200905133/1/H1. Datum uitspraak: 4 mei 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Heusden, 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juni 2009 in zaak nrs. 08/2950 en 08/1966 in de gedingen tussen: [appellant sub 2] en het college. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2] om het besluit van 10 oktober 2003, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de bouw van een stenen muur door [belanghebbende] op het perceel [locatie] te [plaats], en het besluit van 13 januari 2004, waarbij het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, in te trekken, afgewezen. [appellant sub 2] heeft daartegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college heeft daarmee ingestemd. Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het college [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de opgerichte verlenging van de perceelafscheiding (de drie segmenten met een totale lengte van circa 8 meter in het verlengde van de eerder opgerichte, vergunningvrije perceelafscheiding) te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel aan te passen overeenkomstig de eisen voor vergunningvrij bouwen (hoogte terugbrengen tot maximaal 2 meter). Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard en het besluit van 11 januari 2008 ingetrokken. Bij uitspraak van 9 juni 2009, verzonden op 10 juni 2009, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaak nr. 08/2950). Voorts heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 april 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant sub 2] ongegrond heeft verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen (zaak nr. 08/1966). Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2009, en [appellant sub 2] voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 augustus 2009. [appellant sub 2] en het college hebben een verweerschrift ingediend. [appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, zijn verschenen. Voorts is verschenen [belanghebbende]. 2. Overwegingen Hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2009 voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft 2.1. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 13 januari 2004 en 10 oktober 2003 op een onjuiste voorstelling van zaken zijn gebaseerd zodat het college deze had behoren in te trekken. 2.1.1. Bij uitspraak van 14 december 2005 in zaak nr. 200502776/1 heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 februari 2005, waarbij het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 13 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond is verklaard, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200603543/1 heeft de Afdeling het door [appellant sub 2] tegen die uitspraak ingediende herzieningsverzoek afgewezen. 2.1.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. 2.1.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ten aanzien van de in zijn ogen onjuiste vaststelling van de feiten op basis van een voorstelling van zaken door het college in de procedure die heeft geleid tot voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005, niet als nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden kan worden aangemerkt. Wat daar ook van zij, de vaststelling van de feiten is steeds onderdeel geweest van die procedure en [appellant sub 2] is in de gelegenheid geweest zijn standpunt daaromtrent naar voren te brengen. Het betoog faalt. 2.2. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover deze zaak nr. 08/2950 betreft, te worden bevestigd. Hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2009 voor zover deze zaak nr. 08/1966 betreft 2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de verlenging van de perceelafscheiding geen bouwvergunning is vereist en het college aldus niet bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen de op het perceel [locatie] staande woning en de garage/berging en de verlenging van de perceelafscheiding geen functionele relatie in planologische zin bestaat. Voorts heeft zij volgens het college ten onrechte aangenomen dat sprake is van een voor deze zaak relevante wijziging van de jurisprudentie van de Afdeling. 2.4. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt: het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: 1) niet hoger dan 1 meter, of 2) niet hoger dan 2 meter en gebouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.