(2003)830 definitief) (hierna: de richtsnoeren). Volgens [appellante] volgt uit punt 61 van de richtsnoeren dat de toewijzing van emissierechten aan haar op dezelfde wijze dient te geschieden als de toewijzing aan bestaande inrichtingen en aan andere nieuwkomers. Nu de toewijzing aan bestaande inrichtingen en aan andere nieuwkomers niet is gebaseerd op de daadwerkelijke emissie, mag de toewijzing aan [appellante] volgens haar evenmin worden gebaseerd op de daadwerkelijke emissie. 2.5.
- De toewijzing van emissierechten op basis van de meest recente voorhanden zijnde informatie waaruit de daadwerkelijke emissie kan worden afgeleid, is volgens de ministers niet in strijd met Richtlijn 2003/87/EG en de daarbij behorende richtsnoeren. Ook bij andere nieuwkomers is deze werkwijze volgens de ministers gehanteerd. In zoverre kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, aldus de ministers. 2.5.
- Ingevolge artikel 16.24 van de Wet milieubeheer wordt het nationale toewijzingsplan vastgesteld met inachtneming van de artikelen 10 en 30, derde lid, eerste alinea, van Richtlijn 2003/87/EG en van de termijnen, genoemd in artikel 9 van de richtlijn. Het plan wordt vastgesteld met gebruikmaking van objectieve en transparante criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij die richtlijn en de richtsnoeren die de Commissie daaromtrent overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de richtlijn heeft vastgesteld. Ingevolge criterium 5 uit bijlage III bij Richtlijn 2003/87/EG mag het toewijzingsplan geen zodanig onderscheid maken tussen ondernemingen of sectoren dat bepaalde ondernemingen of activiteiten onrechtmatig worden bevoordeeld, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en
- Volgens punt 61 van de richtsnoeren, voor zover hier van belang, dient, teneinde het beginsel van de gelijke behandeling te eerbiedigen, de methodiek die de lidstaten hanteren om emissierechten aan nieuwkomers toe te wijzen, zoveel mogelijk dezelfde te zijn als die welke wordt gehanteerd ten aanzien van vergelijkbare actuele houders van emissierechten. Wel kunnen er gelet op criterium 5 gewettigde redenen zijn om bepaalde aanpassingen aan te brengen. Insgelijks moeten alle nieuwkomers op gelijke voet worden behandeld. 2.5.
- Uit paragraaf 3.4 uit deel II van het toewijzingsplan blijkt dat de methodiek van toewijzing van emissierechten aan bestaande inrichtingen geschiedt op basis van historische emissies uit de jaren 2001 tot en met
- In geval van nieuwkomers zijn historische emissiegegevens evenwel niet voorhanden, omdat nieuwkomers in die periode nog niet operationeel waren. De toewijzingsmethodiek voor nieuwkomers wijkt om die reden af van die voor vergelijkbare bestaande inrichtingen. Paragraaf 4.2, onder 3, uit deel II van het toewijzingsplan bepaalt dat de aan nieuwkomers toe te wijzen hoeveelheid emissierechten nooit meer mag bedragen dan de reëel geplande emissie op jaarbasis. Naar het oordeel van de Afdeling is dit verschil in toewijzingsmethodiek gerechtvaardigd om onrechtmatige bevoordeling van nieuwkomers als bedoeld in criterium 5 uit bijlage III bij Richtlijn 2003/87/EG te voorkomen. Derhalve geeft hetgeen [appellante] aanvoert geen grond voor het oordeel dat het toewijzingsplan voor wat betreft de toewijzingsmethodiek voor nieuwkomers in strijd is met het in artikel 16.24 van de Wet milieubeheer bepaalde. 2.5.
- [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ministers in strijd met het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van haar inrichting een andere toewijzingsmethodiek hebben toegepast dan ten aanzien van andere nieuwkomers. De beroepsgrond faalt. 2.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Melse voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010 191-579.