(1999)en heeft [appellant sub 1] waarschijnlijk ten onrechte geen meteocorrectie op zijn metingen toegepast. Uit de omstandigheid dat de hoogste pieken niet met enige regelmaat terugkeren, leidt het college, gelet op het feit dat motoren op het crossterrein rondjes rijden, af dat deze door [appellant sub 1] geconstateerde pieken waarschijnlijk niet door het crossterrein zijn veroorzaakt maar door stoorgeluiden. 2.5.
- De in voorschrift 2.2.1 ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] op [locatie 1] gestelde geluidgrenswaarde voor piekgeluiden van 63 dB(A) is gebaseerd op de uitkomsten van het akoestisch rapport van Royal Haskoning van 27 april 2007 behorend bij de aanvraag van mei
- Ter zitting heeft het college toegelicht dat bij het berekenen van de maximale geluidgrenswaarden is uitgegaan van een 'worst-case' benadering. In deze situatie zijn zes motoren gelijktijdig in de baan op het motorcrossterrein aanwezig. De maximale geluidgrenswaarden zijn opgebouwd uit het maximale bronvermogen van deze motoren, vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is vanwege het overwegend aanwezige bosgebied tussen het motorcrossterrein en de woning van onder meer [appellant sub 1] een bodemfactor gehanteerd van 0,8 dB(A) tot 1 dB(A). [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toepassen van deze bodemfactor heeft geleid tot een onderschatting van de gemeten geluidniveaus. Evenmin heeft [appellant sub 1] aannemelijk gemaakt dat de door hem verrichte metingen niet zijn beïnvloed door stoorgeluiden vanuit de omgeving van het motorcrossterrein. Uit de meetresultaten die door [appellant sub 1] als bijlage bij zijn beroepschrift zijn gevoegd, valt niet af te leiden of de controle van de maximale geluidgrenswaarde van 63 dB(A) is geschied volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai
(1999), zoals voorschrift 2.4.2 vereist. Gelet hierop kan uit deze meetresultaten niet worden afgeleid dat de in voorschrift 2.2.1 ter plaatse van de woning [locatie 1] gestelde maximale geluidgrenswaarde van 63 dB(A) niet naleefbaar is. De beroepsgrond faalt. 2.
- [appellant sub 1] betoogt dat, nu het terrein waarop het motorcrossterrein is gelegen, is bestemd als natuurgebied, een vergunning pas mag worden verleend nadat de bestemming is gewijzigd in motorcrossterrein. Zolang dat niet het geval is, zou de gevraagde vergunning moeten worden geweigerd. 2.6.
- Het college stelt in de overwegingen van het besluit dat, afgezien van de omstandigheid dat op grond van overgangsrecht gecrost mag worden, het betreffende terrein in het vigerende bestemmingsplan weliswaar de bestemming natuurgebied heeft, maar dat de gemeente De Wolden inmiddels een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, waarin het terrein als motorcrossterrein wordt bestemd. 2.6.
- Daargelaten of het gebruik als motorcrossterrein op grond van in het vigerende bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht in dit geval is toegestaan, bestaat in de gevallen waarop artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer betrekking heeft, geen plicht maar een bevoegdheid om de gevraagde milieuvergunning te weigeren. Het college heeft in het bestreden besluit toereikend gemotiveerd waarom het geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. De beroepsgrond faalt. 2.
- [appellant sub 1] stelt dat de aarden geluidwal illegaal aanwezig is, nu de daarvoor verleende aanlegvergunning is vernietigd. De Afdeling is van oordeel dat dit aspect geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De beroepsgrond faalt. 2.
- De Stichting voert aan dat de beperkingen met betrekking tot de openingstijden gedurende het broedseizoen ten onrechte zijn gekoppeld aan de periode 15 maart tot 15 juli, aangezien er ook vogels zijn die in een andere periode een broedsel hebben. In de uitspraak van 20 mei 2008, in zaak nr. 200802036/1, is deze beroepsgrond van de Stichting reeds ongegrond verklaard. De Afdeling ziet thans geen aanleiding hierover anders te oordelen. De beroepsgrond faalt. 2.
- De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010 159-651.