat gebruik, nu het overgangsrecht er juist op is gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt in zoverre. Ook faalt het betoog dat het niet toekennen van een bestemming "Woondoeleinden" in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid inzake bebouwingsconcentraties, nu dit beleid een nieuwe woonbestemming alleen toestaat indien sprake is van ruimtelijke kwaliteitswinst. Het standpunt van het college dat het toekennen van een bestemming "Woondoeleinden" aan de woning [locatie 26] zonder dat de in dat beleid voorgeschreven maatregelen worden getroffen geen kwaliteitswinst oplevert, is niet onredelijk. 2.18.5. [appellant sub 14] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de beoordelingssystematiek voor noodwoningen niet consequent is toegepast. 2.18.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft de woning [locatie 26] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 15] 2.19. Het beroep van [appellant sub 15] richt zich tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 28] te [plaats]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.19.1. [appellant sub 15] betoogt voorts dat het college aan de hand van de individuele omstandigheden had moeten beoordelen of sprake is van een noodwoning dan wel van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, die noodzaken tot afwijken van de algemene beleidslijn. Als bijzondere omstandigheden voert hij aan dat de woning indertijd met toestemming van het college van burgemeester en wethouders is gebouwd, de woning langdurig en bestendig als zodanig wordt gebruikt, het college van burgemeester en wethouders het gebruik van de woning heeft gedoogd en geen gemeentelijk beleid heeft voor het beëindigen van bewoning, waardoor naar zijn stellen, bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de woning in de toekomst bewoond mocht blijven, dat hij financiële schade leidt door de waardedaling van de woning en dat binnenkort de huidige burgerbewoning wordt gestaakt, waarna hij deze woning wil gebruiken als afhankelijke woonruimte. 2.19.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad het gebouw aan de [locatie 28] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en deze noodwoning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht aangezien wordt gewoond in een voormalig (agrarisch) bedrijfsgebouw op een agrarisch bouwblok en geen bouwvergunning is verleend voor het bouwen van de woning. 2.19.3. [appellant sub 15] exploiteert een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 29]/[locatie 28]. Het perceel heeft in het plan de bestemming "Agrarisch gebied (AHS)" met de aanduidingen 'agrarisch bouwblok’,‘GG' (grondgebonden agrarisch bedrijf) en ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’. Ter plaatse bevinden zich twee woningen [locatie 29] en [locatie 28]. Niet in geschil is dat de in het plan toegelaten bedrijfswoning de woning [locatie 29] betreft. De aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' betreft de in geding zijnde noodwoning [locatie 28]. 2.19.4. Het betoog dat aanspraak bestaat op een woonbestemming omdat de woning met toestemming van het college van burgemeester en wethouders is gebouwd faalt. Voor het oprichten van de woning is geen bouwvergunning verleend. [appellant sub 15] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hiervoor anderszins toestemming is verleend. Voorts was de woning in het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening IX: correctieve herziening" van 1988 aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. Derhalve heeft het college in navolging van de raad de woning voor de toepassing van het beleid terecht aangemerkt als noodwoning. Het betoog van [appellant sub 15] dat hij vanwege het langdurige en bestendige gebruik en het ontbreken van gemeentelijk beleid inzake het beëindigen van de bewoning erop mocht vertrouwen dat de noodwoning in de toekomst bewoond mocht blijven, slaagt niet. In beginsel kunnen geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen worden ontleend aan gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt. Het overgangsrecht is er juist op gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt in zoverre. [appellant sub 15] heeft zijn stelling dat hij door de aanduiding financieel nadeel zal lijden niet nader onderbouwd. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de noodwoning bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Voorts behoefde het college in navolging van de raad in de wens van [appellant sub 15] de woning na beëindiging door de huidige bewoner zelf te gaan gebruiken als zogenoemde afhankelijke woonruimte evenmin aanleiding te zien om niet onverkort vast te houden aan het toegepaste beleid. Artikel 3, lid 3.5.9., van de planvoorschriften biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid desgevraagd vrijstelling te verlenen van het in artikel 3, lid 3.8.2., sub d en e, opgenomen verbod, teneinde een afhankelijke woonruimte toe te staan. Ook dit betoog faalt derhalve. 2.19.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’ voor de noodwoning [locatie 28] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 16] 2.20. Ter zitting heeft [appellant sub 16] zijn beroep ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de aanduiding ‘landbouwontwikkelingsgebied primair’ voor het gebied waarin zijn perceel [locatie 30] te [plaats] ligt. 2.20.1. Het beroep van [appellant sub 16] richt zich voorts tegen de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' voor de woning [locatie 30]. De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. 