200907473/1/V6. Datum uitspraak: 28 april 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 augustus 2009 in zaak nr. 09/45 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 136.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 27 november 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 14 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 oktober 2009. Deze brieven zijn aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Pronk, advocaat te Delft, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Garabitian, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd. Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan. Ingevolge artikel 19d, eerste lid,voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00. Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2008 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Volgens artikel 5 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00, gesteld per persoon, per beboetbaar feit. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij. Ingevolge artikel 43, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. Ingevolge de laatste alinea van dit artikel omvat de vrijheid van vestiging, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 54 van het VWEU, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Ingevolge artikel 49, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 56, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Ingevolge artikel 50, laatste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 57, laatste alinea, van het VWEU, voor zover thans van belang, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt. Ingevolge Bijlage VI Lijst bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: overgangsmaatregelen Bulgarije (hierna: Bijlage VI), onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten tussen, voor zover thans van belang, Bulgarije en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14. Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VI het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, tijdelijk te beperken en door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2012 gehandhaafd (Kamerstukken II 2008/09, 29 407, nr. 98). In Bijlage VI is tussen Bulgarije en Nederland geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van vestiging dan wel diensten. 2.2. Het door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 28 mei 2008 (hierna: het boeterapport) en de daarbij behorende bijlagen vermeldt dat uit controle op 12 februari 2008 is gebleken dat [appellante] zeventien vreemdelingen van Bulgaarse nationaliteit arbeid heeft laten verrichten. De vreemdelingen [vreemdeling sub 1], [vreemdeling sub 2], [vreemdeling sub 3], [vreemdeling sub 4], [vreemdeling sub 5], [vreemdeling sub 6], [vreemdeling sub 7], [vreemdeling sub 8], [vreemdeling sub 9], [vreemdeling sub 10], [vreemdeling sub 11], [vreemdeling sub 12], [vreemdeling sub 13], [vreemdeling sub 14], [vreemdeling sub 15], [vreemdeling sub 16] en [vreemdeling sub 17] verrichtten in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 productiearbeid (hierna: de werkzaamheden) bestaande uit het stieken, clippen en enten van planten, zonder dat daarvoor aan [appellante] tewerkstellingsvergunningen zijn verleend. Het boeterapport vermeldt voorts dat de vreemdelingen sub 1 tot en met 3 door [appellante] waren ingeleend via het [bedrijf], de vreemdelingen 4 tot en met 7 via [loonbedrijf] en de vreemdelingen sub 8 tot en met 17 via het [detacheringsbedrijf], en dat ook aan deze bedrijven geen tewerkstellingsvergunningen zijn verleend. Het boeterapport vermeldt ten slotte dat de vreemdelingen sub 8 tot en met 17 de werkzaamheden hebben verricht in de periode van 12 november tot en met 25 november 2007. 2.3. [appellante] bestrijdt in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank dat de minister haar terecht als vergunningplichtig werkgever van de vreemdelingen sub 1 tot en met 7 heeft aangemerkt en wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft beboet. [appellante] heeft dit ook ter zitting bij de Afdeling verklaard. 2.4. [appellante] betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingen sub 8 tot en met 17 (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen) niet als zelfstandigen kunnen worden aangemerkt, ten onrechte heeft geconcludeerd dat de minister [appellante] terecht als hun vergunningplichtig werkgever heeft aangemerkt en wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft beboet. Hiertoe betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op de minister de last rust om aannemelijk te maken dat zij in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld. Het is volgens [appellante] niet aan haar om aannemelijk te maken dat de vreemdelingen zelfstandigen waren en [appellante] niet hun vergunningplichtig werkgever. Nu de minister uitsluitend aan de hand van administratief onderzoek heeft vastgesteld dat de vreemdelingen de werkzaamheden niet zonder gezagsverhouding verrichtten, heeft de minister niet aan de op hem rustende last voldaan, aldus [appellante]. [appellante] betoogt in dit verband voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij niet op basis van de tussen [appellante] en [detacheringsbedrijf] gesloten overeenkomst (hierna: de overeenkomst) tot het oordeel kon komen dat de vreemdelingen niet als zelfstandigen zijn aan te merken. Volgens [appellante] strekt de overeenkomst uitsluitend tot het geven van opdracht aan [detacheringsbedrijf] voor het verrichten van werkzaamheden en was voor haar niet van belang wie de werkzaamheden daadwerkelijk zou gaan verrichten. [appellante] voert in dit verband voorts aan dat de rechtbank ten onrechte uit de bij het boeterapport behorende verklaringen van haar [directeur] en hetgeen hij in zijn zienswijze op de boetekennisgeving van 22 juli 2008 heeft verklaard heeft afgeleid dat de vreemdelingen niet als zelfstandigen kunnen worden aangemerkt. Volgens [appellante] hebben de verklaringen van [directeur] geen betrekking op de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden, te minder nu ook voor [directeur] niet van belang was wie de aan [detacheringsbedrijf] in opdracht gegeven werkzaamheden daadwerkelijk zou gaan verrichten. 2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2009 in zaak nr. 200900342/1/V6) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04; Nadin en Durré, punt 31, (www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.