2.20.2. [appellant sub 16] betoogt voorts dat het college aan de hand van de individuele omstandigheden had moeten beoordelen of sprake is van een noodwoning dan wel van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, die noodzaken tot afwijken van de algemene beleidslijn. Als bijzondere omstandigheden voert hij aan dat de woning langdurig en bestendig als zodanig is gebruikt, het college van burgemeester en wethouders het gebruik van de woning heeft gedoogd en geen gemeentelijk beleid heeft voor het beëindigen van bewoning, waardoor naar zijn stellen, bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de woning in de toekomst bewoond mocht blijven, dat hij financiële schade leidt door de waardedaling van de woning en dat een woonbestemming geen beperkingen oplevert voor de in de omgeving gelegen agrarische bedrijven. Verder betoogt hij dat in de directe omgeving van zijn noodwoning twee vergelijkbare woningen staan, te weten de woning [locatie 31] en [locatie 30], die wel als zodanig zijn bestemd. 2.20.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de woning [locatie 30] terecht heeft getoetst aan de beoordelingssystematiek voor noodwoningen en dat de raad deze woning terecht onder het persoonsgebonden overgangsrecht heeft gebracht, aangezien deze in een landbouwontwikkelingsgebied staat waar op grond van het reconstructiebeleid geen nieuwe woonbestemming mag worden toegevoegd. 2.20.4. Het perceel waarop de woning [locatie 30] staat, heeft in het plan de bestemming "Woondoeleinden". Ter plaatse bevindt zich een tweede woning, [locatie 32]. Niet in geschil is dat de woning [locatie 32] de in het plan toegelaten woning betreft. De in geding zijnde woning [locatie 30] heeft in het plan de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht'. 2.20.5. Die woning was in het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening IX: correctieve herziening" van 1988 aangeduid als 'noodwoning - beperkt overgangsrecht van toepassing (artikel 41, lid A, sub 2)'. Derhalve heeft het college in navolging van de raad deze woning voor de toepassing van het beleid terecht aangemerkt als noodwoning. Het betoog van [appellant sub 16] dat hij vanwege het langdurige en bestendige gebruik en het ontbreken van gemeentelijk beleid inzake het beëindigen van de bewoning erop mocht vertrouwen dat de noodwoning in de toekomst bewoond mocht blijven, slaagt niet. In beginsel kunnen geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen worden ontleend aan gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt. Het overgangsrecht is er juist op gericht dat het met het plan strijdige gebruik wordt beëindigd. Met de toekenning van de aanduiding 'woning met persoonsgebonden overgangsrecht' wordt bewerkstelligd dat het afwijkende gebruik, in overeenstemming met het karakter van overgangsrecht, eindig is. Het betoog faalt in zoverre. Ook het betoog dat een bestemming "Woondoeleinden" de in de omgeving gevestigde agrarische bedrijven niet zal belemmeren behoefde geen aanleiding te geven om van het beleid af te wijken. Het standpunt van het college en de raad dat het beleid erop is gericht om in alle opzichten beperkingen voor bestaande en toekomstige agrarische bedrijven in een landbouwontwikkelingsgebied tegen te gaan, is niet onredelijk. [appellant sub 16] heeft zijn stelling dat hij door de aanduiding financieel nadeel zal lijden niet nader onderbouwd. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de noodwoning, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gemoeid. Ook faalt het betoog dat de in geding zijnde woning vergelijkbaar is met twee als zodanig bestemde woningen in de onmiddellijke omgeving, aangezien de door [appellant sub 16] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt onweersproken dat de woning [locatie 31] een bedrijfswoning is op een bestaand agrarisch bouwblok en de woning [locatie 32] reeds een woonbestemming had in het voorheen geldende bestemmingsplan. 2.20.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding ‘woning met persoonsgebonden overgangsrecht’ voor de noodwoning [locatie 30] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 16] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 17] 2.21. Het beroep van [appellant sub 17] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" voor het perceel [locatie 33] te [plaats] voor zover dat voor het perceel [locatie 33] niet voorziet in de bestemming "Woondoeleinden". De beroepsgronden die zich richten tegen het gehanteerde gemeentelijke en provinciale beleid zijn hiervoor onder 'Algemene bezwaren' besproken en ongegrond bevonden. [appellant sub 17] betoogt dat het college niet concreet is ingegaan op de ingebrachte bedenkingen. Voorts betoogt hij dat de woning [locatie 33] een burgerwoning is en dat geen sprake is van een bedrijfswoning noch van een noodwoning in de zin van het door de raad gehanteerde algemene beoordelingskader voor noodwoningen. Het college had moeten beoordelen of in dit geval een bestemming "Woondoeleinden" had kunnen worden toegekend, aangezien volgens hem de woning van oudsher, met medeweten en medewerking van de raad, is gebruikt als burgerwoning. Bovendien stemt de in het plan toegekende agrarische bestemming naar zijn mening niet overeen met het bestaande gebruik, aangezien geen sprake meer is van agrarische bedrijvigheid op het perceel. Een agrarische bestemming is volgens hem evenmin uitvoerbaar vanwege de nabij gelegen Walsbergse bossen en de nabij gelegen geurgevoelige objecten. Die staan naar zijn mening overigens ook in de weg aan de met artikel 3, lid 3.8.3, van de planvoorschriften beoogde hervatting van agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel. Een bestemming "Woondoeleinden" zou de gevestigde bedrijven in de omgeving van de [locatie 33] naar zijn stellen niet beperken noch de belangen van derden onevenredig benadelen Voorts betoogt [appellant sub 17] dat hij door de in het plan toegekende bestemming en aanduiding schade lijdt als gevolg van de waardevermindering van zijn woning. 2.21.1. Het college heeft het in geding zijnde plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen ‘NGG' (niet-grondgebonden agrarisch bedrijf), ‘agrarisch bouwblok’ en '2DW' (maximaal twee dienstwoningen toegestaan) goedgekeurd. Met de raad stelt het college zich op het standpunt dat in het voorheen geldende plan voor de woning [locatie 33] niet was voorzien in burgerbewoning en dat er ook geen bouwvergunning is verl